id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.4 Rolnummer: P.19.1171.N Zaak: F. contra J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 793 - laatst gezien 2026-06-29 06:05 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de bepaling van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering, zoals verduidelijkt in het arrest nr. 189/2019 van het Grondwettelijk Hof van 20 november 2019, volgt dat het appelgerecht de mogelijkheid heeft om ambtshalve te oordelen of de feiten van een bepaalde telastlegging vaststaan, ook wanneer een beklaagde of het openbaar ministerie de schuld aan die telastlegging niet als grief heeft aangeduid; deze mogelijkheid vereist evenwel dat een grievenformulier is neergelegd waarin een beschikking op strafgebied van de beroepen beslissing is aangeduid, die verband houdt met de aan die telastlegging ten grondslag liggende feiten, zoals bijvoorbeeld de straf of een maatregel en bij afwezigheid van een verzoekschrift of grievenformulier kan het appelgerecht dan ook geen ambtshalve middel in de zin van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering aanvoeren
(1).
(1)Cass. 11 februari 2020, AR P.19.1028.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.1, AC 2020, nr. 118; GwH 20 november 2019, nr. 189/
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Ambtshalve op te werpen grieven - Voorwaarde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Grievenformulier - Ambtshalve op te werpen grieven - Voorwaarde - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.19.1171.N K J S F, inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadsman mr. Rik Vanreusel, advocaat bij de balie Leuven, tegen Elke JACKERS, met kantoor te 3740 Bilzen, Maastrichterpoort 1 bus 2, in haar hoedanigheid van voogd ad hoc van L V, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 oktober
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 9 Interneringswet: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres zonder verdere motivering vervallen wegens het ontbreken van een verzoekschrift of grievenformulier; met haar verklaring van hoger beroep heeft de eiseres evenwel aangegeven dat zij het niet eens was met de beslissing van de raadkamer; aldus diende het appelgerecht ambtshalve eiseres' schuld te beoordelen en de toepassingsvoorwaarden voor internering, zoals opgelegd door voormeld artikel 9, te toetsen; het arrest dat nalaat te vermelden dat er geen ambtshalve op te werpen grieven zijn, is niet naar recht verantwoord.
- Krachtens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan ter griffie van de rechtbank die het vonnis op tegenspraak heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering vereist dat de beklaagde tevens op straffe van verval van het hoger beroep binnen dezelfde termijn als de in artikel 203 bedoelde verklaring van hoger beroep en op dezelfde griffie dan wel op de griffie van het appelgerecht een verzoekschrift of grievenformulier indient, dat nauwkeurig de grieven bepaalt die tegen het vonnis worden ingebracht. Artikel 14, § 2, Interneringswet bepaalt dat de hogere beroepen van de procureur des Konings en de partijen of hun advocaat tegen de beslissingen van de raadkamer worden ingesteld in de vorm en binnen de termijnen die bepaald worden bij de artikelen 203, 203bis en 204 Wetboek van Strafvordering.
- Uit deze bepalingen volgt dat de appelrechter verplicht is het hoger beroep van een beklaagde, die nagelaten heeft tijdig een verzoekschrift of grievenformulier neer te leggen, vervallen te verklaren. Noch artikel 6 EVRM noch artikel 149 Grondwet vereisen dat hij deze beslissing verder motiveert. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op: - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten."
- Uit deze bepaling, zoals verduidelijkt in het arrest nr. 189/2019 van het Grondwettelijk Hof van 20 november 2019, volgt dat het appelgerecht de mogelijkheid heeft om ambtshalve te oordelen of de feiten van een bepaalde telastlegging vaststaan, ook wanneer een beklaagde of het openbaar ministerie de schuld aan die telastlegging niet als grief heeft aangeduid. Deze mogelijkheid vereist evenwel dat een grievenformulier is neergelegd waarin een beschikking op strafgebied van de beroepen beslissing is aangeduid, die verband houdt met de aan die telastlegging ten grondslag liggende feiten, zoals bijvoorbeeld de straf of een maatregel. Bij afwezigheid van een verzoekschrift of grievenformulier kan het appelgerecht dan ook geen ambtshalve middel in de zin van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering opwerpen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 3 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div