← België

C. contra F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.5 Rolnummer: P.19.1212.N Zaak: C. contra F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 822 - laatst gezien 2026-06-29 02:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij die krachtens artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek ten laste valt van de partij die in het ongelijk is gesteld; artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen bepaalt dat, wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak kan worden betrokken en vrijwillig kan tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht zijn gebracht, zodat daaruit volgt dat een verzekeringsmaatschappij die vrijwillig tussenkomt in de procedure voor de burgerlijke rechter en in het ongelijk wordt gesteld tot betaling van deze vergoeding kan worden veroordeeld; aangezien de verzekeraar onder dezelfde voorwaarden voor het strafgerecht in het geding kan worden betrokken, maakt het voormelde artikel 153, § 5, het mogelijk dat de strafrechter de verzekeraar van de beklaagde, die vrijwillig is tussengekomen en die in het ongelijk is gesteld, tot een rechtsplegingsvergoeding veroordeelt

(1).
(1)Cass. 7 mei 2013, AR P.12.0753.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130507.3, AC 2013, nr. 284, RABG,1005 en noot. G. VERSTREPEN en L. DELBROUCK, "Hoe ook gelijk krijgen aanleiding kan geven tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding". Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Procedure voor het strafgerecht - Vrijwillig tussenkomende partij - Verzekeringsmaatschappij - Partij die in het ongelijk wordt gesteld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 04-04-2014 - Art. 153, § 5 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.19.1212.N I D G C, beklaagde en burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Kristof-Willem Adam, advocaat bij de balie Antwerpen, II BALOISE BELGIUM nv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Posthofbrug 16, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen, beide cassatieberoepen tegen
  1. F Y, burgerlijke partij en beklaagde,
  2. OPTIMCO nv, met zetel te 2610 Antwerpen (Wilrijk), Sneeuwbeslaan 14, burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman mr. Koen Dermaut, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 oktober
  3. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters steunen hun oordeel dat het verkeerslicht voor de eiser I op rood stond enerzijds op de vaststelling dat het verkeerslicht zowel voor de getuige die links wilde afslaan als voor de eiser I die rechtdoor reed, rood kon zijn en anderzijds op de verklaring van de getuige dat het voertuig van de eiser I hem met grote snelheid langs rechts voorbij stak niettegenstaande het verkeerslicht op rood stond; deze motieven zijn tegenstrijdig.
  5. Een motivering is tegenstrijdig wanneer zij bestaat tussen redenen die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dit is niet het geval met de door het onderdeel bekritiseerde redenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het bestreden vonnis miskent eisers recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie; de appelrechters houden bij de schuldigverklaring van de eiser I en bij het bepalen van de straf en de strafmaat ten onrechte rekening met een nietszeggende, minstens onduidelijke verklaring van de getuige, die geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of het verkeerslicht voor de eiser I op rood stond; zij weigeren tevens ten onrechte de aanstelling van een verkeersdeskundige te bevelen om de verklaring van de getuigen naar waarheid na te gaan.
  7. Het bestreden vonnis doet geen uitspraak over eisers straf en strafmaat. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  8. Het bestreden vonnis oordeelt dat de getuige duidelijk verklaart dat de eiser I door het rode verkeerslicht reed, er hierbij geen twijfel rijst dat de getuige zich mogelijk heeft vergist door geen onderscheid te maken tussen de pijlvormige (naar links) en bolvormige (rechtdoor) verkeerslichten, uit het verkeerslichtendiagram ook blijkt dat het verkeerslicht voor beide rijrichtingen tegelijkertijd rood kan zijn en de getuige hierbij duidelijk zicht had op het verkeerslicht dat gold voor de eiser I. In zoverre berust het onderdeel eveneens op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  9. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken vrij, dit is onaantastbaar, de hem regelmatig voorgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, waaronder de verklaringen van getuigen. Het gegeven dat hij oordeelt dat een getuige bepaalde duidelijke vaststellingen heeft gedaan die leiden tot de schuldigverklaring van de beklaagde, levert geen miskenning op van het recht op een eerlijke behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar of bijkomende onderzoeksmaatregelen noodzakelijk, raadzaam en gepast zijn. De rechter miskent het recht op een eerlijk proces niet en geeft evenmin blijk van partijdigheid of afhankelijkheid wanneer hij een verzoek tot aanstelling van een gerechtsdeskundige afwijst omdat hij die maatregel niet nodig acht om tot zijn overtuiging te komen.
