← België

STAD GENK contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.8 Rolnummer: C.18.0572.N Zaak: STAD GENK contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 421 - laatst gezien 2026-06-28 07:51 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: Publicatie in voorbereiding Fiches 1 - 3 Het effectiviteitsbeginsel vereist dat een tussenpersoon die voor rekening van een particulier een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald, zich nog tegen de Staat moet kunnen keren wanneer zij door de particulier in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bijdragen en de bijzondere vervaltermijn waarbinnen zij een eigen vordering in terugbetaling tegen de staat kan instellen, is verstreken gezien de Staat zelf de aan hem toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betaling dient te dragen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Effectiviteitsbeginsel - Heffing betaald door particuliere tussenpersoon - Heffing in strijd met het Unierecht - Vordering in terugbetaling tegen de Belgische Staat - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Heffing betaald door particuliere tussenpersoon - Heffing in strijd met het Unierecht - Vordering in terugbetaling tegen de Belgische Staat - Verstrijken van bijzondere vervaltermijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Heffing betaald door particuliere tussenpersoon - Heffing in strijd met het Unierecht - Vordering in terugbetaling tegen de Belgische Staat - Verstrijken van bijzondere vervaltermijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Tekst van de beslissing Nr. C.18.0572.N STAD GENK, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 3600 Genk, Dieplaan 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met kabinet te 1210 Brussel, Kunstlaan 7, voor wie optreedt de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40, bus 10, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat
  1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 juni 2017, in de samengevoegde zaken 2014/AR/1515 en 2014/AR/
  2. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 19 november 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
  3. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie is "het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, wanneer ter zake geen regeling op het niveau van de Unie is vastgesteld." Het effectiviteitsbeginsel, dat vervat is in artikel 4, derde lid, VEU, vereist evenwel dat deze regels "de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken" (zie H.v.J., 19 mei 2011, zaak C-452/09, Iaia e.a., r.o. 16; H.v.J., 8 september 2011, gevoegde zaken C-89/10 en C-96/10, Q-Beef nv / Belgische Staat en Frans Bosschaert / Belgische Staat, r.o. 32).
  4. In zijn arrest van 8 september 2011, gevoegde zaken C-89/10 en C-96/10, Q-Beef nv / Belgische Staat en F. B. / Belgische Staat, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat "het Unierecht niet in de weg staat aan een nationale regeling die een particulier een langere termijn toekent om heffingen terug te vorderen van een andere particulier die als tussenpersoon is opgetreden, aan wie hij deze heffingen onverschuldigd heeft betaald en die deze heffingen voor rekening van de eerste particulier aan de Staat heeft betaald, terwijl voor zijn vordering een kortere, van het gemeenrecht inzake terugvordering van het onverschuldigd betaalde afwijkende terugvorderingstermijn van toepassing zou zijn geweest indien hij deze heffingen rechtstreeks aan de Staat had betaald, wanneer de als tussenpersonen optredende particulieren de eventueel voor andere particulieren betaalde bedragen daadwerkelijk kunnen terugvorderen van de Staat" (r.o. 45). Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie is "het effectiviteitsbeginsel echter geschonden indien [de als tussenpersonen optredende particulieren] geen recht op terugbetaling van de betrokken heffing hebben gehad binnen de kortere terugvorderingstermijn en, na een na het verstrijken van deze termijn door [een particulier] tegen [deze tussenpersonen] ingestelde vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde, zich evenmin hebben kunnen keren tegen de Staat, zodat de aan de Staat toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betalingen van de heffingen uitsluitend door die tussenpersonen worden gedragen" (r.o. 43). Het Hof van Justitie van de Europese Unie wijst erop dat "de verwijzende rechter van oordeel is dat [de als tussenpersonen optredende particulieren], indien zij veroordeeld werden tot terugbetaling aan [de particulier] van de bijdragen die zij ten onrechte hebben ontvangen, deze bedragen van de Staat zouden kunnen terugvorderen en zulks niet via een terugbetalingsvordering tegen de Staat, die immers reeds verjaard is uit hoofde van de bijzondere vervaltermijn, maar door middel van een vordering in vrijwaring ter zake van een persoonlijke verplichting [in toepassing van artikel 2257, derde lid, Burgerlijk Wetboek]" (r.o. 44).
