id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200225.2N.12 Rolnummer: P.20.0195.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-02-27 Raadplegingen: 692 - laatst gezien 2026-06-29 02:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De eventuele onregelmatigheid van de rechtspleging voor de raadkamer leidt niet tot de onwettigheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis wanneer het volledige dossier ter beschikking werd gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman vóór diens verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer is aanhangig gemaakt
(1)Cass. 3 januari 2006, AR P.05.1662.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060103.4, AC 2006, nr. 5; Cass. 10 november 1999, AR P.99.1514.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.22, AC 1999, nr. 601; Cass. 27 juli 1999, AR P.99.1084.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990727.21, AC 1999, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Herstel van vormverzuim bij de rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21 en 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Herstel van vormverzuim bij de rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21 en 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Herstel van vormverzuim door de kamer van inbeschuldigingstelling Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21 en 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.20.0195.N D G, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en de artike-len 20 en 21 Voorlopige Hechteniswet. Het eerste onderdeel voert aan dat de eiser niet in de mogelijkheid is geweest om voorafgaand aan de zitting van de raadkamer het dossier met zijn raadsman te be-spreken en zijn verdediging voor te bereiden; de tijd die aan de eiser wordt ge-gund om zijn verdediging voor te bereiden is beperkt tot 24 uur vóór de rechtszit-ting, vermits deze termijn degene is waarbinnen hij of zijn raadsman inzage kan nemen van het dossier; daardoor werden eisers rechten uit de artikelen 5 en 6 EVRM miskend en werd de door de wet bepaalde procedure niet nageleefd; ei-sers vrijheidsberoving is in strijd met de nationale wetgeving, zodat artikel 5 EVRM geschonden is; het arrest oordeelt bijgevolg ten onrechte dat de artikelen 5 en 6 EVRM niet werden geschonden. Het tweede onderdeel voert aan dat de eiser niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn vrijheidsberoving te laten controleren en zijn standpunt uiteen te zetten, om-dat hij geen onderhoud heeft gehad met zijn raadsman noch kennis van de inhoud van het dossier; het arrest oordeelt dat ten gevolge van de devolutieve werking van het hoger beroep eisers recht van verdediging werd geëerbiedigd en hij niet om een uitstel heeft verzocht op de rechtszitting van de raadkamer; vertragingen die het gevolg zijn van de nationale autoriteiten, waaronder het gevangeniswezen valt, leiden tot een schending van artikel 5.4 EVRM; administratieve problemen zijn geen argument die de overschrijding van de korte termijn van artikel 5.4 EVRM kunnen verantwoorden.
- Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de procedure van de voorlopige hechtenis. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Krachtens artikel 21, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet wordt het dossier ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman gedu-rende de laatste werkdag vóór de verschijning voor de raadkamer die krachtens de eerste paragraaf van die bepaling uitspraak moet doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- De eventuele onregelmatigheid van de rechtspleging voor de raadkamer leidt evenwel niet tot de onwettigheid van de handhaving van de voorlopige hech-tenis wanneer het volledige dossier ter beschikking werd gehouden van de inver-denkinggestelde en van zijn raadsman vóór diens verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer is aanhangig gemaakt. In zoverre het middel enkel gericht is tegen de procedure voor de raadkamer, kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14, tweede lid, IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het ver-moeden van onschuld: het arrest kent geen vrijlating onder voorwaarden toe om-dat de eiser vroeger eveneens in hechtenis vertoefde en hieruit geen lering heeft getrokken; aldus gaat het arrest uit van eisers schuld aan de feiten waarvoor hij in verdenking werd gesteld.
- Met de in het middel aangehaalde redenen motiveert het arrest de actuele vrees voor recidive, die niet kan worden voorkomen door de eiser voorlopig in vrijheid te stellen onder voorwaarden. Het arrest spreekt zich niet uit over eisers schuld aan de feiten waarvoor hij in ver-denking wordt gesteld. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing inzake de voorlopige hechtenis. In zoverre het middel de schending van deze bepaling aanvoert, faalt het naar recht. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest niet eisers in appelconclusie gevoerde verweer dat de artikelen 20 en 21 Voorlopige Hechteniswet zijn geschonden, be-antwoordt.
- Het arrest oordeelt dat ten gevolge van de devolutieve werking van het ho-ger beroep het recht van verdediging van de eiser werd geëerbiedigd, de eiser op de rechtszitting van de raadkamer werd vertegenwoordigd door zijn advocaat, hij wegens de toestand of overmacht ten gevolge van de staking van het personeel van de gevangenis het dossier op 30 januari 2020 niet zou hebben kunnen bespre-ken met zijn advocaat en hij op de rechtszitting van de raadkamer niet om een uit-stel heeft verzocht, ofschoon daartoe de gelegenheid bestond. Met deze redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest de volstrekte noodzakelijkheid voor eisers voorlopige hechtenis motiveert met redenen die op geen enkele wijze geïn-dividualiseerd zijn en die niet van toepassing zijn op de eiser.
- Het arrest oordeelt dat de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoon-lijkheid van de eiser, die vermeld zijn in het aanhoudingsbevel, omstandigheden uitmaken die thans nog bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser volstrekt nood-zakelijk is. Het oordeelt verder dat de eiser zeer vele malen strafrechtelijk werd veroordeeld, waaronder tot vijf maal voor gelijkaardige feiten, het aan de eiser verleende uitstel van de strafuitvoering in het verleden moest worden herroepen en hij vroeger eveneens in hechtenis vertoefde waaruit hij kennelijk geen lering heeft getrokken, zodat de nog steeds actuele vrees voor recidive reëel is en niet kan worden voorkomen door de eiser in voorlopige vrijheid te stellen onder voor-waarden. Met deze redenen die geïndividualiseerd zijn, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Geert Jocqué, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 25 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200225.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990727.21 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.22 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060103.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div