← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.5 Rolnummer: P.19.1032.N Zaak: V. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-02-21 Raadplegingen: 937 - laatst gezien 2026-06-29 03:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het moreel bestanddeel bij het misdrijf opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen heeft alleen betrekking op het toebrengen van de slag of de verwonding en niet op de gevolgen van die slag of verwondingen; het is dus niet vereist dat de dader zich ervan bewust moest zijn dat die slag een letsel of verwonding kon veroorzaken

(1).
(1)Cass. 13 november 2012, AR P.12.1398.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121113.2, AC 2012, nr. 611; Cass. 19 oktober 2011, AR P.11.0807.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111019.2, AC 2011, nr.
  1. Zie J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Antwerpen, Intersentia, 2014,
  2. Zie ook A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 175-
  3. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Opzettelijke slagen en verwondingen - Moreel bestanddeel - Opzet - Alleen gericht op toebrengen van slag of verwonding - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392 en 398 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Opzet - Alleen gericht op toebrengen van slag of verwonding - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392 en 398 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 Uit artikel 392 Strafwetboek volgt dat hij die beoogt een welbepaald persoon te doden of letsel toe te brengen, maar door een externe oorzaak ook een ander doodt of letsel toebrengt, opzettelijk handelt; de omstandigheid dat hij naast het beoogde slachtoffer ook een ander heeft getroffen, belet niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld in de zin van artikel 392 Strafwetboek ten aanzien van die andere persoon
(1).
(1)Cass. 22 april 2014, AR P.13.1999.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6, AC 2014, nr. 295, N.C. 2014, 313 noot J. DE HERDT, "De benadering van de aberratio ictus: een misslag?" Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Opzettelijke slagen en verwondingen - Moreel bestanddeel - Opzet - Doden of toebrengen van letsel aan een ander dan de beoogde persoon - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392, 398 en 401 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Opzet - Doden of toebrengen van letsel aan een ander dan de beoogde persoon - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392, 398 en 401 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1032.N G. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
  1. E. D., burgerlijke partij,
  2. A. D., burgerlijke partij,
  3. V. C., burgerlijke partij,
  4. A. S., burgerlijke partij,
  5. M. H., burgerlijke partij,
  6. L. B., burgerlijke partij,
  7. E. A., burgerlijke partij,
  8. I.-A. S., burgerlijke partij,
  9. BELFIUS VERZEKERINGEN nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Galileelaan 5, gedwongen tussengekomen partij, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, verweerders, waarbij de verweerders 1 tot en met 3 en 5 tot en met 8 woonplaats kiezen bij Joeri Beuren, met kantoor te 8310 Brugge, Damse Vaart-Zuid
  10. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 september
  11. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  12. Het arrest bevestigt het bestreden vonnis dat vaststelt dat de zaak niet in staat is voor wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders 1 tot 8 en dat de zaak onbepaald uitstelt voor de verdere afhandeling van deze rechtsvorderingen. Het verzendt vervolgens de zaak terug naar de eerste rechter. Deze beslissingen zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en ze vallen evenmin onder de uitzonderingen bedoeld in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie
  13. De verweerster 9 voert aan dat de memorie niet ontvankelijk is omdat het bewijs dat de memorie haar ter kennis werd gebracht niet ter griffie werd neergelegd. De verweerster 9 heeft sedert 24 mei 2018 haar maatschappelijke zetel verplaatst naar 1210 Brussel, Rogierplein 11, op welk adres ook het cassatieberoep werd betekend.
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de memorie per aangetekende post werd ter kennis gebracht aan de verweerster 9 op het adres ..., terwijl het cassatieberoep werd betekend op het adres ... De memorie die niet op het juiste adres van de verweerster 9 werd ter kennis gebracht, is ten aanzien van deze verweerster niet ontvankelijk. Eerste middel
  15. Het middel voert schending aan van de artikelen 392 en 398 Strafwetboek: het arrest oordeelt enkel dat het moreel opzet betrekking heeft op de daad zelf en niet op de gevolgen ervan en dat de eiser niet kan betwisten wetens en willens een duw of een slag te hebben gegeven aan T.B. en aldus de fysieke integriteit van het slachtoffer te hebben aangetast; met deze redenen hebben de appelrechters niet onderzocht of de eiser zich ook ervan bewust was en wist dat de door hem gestelde handeling intensief en dermate intrinsiek van aard was dat die mogelijk een letsel of een bruuske aanraking met een ander voorwerp kon veroorzaken bij het slachtoffer en dat de eiser toch heeft beslist om die handeling te stellen.
