id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11 Rolnummer: P.20.0034.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL GENT contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-03-16 Raadplegingen: 911 - laatst gezien 2026-06-29 02:10 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200310.2N.11 Fiche 1 Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier als grief de strafmaat vermeldt, dan volgt daaruit niet dat de beslissing over de schuld van de beklaagde aan de beoordeling van het appelgerecht wordt voorgelegd; het gegeven dat de verklaring van hoger beroep is gericht tegen een beslissing waarbij de beklaagde wordt vrijgesproken of als grief een beslissing is aangeduid die het beroepen vonnis niet bevat, doet niet anders te besluiten
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Vrijspraak - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Enkel vermelding strafmaat als grief - Beoordelingsmarge rechtscollege in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Uit artikel 202, 2°, Wetboek van Strafvordering volgt dat het aankruisen door de burgerlijke partij van de rubriek "schuld" op het grievenformulier er niet toe leidt dat de beoordeling op strafgebied van de schuld van de beklaagde aan het appelgerecht wordt voorgelegd
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Vrijspraak - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Aanduiding van de rubriek ‘schuld’ op het grievenformulier - Invloed op de strafvordering - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 202, 2°, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Uit artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering, zoals verduidelijkt in het arrest 189/2019 van het Grondwettelijk Hof van 20 november 2019, volgt dat het appelgerecht de mogelijkheid heeft om ambtshalve te oordelen of de feiten van een bepaalde telastlegging vaststaan, ook wanneer een beklaagde of het openbaar ministerie de schuld aan die telastlegging niet als grief heeft aangeduid, op voorwaarde dat een beschikking op strafgebied van de beroepen beslissing die verband houdt met de aan die telastlegging ten grondslag liggende feiten, zoals bijvoorbeeld de straf of een maatregel, is aangeduid; de omstandigheid dat het openbaar ministerie in het grievenformulier enkel de rubriek strafmaat heeft aangekruist en niet de schuld, terwijl het beroepen vonnis de beklaagde had vrijgesproken en als grief dus een beslissing werd vermeld die het beroepen vonnis niet bevat, heeft niet tot gevolg dat het appelgerecht de mogelijkheid zou hebben om ambtshalve middelen aan te voeren
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Vrijspraak - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Enkel vermelding strafmaat als grief - Ambtshalve aanvoeren van grieven - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 210, tweede lid, derde streepje - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0034.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, vervolgende partij, eiser, tegen A A M P, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het beginsel van hoger beroep: het arrest oordeelt ten onrechte dat het hoger beroep van de eiser niet is gericht tegen de vrijspraak van de verweerder en het appelgerecht niet is gevat om te oordelen over de strafvordering; door het aankruisen in het grievenformulier van de rubriek “straf en/of maatregel”, met de vermelding “strafmaat”, heeft de eiser minstens impliciet de vrijspraak van de verweerder voor het appelgerecht aanhangig gemaakt; eisers hoger beroep volgt immers op het hoger beroep van de burgerlijke partij die de vrijspraak in haar grievenformulier uitdrukkelijk betwist; de andersluidende beslissing van de appelrechters maakt eisers hoger beroep zinloos en miskent het beginsel van hoger beroep in strafzaken; ook uit artikel 210 Wetboek van Strafvordering volgt dat, wanneer uit de bewoordingen van het grievenformulier duidelijk blijkt dat het hoger beroep is gericht tegen verweerders vrijspraak, het appelgerecht is gevat om te oordelen over de strafvordering.
- In zoverre het middel miskenning aanvoert van het beginsel van hoger beroep zonder te verduidelijken wat dit beginsel inhoudt, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzoekschrift op straffe van verval van het hoger beroep nauwkeurig de grieven bevat die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven. Een grief als bedoeld bij artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.
- Uit de tekst van artikel 204 Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen. Door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen wordt de appellant gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en kan de geïntimeerde dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren.
- Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier als grief de strafmaat vermeldt, dan volgt daaruit niet dat de beslissing over de schuld van de beklaagde aan de beoordeling van het appelgerecht wordt voorgelegd. Het gegeven dat de verklaring van hoger beroep is gericht tegen een beslissing waarbij de beklaagde wordt vrijgesproken of als grief een beslissing is aangeduid die het beroepen vonnis niet bevat, doet niet anders besluiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 202, 2°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke partij enkel wat haar burgerlijke belangen betreft, hoger beroep kan instellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken. Hieruit volgt dat het aankruisen door de burgerlijke partij van de rubriek “schuld” op het grievenformulier niet ertoe leidt dat de beoordeling op strafgebied van de schuld van de beklaagde aan het appelgerecht wordt voorgelegd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op: - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten.” Uit deze bepaling, zoals verduidelijkt in het arrest nr. 189/2019 van het Grondwettelijk Hof van 20 november 2019, volgt dat het appelgerecht de mogelijkheid heeft om ambtshalve te oordelen of de feiten van een bepaalde telastlegging vaststaan, ook wanneer een beklaagde of het openbaar ministerie de schuld aan die telastlegging niet als grief heeft aangeduid op voorwaarde dat een beschikking op strafgebied van de beroepen beslissing die verband houdt met de aan die telastlegging ten grondslag liggende feiten, zoals bijvoorbeeld de straf of een maatregel, is aangeduid.
- De omstandigheid dat het openbaar ministerie in het grievenformulier enkel de rubriek strafmaat heeft aangekruist en niet de schuld, terwijl het beroepen vonnis de beklaagde had vrijgesproken en als grief dus een beslissing werd vermeld die het beroepen vonnis niet bevat, heeft niet tot gevolg dat het appelgerecht de mogelijkheid zou hebben om ambtshalve middelen aan te voeren als bedoeld door artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het evenzeer naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200310.2N.11 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200428.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div