  5. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt aldus kennelijk dat het effectiviteitsbeginsel vereist dat een tussenpersoon die voor rekening van een particulier een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald, zich nog tegen de Staat moet kunnen keren, wanneer zij door de particulier in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bijdragen en de bijzondere vervaltermijn waarbinnen zij een eigen vordering in terugbetaling tegen de Staat kan instellen, is verstreken. De Staat dient immers zelf de aan hem toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betaling te dragen.
  6. De appelrechter stelt vooreerst vast dat de veehandelaar van de eiseres terugbetaling heeft gevorderd van wat hij haar onverschuldigd heeft betaald en dat de eiseres van de Staat, de verweerder, vordert haar te vrijwaren. Hij stelt verder vast en oordeelt dat: - artikel 2257, derde lid, Burgerlijk Wetboek in de eerste plaats betrekking heeft op de vordering van de koper tegenover de verkoper wegens de vrijwaring waartoe de verkoper verplicht is voor uitwinning; - deze regel uitgebreid kan worden tot andere vorderingen tot vrijwaring van een contractant jegens zijn medecontractant; - geen van die gevallen aan de orde is, aangezien de vordering van de eiseres tegen de verweerder geen vordering is die steunt op een verbintenis tot vrijwaring voor schade waartoe de verweerder zich tegenover de eiseres heeft verbonden, maar een vordering tot terugbetaling is van wat de eiseres onverschuldigd heeft betaald aan de verweerder; - de vordering van de eiseres tegen de verweerder op grond van onverschuldigde betaling niet pas ontstond vanaf de aanspraken door de veehandelaar jegens de eiseres, maar op het ogenblik dat de betaling werd verricht; - het feit dat de eiseres de vordering pas heeft ingesteld nadat zij door de veehandelaar is aangesproken en dat haar vordering de vrijwaring door de verweerder beoogt in de algemene zin van het woord, daaraan niets afdoet; - de vordering van de eiseres tegen de verweerder verjaart na verloop van vijf jaar, in toepassing van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit; - het vertrekpunt van deze bijzondere verjaringstermijn de eerste januari is van het begrotingsjaar van de betaling door de eiseres aan de verweerder, zijnde 1998; - de vordering op grond van onverschuldigde betaling, uitgaande van een betaling door de eiseres in 1998, verjaarde op 31 december 2002; - de eiseres een vordering in vrijwaring tegen de verweerder instelde bij conclusie neergelegd in eerste aanleg op 3 maart 2014; - de eiseres nog melding maakt van een conclusie van 16 maart 2009 waarin ze de vordering tot vrijwaring zou hebben ingesteld, maar die conclusie uiteraard ook genomen zou zijn na afloop van de verjaringstermijn; - de vordering van de eiseres tegen de verweerder verjaard is.
  7. Met dit oordeel beslist de appelrechter aldus dat de eiseres, een tussenpersoon die voor rekening van een particulier, de veehandelaar, een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald, zich niet meer tegen de Staat kan keren, wanneer de eiseres door de veehandelaar in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen heffing en de bijzondere vervaltermijn waarbinnen de eiseres een eigen vordering in terugbetaling tegen de Staat kan instellen, is verstreken. Aldus worden de aan de verweerder toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betalingen van de heffingen uitsluitend door de eiseres gedragen. Hierdoor miskent de appelrechter het in het Unierecht geldende effectiviteitsbeginsel, zoals bepaald in artikel 4, derde lid, VEU. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  8. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering in vrijwaring van de eiseres tegen de verweerder en de hieraan verbonden kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200220.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.