← België

STAD GENK contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 2257

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Ontstaan van de rechtsvordering - Vordering gegrond op een verbintenis - Verjaring - Aanvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2257

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Vordering gegrond op een verbintenis - Ontstaan van de rechtsvordering - Verjaring - Aanvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2257

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 4 Het Hof van Cassatie is bevoegd om een materiële vergissing in het bestreden arrest die blijkt uit de samenhang van de tekst, te verbeteren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: Verschrijving in de bestreden beslissing - Materiële vergissing - Verbetering door het Hof Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2257- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.

C.18.0575.N STAD GENK, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 3600 Genk, Dieplaan 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, tegen

  1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met kabinet te 1210 Brussel, Kunstlaan 7, voor wie optreedt de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40, bus 10, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7,
  2. R. C., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 oktober 2014 (rolnummer 2013/AR/2483). Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 19 november 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
  3. Krachtens artikel 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat overeenstemt met artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, zijn verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.
  4. Overeenkomstig artikel 2257 Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring niet ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is; ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad; ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.
  5. Uit voormeld artikel 2257 Burgerlijk Wetboek volgt dat de verjaring, die een verweer vormt tegen een te laat ingestelde vordering in rechte, niet kan beginnen lopen vóór het ontstaan van de rechtsvordering. De rechtsvordering die op een verbintenis is gegrond, ontstaat in de regel op de datum waarop die verbintenis moet worden nagekomen. De verjaring ervan loopt bijgevolg pas vanaf dat ogenblik.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres, als tussenpersoon die voor rekening van de tweede verweerder, een veehandelaar, een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald en die door de veehandelaar in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bedragen, een vordering tot vrijwaring tegen de Staat heeft ingesteld.
  7. Krachtens de voornoemde bepalingen begint de verjaring van die vordering tot vrijwaring van de tussenpersoon tegen de Staat te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de veehandelaar zijn vordering tot terugbetaling tegen de tussenpersoon heeft ingesteld. Vanaf dat tijdstip dient de Staat zijn verbintenis tot vrijwaring jegens de tussenpersoon immers uit te voeren.
  8. Het middel dat ervan uitgaat dat de verjaring van de vordering tot vrijwaring van de tussenpersoon tegen de Staat pas begint te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de vordering tot terugbetaling van de veehandelaar tegen de tussenpersoon gegrond wordt verklaard en die tussenpersoon wordt veroordeeld tot terugbetaling van de onverschuldigde bedragen, faalt naar recht. Eerste middel
  9. De appelrechters stellen vooreerst vast dat de tweede verweerder, de veehandelaar, bij dagvaarding betekend op 10 en 11 december 2007 van de eiseres terugbetaling heeft gevorderd van wat hij haar onverschuldigd heeft betaald en dat de eiseres op 9 mei 2012 van de eerste verweerder vordert om haar te vrijwaren. Zij oordelen vervolgens dat: - ook indien zou worden aangenomen dat artikel 2257 Burgerlijk Wetboek van toepassing is, de verjaring moet worden vastgesteld; - de uitwinning in de zin van artikel 2257, derde lid, Burgerlijk Wetboek heeft plaatsgevonden bij het instellen van de hoofdvordering van de tweede verweerder tegen de eiseres, wat gebeurde door de dagvaarding betekend op 10 en 11 december 2007; - met toepassing van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit de verjaringstermijn voor de vordering tot vrijwaring dan verstreek op 31 december 2011; - de eiseres ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om een vordering tot vrijwaring in te stellen en noch het gedrag van de nationale autoriteiten noch het bestaan van voornoemde verjaringstermijn de eiseres volledig de mogelijkheid heeft ontnomen om haar rechten voor de nationale rechter te doen gelden, zodat de verwijzing naar de Europese rechtspraak aangaande het effectiviteitsbeginsel hier niet ter zake is. Deze zelfstandige, tevergeefs bekritiseerde redenen dragen de beslissing van de appelrechters dat de vordering tot vrijwaring van de eiseres tegen de eerste verweerder verjaard was.
  10. Het middel dat opkomt tegen het oordeel dat de vordering van de eiseres tegen de eerste verweerder geen vordering tot vrijwaring is in de zin van artikel 2257, derde lid, Burgerlijk Wetboek, kan, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar laatste appelconclusie heeft aangevoerd dat "indien [de eiseres] wordt aangesproken en veroordeeld ten aanzien van [de tweede verweerder] op basis van een onverschuldigde betaling, de rechtsgrond voor de vrijwaringsvordering [tegen de eerste verweerder] eveneens een onverschuldigde betaling betreft" en dat "de rechtsgrond, die de basis voor de vrijwaringsvordering vormt, minstens artikel 1382 Burgerlijk Wetboek kan zijn."
  12. De appelrechters oordelen dat "de vordering van [de eiseres] tegen [de eerste verweerder] geen vordering is die steunt op een verbintenis tot vrijwaring voor schade waartoe [de eerste verweerder] zich tegenover [de eiseres] heeft verbonden, maar een vordering tot terugbetaling van wat [de eiseres] onverschuldigd heeft betaald aan [de eerste verweerder]."
  13. Met dit oordeel kwalificeren de appelrechters de vrijwaringsvordering van de eiseres tegen de eerste verweerder als een vordering tot terugbetaling van hetgeen zij onverschuldigd aan de eerste verweerder heeft betaald, zonder dat zij een uitleg geven van de appelconclusie van de eiseres. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, mist het feitelijke grondslag.
  14. Door de vrijwaringsvordering van de eiseres tegen de eerste verweerder als een vordering tot terugbetaling te kwalificeren, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in ondergeschikte orde gevoerde verweer dat die vordering artikel 1382 Burgerlijk Wetboek als rechtsgrond heeft, zonder dat zij het Hof verhinderen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 149 Grondwet en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het beschikkingsbeginsel, mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel tevergeefs aangevoerde schending van de artikelen 149 Grondwet en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het beschikkingsbeginsel. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde middel
  16. Het Hof is bevoegd om een materiële vergissing in het bestreden arrest die blijkt uit de samenhang van de tekst, te verbeteren.
  17. Het bestreden arrest overweegt dat "alle partijen een rechtsplegingsvergoeding ad 2.750 euro vragen, wat het geïndexeerd basisbedrag is gelet op de omvang van het gevorderde" en dat "er geen reden is om af te wijken van het basistarief." Het bestreden arrest stelt de rechtsplegingsvergoeding in het dictum evenwel vast op 16.500 euro. Dat bedrag, dat zonder de minste twijfel het gevolg is van een materiële vergissing, moet worden gelezen als 2.750 euro. Het middel, dat geheel berust op het bedrag dat door die materiële vergissing is aangetast, is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Zegt voor recht dat in het dictum van het bestreden arrest de bedragen van 16.500 euro aan rechtsplegingsvergoeding dienen gelezen te worden als 2.750 euro. Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.100,03 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200220.12 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211209.1N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.