id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.1 Rolnummer: P.19.0978.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-02-21 Raadplegingen: 295 - laatst gezien 2026-06-28 07:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 36 Wegverkeerswet bestraft de misdrijven bepaald in de artikelen 34 § 2, 35 en 37bis § 1 in geval van herhaling en voert aldus geen onderscheiden en autonoom misdrijf in; alles wat verband houdt met het verval van het recht tot sturen ingevolge recidive is gebundeld in artikel 38 Wegverkeerswet. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 36 Vrije woorden: Herhaling bij alcoholintoxicatie en dronkenschap achter het stuur of rijden onder invloed van verdovende middelen - Geen autonoom misdrijf - Verval van het recht tot sturen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Artt. 34, § 2, 35, 37bis, § 1, en 38 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Verval van het recht tot sturen - Toestand van herhaling van alcoholintoxicatie en dronkenschap achter het stuur of rijden onder invloed van verdovende middelen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Artt. 34, § 2, 35, 37bis, § 1, en 38 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0978.N M. A. J. J. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 6 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de toestand van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet niet kan worden aangenomen, omdat er op de datum van het vonnis meer dan drie jaar zijn verstreken sinds de veroordeling van 20 oktober
- In zoverre het cassatieberoep ook gericht is tegen deze beslissing, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet en de artikelen 36 en 38 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis legt ten onrechte krachtens artikel 38 Wegverkeerswet aan de eiser een rijverbod op; artikel 36 Wegverkeerswet voorziet niet in een dergelijke sanctie en geen enkel van de in artikel 38, § 1, eerste lid, bedoelde gevallen is hier van toepassing; de misdrijven bedoeld in de telastleggingen A en B betreffen immers een inbreuk op artikel 36 Wegverkeerswet en niet meer op artikel 34 Wegverkeerswet; het betreft een autonome telastlegging, namelijk alcohol of dronkenschap in staat van herhaling en voorziet daartoe in een eigen bestraffing; artikel 38 Wegverkeerswet voorziet niet in een mogelijk verval van het recht tot sturen en herstelproeven in het geval van een kwalificatie overeenkomstig artikel 36 Wegverkeerswet.
- Artikel 36 Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door artikel 6 van de wet van 9 maart 2014 tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen en van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, bepaalt: "Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 of artikel 35 of artikel 37bis, § 1, een van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan opnieuw overtreedt. In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na de tweede veroordeling, kunnen de hierboven bepaalde gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld."
- Artikel 36 Wegverkeerswet bestraft de misdrijven bepaald in de artikelen 34, § 2, 35, en 37bis, § 1, Wegverkeerswet in geval van herhaling als bedoeld door deze bepaling. Het voert geen onderscheiden en autonoom misdrijf in.
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat het verval van het recht tot sturen als straf uit deze bepaling werd weggelaten om alles wat verband houdt met het verval ingevolge recidive te bundelen in artikel 38 Wegverkeerswet. Aldus wordt in geval van een inbreuk op de artikelen 34, § 2 en 37bis, § 1, Wegverkeerswet in een toestand van herhaling als bedoeld door artikel 36 Wegverkeerswet het verval van het recht tot sturen geregeld door artikel 38 Wegverkeerswet en ingeval van een inbreuk op artikel 35 Wegverkeerswet door deze bepaling en artikel 38 Wegverkeerswet.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 35 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt dat eisers gedragingen niet direct duiden op een dronkenschap, om vervolgens de dronkenschap bewezen te verklaren; deze motivering is tegenstrijdig en het bestreden vonnis toetst de feitelijke gegevens niet aan de essentiële vraag of de eiser zijn daden blijvend niet meer beheerste.
- Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser wegens de telastleggingen A, B en C tot een geldboete van 500,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 4.000 euro, vervangbaar bij gebreke van betaling door een rijverbod van 150 dagen, verklaart hem vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van een jaar en maakt het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een medisch en psychologisch onderzoek. Deze straffen zijn wettelijk verantwoord ingevolge de bewezen verklaarde telastlegging A. Het middel dat uitsluitend betrekking heeft op de telastlegging B kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: met de enkele reden dat het geen nut heeft de verbalisanten als getuige op te roepen omdat dit niets zal bijbrengen aan de waarheidsvinding en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de verbalisanten nog in staat zouden zijn verslag uit te brengen over de feiten van 17 december 2017, verantwoordt het bestreden vonnis niet naar recht de afwijzing van eisers verzoek tot het horen van de verbalisanten als getuige over zijn dronkenschap.
- Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser wegens de telastleggingen A, B en C tot een geldboete van 500,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 4.000 euro, vervangbaar bij gebreke van betaling door een rijverbod van 150 dagen, verklaart hem vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van een jaar en maakt het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een medisch en psychologisch onderzoek. Deze straffen zijn wettelijk verantwoord ingevolge de bewezen verklaarde telastlegging A. Het middel dat uitsluitend betrekking heeft op de telastlegging B kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 18 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div