← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21 Rolnummer: P.20.0242.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2020-03-16 Raadplegingen: 696 - laatst gezien 2026-06-28 07:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Uit de overweging

(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten; deze hoge mate van vertrouwen houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5° Wet Europees Aanhoudingsbevel; de rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen; het Hof van Cassatie gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Cass. 19 november 2013, AR P.13.1765.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5, AC 2013, nr. 615; Cass. 23 januari 2013, AR P.13.0087.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1, AC 2013, nr. 55; Cass. 25 november 2009, AR P.09.1624.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091125.1, AC 2009, nr.
  1. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Regeling berustend op een hoge mate van vertrouwen tussen de Lidstaten - Vermoeden van eerbiediging van fundamentele rechten door de uitvaardigende staat - Beoordeling door de rechter van de uitvoerende staat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Weigeringsgrond - Verweer met betrekking tot het kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten - Weerleggen van het vermoeden van eerbiediging van fundamentele rechten in de uitvaardigende staat - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Weigeringsgrond - Verweer met betrekking tot het kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten - Weerleggen van het vermoeden van eerbiediging van fundamentele rechten in de uitvaardigende staat - Beoordeling - Bevoegdheid van het Hof - Marginale toetsing Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Weigeringsgrond - Verweer met betrekking tot het kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten - Weerleggen van het vermoeden van eerbiediging van fundamentele rechten in de uitvaardigende staat - Beoordeling - Bevoegdheid van het Hof - Marginale toetsing Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Weigeringsgrond - Verweer met betrekking tot het kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten - Weerleggen van het vermoeden van eerbiediging van fundamentele rechten in de uitvaardigende staat - Beoordeling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0242.N C K, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 1, derde lid, 5 en 6, eerste lid, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij het Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel) en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest weigert ten onrechte de beslissing over eisers overlevering uit te stellen tot aanvullende gegevens van de Franse overheid zijn verkregen die uitsluiten dat de eiser aldaar zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling; het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) nr. 9671/15 van 30 januari 2020 bevat nochtans objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die, wat de detentieomstandigheden in Frankrijk betreft, duiden op structurele en fundamentele gebreken; ten onrechte oordelen de appelrechters dan ook dat er in dit geval geen concrete elementen zijn die verantwoorden dat bijkomende informatie aan de Franse overheid wordt gevraagd omdat het in het voormelde arrest vastgestelde probleem met betrekking tot mensonwaardige detentieomstandigheden enkel geldt voor de gevangenissen, gelegen in Martinique, Nouméa, Guadeloupe, Nîmes, Nice en Fresnes en de eiser per definitie in een gevangenis in Lyon wordt geplaatst.
  4. In het arrest nr. 9671/15 van 30 januari 2020, J.M.B. en anderen t/ Frankrijk, oordeelt het EHRM dat de detentievoorwaarden in zes Franse gevangenissen een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM inhouden. Daarnaast beveelt het EHRM de Franse Staat aan om algemene maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat die gevangenisomstandigheden in overeenstemming met artikel 3 EVRM worden gebracht. Tevens moet een preventief rechtsmiddel worden ingericht dat, samen met een schadevergoedingssysteem, kan zorgen voor het bieden van effectief rechtsherstel aan de slachtoffers en toekomstige schendingen kan voorkomen. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest van het EHRM betrekking heeft op alle Franse gevangenissen, berust het op een onjuiste lezing van dit arrest en mist het feitelijke grondslag.
  5. Het appelgerecht oordeelt niet dat de eiser per definitie in Lyon wordt geplaatst, maar wel dat eisers overlevering niet naar één van de plaatsen vermeld in het arrest nr. 9671/15 van het EHRM wordt gevraagd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het eveneens feitelijke grondslag.
  6. Artikel 1, derde lid, Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichtingen tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.". Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat deze bepaling in de Belgische rechtsorde invoert, bepaalt: "De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in de volgende gevallen geweigerd: (...) 5° ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie."
  7. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016, nr. C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 (Câldâru), volgt dat de Belgisch rechter: - die bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende staat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, verplicht is te beoordelen of dit gevaar bestaat alvorens tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te besluiten; - zich bij deze beoordeling dient te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die, wat de detentievoorwaarden van de uitvaardigende lidstaat betreft, kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM; - concreet en nauwkeurig moet nagaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd vanwege de detentieomstandigheden in die lidstaat een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer hij wordt overgeleverd aan die lidstaat; - daartoe, zo nodig, aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens moet verzoeken en in afwachting van de ontvangst van deze gegevens zijn beslissing over de overlevering moet uitstellen.
  8. Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  1. De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  2. Met het oordeel dat de door de eiser aangevoerde feitelijke gegevens enkel betrekking hebben op zes Franse gevangenissen en eisers overlevering niet naar één van deze plaatsen wordt gevraagd, verantwoorden de appelrechters hun beslissing tot afwijzing van de ingeroepen weigeringsgrond naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel zijn recht van verdediging miskent en aldus een schending van artikel 6 EVRM inhoudt; de eiser heeft hierbij aangevoerd dat de Belgische rechter rechtsmacht heeft om over de feiten uitspraak te doen en hij, bij een niet-vervolging in België, de mogelijkheid verliest om toepassing te maken van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vermits artikel 99bis Strafwetboek hierop niet van toepassing is; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord; hun verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 6/2020 van 16 januari 2020 volstaat hiertoe immers niet aangezien in dit arrest geen uitspraak wordt gedaan over een eventuele schending van artikel 6 EVRM.
  4. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser heeft aangevoerd dat het gegeven dat hij niet in België wordt vervolgd voor de feiten waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, ertoe leidt dat zijn recht van verdediging wordt miskend. Volgens de eiser verhindert de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel immers dat toepassing wordt gemaakt van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek dat de Belgische rechter toelaat bij de straftoemeting rekening te houden met reeds uitgesproken straffen indien hij uitspraak dient te doen over misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet.
  6. Het arrest oordeelt dat uit het arrest nr. 6/2020 van het Grondwettelijk Hof van 16 januari 2020 volgt dat het niet-toepassen van de regeling van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bij veroordelingen uitgesproken door strafgerechten van andere EU-lidstaten, de Belgische rechter niet verhindert om deze veroordelingen op een andere wijze in aanmerking te nemen en met name de strafmaat te verminderen indien een dergelijke strafvermindering in louter nationale zaken mogelijk zou zijn. Met deze reden verwerpen de appelrechters eisers stelling dat de Belgische rechter geen rekening kan houden met de straffen uitgesproken in een andere lidstaat en beantwoorden zij eisers in het middel vermelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091125.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.31 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.