  11. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit de getuigenverklaring blijkt dat het verkeerslicht ook voor de eiser I op rood stond, miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van deze verklaring; de getuige heeft enkel verklaard dat het verkeerslicht op rood stond zonder hierbij te preciseren of dit voor hem, de eiser I of beiden was.
  14. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat de getuige volgende verklaring aflegde: "(...). Ik stond voor het rode verkeerslicht in het linkse rijvak om af te slaan richting Hendrik Kuijpersstraat. Plots stak een voertuig Mercedes mij met hoge snelheid langs rechts voorbij, niettegenstaande het verkeerslicht op rood stond". Met het in het onderdeel vermelde oordeel geven de appelrechters van deze verklaring een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het schadebeeld niet toelaat te twijfelen aan de getuigenverklaring of de verklaring van de verweerder 1 miskennen de appelrechters de bewijskracht van de stukken en foto's uit het strafdossier.
  16. De aanvoering dat de rechter op een foto of foto's iets niet ziet dat er is of iets wel ziet dat er niet is, los van om het even welke tekst die de foto of foto's illustreert, levert geen miskenning op van de bewijskracht van akten. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de bewijskracht van stukken uit het strafdossier zonder te verduidelijken van welk overtuigingsstuk de appelrechters de bewijskracht hebben miskend, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres II
  18. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel in dubio pro reo: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte op basis van de getuigenverklaring dat de eiser I het rode verkeerslicht heeft genegeerd; uit deze verklaring blijkt niet dat de getuige keek naar het verkeerslicht dat de rijrichting gevolgd door de eiser I regelde en aldus heeft gezien dat dit verkeerslicht op rood stond; twijfel moet in het voordeel van de eiser I worden geïnterpreteerd.
  19. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verklaring van de getuige dat de eiser I door het rode verkeerslicht reed duidelijk is en er geen twijfel is dat deze getuige zich hierbij niet heeft vergist door geen onderscheid te maken tussen de pijlvormige (naar links) en bolvormige (rechtdoor) verkeerslichten, temeer daar uit het verkeerslichtendiagram blijkt dat het zowel rood kan zijn voor diegenen die naar links afslaan als voor diegenen die rechtdoor rijden en de getuige duidelijk ook zicht had op het verkeerslicht dat gold voor de eiser I. Het middel dat opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van deze getuigenverklaring, is niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiseres II
  20. Het middel voert schending aan van de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1017, 1018, 1021 en 1138 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres II als tussengekomen partij ten onrechte tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders.
  21. Krachtens artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, veroordeelt ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen bepaalt dat, wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak kan worden betrokken en vrijwillig kan tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht zijn gebracht. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Krachtens artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek valt zij ten laste van de partij die in het ongelijk is gesteld.
  22. Daaruit volgt dat een verzekeringsmaatschappij die vrijwillig tussenkomt in de procedure voor de burgerlijke rechter en in het ongelijk wordt gesteld tot betaling van deze vergoeding kan worden veroordeeld. Aangezien de verzekeraar onder dezelfde voorwaarden voor het strafgerecht in het geding kan worden betrokken, maakt het voormelde artikel 153, § 5, niettegenstaande de bewoordingen van artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, het mogelijk dat de strafrechter de verzekeraar van de beklaagde, die vrijwillig is tussengekomen en die in het ongelijk is gesteld, tot een rechtsplegingsvergoeding veroordeelt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Overige middelen van de eiseres II
  23. De eiseres II voert aan dat zij de middelen van de eiser I herneemt en zich hierbij aansluit, zonder te verduidelijken in welke mate het hierin aangevoerde verweer op haar betrekking heeft. De middelen zijn onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 129,11 euro waarvan de eiser I 66,30 euro verschuldigd is en de eiseres II 27,81 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 3 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130507.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.