  16. Het moreel bestanddeel bij het misdrijf opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen heeft alleen betrekking op het toebrengen van de slag of de verwonding en niet op de gevolgen van die slag of verwondingen. Het is dus niet vereist dat de dader zich ervan bewust moest zijn dat die slag een letsel of verwonding kon veroorzaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Het arrest oordeelt dat de eiser niet ernstig kan betwisten dat hij wetens en willens T.B. een duw of slag heeft gegeven en aldus de fysieke integriteit van het slachtoffer heeft aangetast en dat het daarbij niet relevant is dat hij niet gewild heeft dat T.B. ten val kwam. Met deze redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het moreel bestanddeel van het misdrijf bewezen is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  18. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 392, 398 en 401 Strafwetboek en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eiser T.B. wilde duwen, hem ook heeft geduwd en dat N.H., die achter T.B. stond, in diens val werd meegesleurd; uit de door het arrest vastgestelde feiten kan aldus niet worden afgeleid dat er per vergissing een duw is gegeven aan N.H. en evenmin dat er sprake is van een afwijkende slag. Het tweede onderdeel voert schending aan artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 392, 398 en 401 Strafwetboek en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek. het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser ook schuldig is aan het toebrengen van slagen of verwondingen aan N.H., omdat de verwondingen niet rechtstreeks aan hem zijn toegebracht; het arrest onderzoekt niet en stelt niet vast dat de schade ten aanzien van N.H. werd gezocht en aanvaard door de eiser en de eiser nog de wil had iemand anders te verwonden nadat de duw was gegeven aan T.B. of door een duw te geven aan T.B.; het misdrijf was afgelopen door het geven van de duw aan T.B. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 392, 398 en 401 Strafwetboek en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek: het arrest gaat niet na of het handelen van de eiser ten aanzien van N.H. een opzettelijke of een onopzettelijke fout uitmaakt; indien in alle omstandigheden moet worden aanvaard dat een opzettelijk gestelde handeling die het misdrijf van opzettelijke slagen en verwondingen ten aanzien van één persoon uitmaakt, steeds ook als een opzettelijk gestelde handeling of misdrijf van slagen of verwondingen moet worden beschouwd ten aanzien van andere onrechtstreekse slachtoffers, is de dader niet meer in de mogelijkheid om zich te verdedigen over het bestaan van het vereiste opzet wat de feiten ten aanzien van die andere slachtoffers betreft.
  19. Artikel 392 Strafwetboek bepaalt: "Opzettelijk worden genoemd het doden en het toebrengen van letsel met het oogmerk om een bepaald persoon of een persoon die zal worden aangetroffen of ontmoet, aan te randen, ook al was dit oogmerk afhankelijk van enige omstandigheid of van enige voorwaarde en zelfs al heeft de dader zich vergist omtrent de persoon die het slachtoffer van de aanranding is geworden."
  20. Uit die bepaling volgt dat hij die beoogt een welbepaald persoon te doden of letsel toe te brengen, maar door een externe oorzaak ook een ander doodt of letsel toebrengt, opzettelijk handelt. De omstandigheid dat hij naast het beoogde slachtoffer ook een ander heeft getroffen, belet niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld in de zin van artikel 392 Strafwetboek ten aanzien van die andere persoon. In zoverre het middel in al zijn onderdelen uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Het arrest oordeelt dat: - het beroepen vonnis terecht oordeelde dat de gevolgen van het gewelddadig optreden van de eiser helemaal niet zo onvoorzienbaar of onvermijdbaar waren als de eiser wil doen geloven, minstens wat betreft het feit dat een derde werd meegesleurd in de val van T.B.; - uit de camerabeelden duidelijk blijkt dat, nadat de eiser een eerste maal T.B. op hardhandige wijze had buitengezet uit zijn café, er meerdere personen naar buiten zijn gegaan, onder meer de persoon die hem tot kalmte aanmaande, een man met een wit T-shirt en een kleine man volledig in het zwart gekleed die zich om 01.44.38 u bij het groepje van de eiser, T.B. en de man met de witte T-shirt voegde; - om 01.44.42 u de eiser zijn herberg terug binnengaat en om 01.44.43 u T.B. naar binnen gaat, iets later gevolgd door de kleine man in het zwart, slachtoffer N.H., namelijk om 01.44.48 u; - wanneer de eiser dan ook om 04.44.50 u T.B. naar buiten duwt, hij bezwaarlijk kan voorhouden niet te hebben geweten dat er andere personen in de onmiddellijke nabijheid van T.B. stonden, die mogelijks in de klappen konden delen. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht eisers schuldigverklaring aan de telastlegging B. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  22. In zoverre het middel een schending aanvoert van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, is het afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetschending en is het niet ontvankelijk. Derde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 392, 398 en 401 Strafwetboek: het arrest stelt niet vast dat het overlijden van N.H. voorzienbaar was; het arrest onderzoekt niet noch beslist dat elk normaal persoon, in dezelfde omstandigheden als de eiser, inderdaad zou kunnen voorzien hebben dat N.H. zou komen te overlijden door te worden meegesleurd in de val van T.B.
  24. Het arrest (p. 24) oordeelt net als de eerste rechter dat de gevolgen van het gewelddadig optreden van de eerste helemaal niet zo onvoorzienbaar of vermijdbaar waren als hij wil doen geloven. Aldus geeft het arrest te kennen dat de gevolgen voor de eiser wel degelijk voorzienbaar waren. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 156,61 euro, waarvan 121,61 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 18 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:COHSAV:2023:DEC.20230918.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111019.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121113.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.