← België

FIDEA NV contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200225.2N.8 Rolnummer: P.19.1121.N Zaak: FIDEA NV contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-02-27 Raadplegingen: 547 - laatst gezien 2026-06-28 07:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 78, §1, Wet Landverzekeringsovereenkomst volgt dat de verzekeraar tot dekking gehouden is wanneer de schade zich tijdens de duur van de verzekeringsovereenkomst heeft voorgedaan; wanneer de verzekerde door zijn fout het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt, doet de schade van de rechtsopvolgers en degenen die door het overlijden schade bij terugslag lijden, zich voor op het ogenblik van dat overlijden en is de verzekeraar tot dekking gehouden indien dit tijdstip binnen de duur van de verzekeringsovereenkomst valt

(1).
(1)Artikel 78, §1, Wet Landverzekeringsovereenkomst, thans artikel 142, §1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - Einde - Duur - Schade - Dekking - Overlijden - Gevolg Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Landverzekeringsovereenkomst - Einde - Duur - Schade - Dekking - Overlijden - Gevolg Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Verzekeringen [T.Verz.] - ROGGE, Jean; Noot "Op welk ogenblik ontstaat voor naasten schade bij het overlijden van het slachtoffer?" - 2020, nr. 4, p. 418-
  1. Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1121.N FIDEA nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Delacenseriestraat 1, gedwongen tussengekomen partij, eiseres, met als raadsman mr. Rudi Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. P V D C, in eigen naam en als wettige vertegenwoordiger van M V d C, C V d C en A V d C,
  3. A H,
  4. K W,
  5. L V D D,
  6. A V D D,
  7. E V D D,
  8. R W, in eigen naam en als wettige vertegenwoordiger van L W en J W,
  9. I R, in eigen naam en als wettige vertegenwoordiger van L W en J W,
  10. V W,
  11. R W, in eigen naam en als vertegenwoordiger van C-H V C,
  12. E V C, in eigen naam en als vertegenwoordiger van C-H V C,
  13. E V C,
  14. F V D C, in eigen naam en als vertegenwoordiger van B D en A D,
  15. F D, in eigen naam en als vertegenwoordiger van B D en A D,
  16. C-H D,
  17. M C,
  18. T V D C,
  19. C V D C,
  20. A-S D J, burgerlijke partijen, verweerders,
  21. D C B, beklaagde, verweerster,
  22. KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Van Overstraetenplein 2, gedwongen tussengekomen partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest,
  23. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, vrijwillig tussengekomen partij, verweerster, vertegenwoordigd mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woon-plaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 oktober
  24. De eiseres voert in de memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  25. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan B D, die op 6 september 2019 meerderjarig is geworden. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing op de vordering van de dertiende en veertiende verweerders qualitate qua voor B D, is het niet ontvanke-lijk. Middel Eerste onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 142, § 1, Wet Verzekeringen 2014 en artikel 78, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij de Wet Verzekeringen 2014: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres tot dekking van het schadegeval gehouden is op grond dat de schade is voorgevallen op het ogenblik waarop de schadelijders kennis kregen van de schade, met name in de periode medio 2009 tot 26 augustus
  27. Artikel 78, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzeke-ring slaat op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en zich uitstrekt tot vorderingen die na het einde van deze overeenkomst zijn ingediend. Hieruit volgt dat de verzekeraar tot dekking gehouden is wanneer de schade zich tijdens de duur van de verzekeringsovereenkomst heeft voorgedaan. Wanneer de verzekerde door zijn fout het overlijden van het slachtoffer heeft ver-oorzaakt, doet de schade van de rechtsopvolgers en degenen die door het overlij-den schade bij terugslag lijden, voor op het ogenblik van dat overlijden en is de verzekeraar tot dekking gehouden indien dit tijdstip binnen de duur van de verze-keringsovereenkomst valt.
  28. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, bij vonnis van 27 juni 2016 D B onder meer heeft veroordeeld om door gebrek aan voor-zichtigheid of voorzorg onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt, in de pe-riode van 1 december 2005 tot 5 februari 2013, van A W door niet adequaat te hebben gereageerd en behandeld en in de periode van 1 september 2009 tot 26 augustus 2010 verzuimd te hebben hulp te verlenen aan iemand die in groot ge-vaar verkeert; - de eerste tot en met negentiende verweerders zich voor de correctionele recht-bank burgerlijke partij stelden om vergoeding te verkrijgen voor hun schade veroorzaakt door voormelde misdrijven gepleegd door B; - de eiseres dekking verleent voor de aansprakelijkheid van B in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010; - A W op 5 februari 2013 is overleden.
  29. De appelrechters die oordelen dat de eiseres die dekking verleende tot 31 december 2010, het schadegeval moet ten laste nemen omdat de schade is ont-staan in de periode vanaf medio 2009 tot 26 augustus 2010, dit is het ogenblik waarop het slachtoffer het verband kon leggen tussen de klachten en de eraan voorafgaande fouten van de arts, terwijl het slachtoffer overleden is op 5 februari 2013, hetzij na 31 december 2010, datum waarop de gehoudenheid van de eiseres verstreek, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige onderdelen
  30. De onderdelen die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  31. De vernietiging van de beslissing over de vordering van de eerste tot en met negentiende verweerders, behoudens de dertiende en veertiende verweerders qua-litate qua voor B D tegen de eiseres, strekt zich uit tot de beslissing over de vorde-ringen van deze verweerders tegen de eenentwintigste en tweeëntwintigste ver-weersters die er onlosmakelijk mee verbonden is. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen van de eerste tot en met negentiende verweerders, behoudens de dertiende en veertiende verweerders qualitate qua voor B D, tegen de eiseres, de eenentwintig-ste verweerster en de tweeëntwintigste verweerster en de hieraan verbonden kos-ten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 2.667,44 euro, waarvan 426,42 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Geert Jocqué, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 25 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200225.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.