← België

COVAMEAT nv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9 Rolnummer: C.19.0216.N-C.19.0217.N Zaak: COVAMEAT nv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-04-21 Raadplegingen: 5540 - laatst gezien 2026-06-29 02:58 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200309.3N.9 Fiche Krachtens de artikelen 1235, eerste lid, en 1376 Burgerlijk Wetboek kan hetgeen betaald wordt zonder verschuldigd te zijn van de ontvanger worden teruggevorderd; de vordering uit onverschuldigde betaling is een wettelijke toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag verrijken; diegene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander dient de verarmde te vergoeden tot beloop van het laagste bedrag van de verrijking en de verarming zoals bepaald op het ogenblik van de vermogensverschuiving; aangezien deze vergoedingsplicht niet berust op de aansprakelijkheid van de verrijkte mag zij de verrijkte, in beginsel, niet in een nadeligere positie brengen dan waarin deze zich zou bevonden hebben had de vermogensverschuiving niet plaatsgevonden; is aldus de verrijking verminderd door omstandigheden die niet aan de verrijkte zijn toe te rekenen, dan wordt slechts rekening gehouden met het resterende gedeelte van de verrijking; uit het vorenstaande volgt dat ingeval van onverschuldigde betaling, de ontvanger als verweer kan aanvoeren dat hij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat; dit is onder meer het geval indien de onverschuldigd ontvangen som te goeder trouw werd doorbetaald aan een derde in uitvoering van een op het ogenblik van de doorbetaling bestaande wettelijke verplichting daartoe

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Vrije woorden: Verrijkingsvordering - Verlies van verrijking - Doorbetaling te goeder trouw - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. C.19.0216.N COVAMEAT nv, met zetel te 8953 Wijtschate, Komenstraat 73, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0406.969.141, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 55, Finance Tower, voor wie optreedt de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40, bus 10, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest, II Nr. C.19.0217.N PROPIGS cvba, met zetel te 3110 Rotselaar, Wingepark 5B, bus 202, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0402.777.850, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen COVAMEAT nv, met zetel te 8953 Wijtschate, Komenstraat 73, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0406.969.141, verweerster, in aanwezigheid van BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 55, Finance Tower, voor wie optreedt de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40, bus 10, in gemeen- en bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar woonplaats wordt gekozen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 januari
  1. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 30 januari 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaken zijn bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 januari 2020 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres I voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan. De eiseres II voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging
  2. De cassatieberoepen in de zaken C.19.0216.N en C.19.0217.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. (…) Zaak C.19.0217.N
  3. Krachtens de artikelen 1235, eerste lid, en 1376 Burgerlijk Wetboek kan hetgeen betaald wordt zonder verschuldigd te zijn van de ontvanger worden teruggevorderd.
  4. De vordering uit onverschuldigde betaling is een wettelijke toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag verrijken. Diegene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander dient de verarmde te vergoeden tot beloop van het laagste bedrag van de verrijking en de verarming zoals bepaald op het ogenblik van de vermogensverschuiving. Aangezien deze vergoedingsplicht niet berust op de aansprakelijkheid van de verrijkte mag zij de verrijkte, in beginsel, niet in een nadeligere positie brengen dan waarin deze zich zou bevonden hebben had de vermogensverschuiving niet plaatsgevonden. Is aldus de verrijking verminderd door omstandigheden die niet aan de verrijkte zijn toe te rekenen, dan wordt slechts rekening gehouden met het resterende gedeelte van de verrijking.
  5. Uit het vorenstaande volgt dat ingeval van onverschuldigde betaling, de ontvanger als verweer kan aanvoeren dat hij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat. Dit is onder meer het geval indien de onverschuldigd ontvangen som te goeder trouw werd doorbetaald aan een derde in uitvoering van een op het ogenblik van de doorbetaling bestaande wettelijke verplichting daartoe.
  6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat de wettelijke bijdrageregeling op grond van de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 neerkomt op een “systeem van doorrekening” waarbij de bijdrage wordt gedragen door de producent, de Belgische Staat hiervan de begunstigde is en “het slachthuis [de verweerster] slechts een tussenschakel [vormt] die instaat voor de inning en de doorstorting van de bijdragen”. Zij oordelen vervolgens dat “moet worden vastgesteld dat alle bijdragen die gevorderd worden van [de verweerster], op hun beurt allen uit het vermogen van de [de verweerster] zijn verdwenen, nu deze op haar beurt door haar ook werden doorbetaald. De [verweerster] handelde hierbij te goeder trouw” en dat “uit de bepalingen inzake onverschuldigde betaling (art. 1377, tweede lid, 1379 en 1380 B.W.) moet worden afgeleid dat de accipiens die te goeder trouw handelde, enkel kan gehouden worden tot restitutie van het betaalde indien het zich nog in zijn vermogen bevindt”, derwijze dat “de [verweerster] louter en alleen [fungeerde] als doorgeefluik en [dus] niet kan worden aangesproken op grond van de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling”.
  7. Met deze redenen oordelen de appelrechters naar recht dat de vordering van de eiseres tegen de verweerster op grond van onverschuldigde betaling als ongegrond dient te worden afgewezen. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  8. De in randnummer 11 vermelde, vergeefs bekritiseerde redenen schragen de beslissing dat de vordering op grond van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen. De overige grieven kunnen niet tot cassatie leiden en zijn mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof Voegt de zaken C.19.0216.N en C.19.0217.N. Zaak C.19.0216.N Vernietigt het bestreden arrest in de zaak C.19.0216.N in zoverre het uitspraak doet over de rechtstreekse vordering tot terugbetaling van de eiseres tegen de verweerder en over de hieraan verbonden kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Zaak C.19.0217.N Verwerpt het cassatieberoep in de zaak C.19.0217.N. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.099,07 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Antoine Lievens, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 9 maart 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200309.3N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230113.1N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.