← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020

Artt. 163, derde en vierde lid, 195, tweede en zesde lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Vaststelling van het bedrag - Verzachtende omstandigheden - Precaire financiële toestand beklaagde - Motiveringsplicht - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Artt. 163, derde en vierde lid, 195, tweede en zesde lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Geldboete - Vaststelling van het bedrag - Verzachtende omstandigheden - Precaire financiële toestand beklaagde - Motiveringsplicht - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Artt. 163, derde en vierde lid, 195, tweede en zesde lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 7 De tekst van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek of de wetsgeschiedenis ervan verzetten zich er niet tegen dat de rechter zijn afwijzende beslissing voor een werkstraf motiveert door tegen de beklaagde één of meerdere andere straffen uit te spreken en de keuze voor die straf of straffen en hun maat te motiveren overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Vrije woorden: Afwijzing van de werkstraf - Opleggen van andere straffen - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Werkstraf - Afwijzing van de werkstraf - Opleggen van andere straffen - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 10 De verplichting van artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet om de weigering probatie-uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen met redenen te omkleden overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering geldt enkel indien de beklaagde om probatie-uitstel van tenuitvoerlegging heeft verzocht; een verzoek om uitstel impliceert geen verzoek om probatie-uitstel. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Vrije woorden: Afwijzing van het uitstel van tenuitvoerlegging - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Vrije woorden: Afwijzing van het uitstel van tenuitvoerlegging - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Uitstel van tenuitvoerlegging - Afwijzing van het uitstel van tenuitvoerlegging - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.19.1245.N P V P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Charlotte Verkeyn, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, 25 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en artikel 29, § 4, eerste lid, Wegverkeerswet: hoewel er wel degelijk uitzonderlijke en verzachtende omstandigheden waren, waarnaar werd verwezen in het appelgrievenformulier, hebben de eerste rechter en het appelgerecht daarmee geen rekening gehouden om de geldboete te verminderen; het bestreden vonnis houdt geen rekening met het overgelegde attest betreffende de medische toestand van de eiser op het ogenblik van de feiten, waardoor de bewijskracht van akten wordt miskend.
  3. In zoverre het middel is gericht tegen het beroepen en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk.
  4. Artikel 29 Wegverkeerswet bepaalt de geldboeten die van toepassing zijn op overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van die wet. Artikel 29, § 4, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat ingeval van verzachtende omstandigheden de geldboete kan worden verminderd, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen.
  5. Hieruit volgt dat het aannemen van verzachtende omstandigheden overeenkomstig artikel 29, § 4, eerste lid, Wegverkeerswet enkel betrekking heeft op veroordelingen wegens overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van de Wegverkeerswet en niet op inbreuken op de bepalingen van de Wegverkeerswet zelf, zoals artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetsschending en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: niettegenstaande de eiser in het grievenformulier om de toepassing heeft verzocht van artikel 163 Wetboek van Strafvordering en meerdere documenten heeft overgelegd die zijn precaire financiële toestand aantonen, hebben de eerste rechter en het appelgerecht geen geldboete opgelegd beneden het wettelijk minimum; het bestreden vonnis houdt geen rekening met de door de eiser aangevoerde elementen betreffende zijn sociale toestand; evenmin wordt gemotiveerd waarom deze bepaling niet werd toegepast.
  8. In zoverre het middel is gericht tegen het beroepen en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk.
  9. Uit de artikelen 163, derde en vierde lid, 195, tweede en zesde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt dat: - de rechter bij het bepalen van de geldboete rekening houdt met de elementen die door een beklaagde worden ingeroepen met betrekking tot zijn sociale toe-stand; - de rechter een geldboete kan uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire sociale toestand bewijst. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen blijkt niet dat de wetgever met deze bepalingen een bijzondere motiveringsverplichting in het leven heeft willen roepen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Het bestreden vonnis oordeelt onder meer dat: - de door de eiser aangevoerde omstandigheden niet als verzachtende omstandigheden gelden; - de eiser een beladen strafregister heeft, waarop niet minder dan zestien gerechtelijk antecedenten prijken, welke regelmatig ook betrekking hebben op het wegverkeer; - naast de geldboete ook een rijverbod van drie maanden ten zeerste gepast voorkomt om de eiser eindelijk ertoe aan te zetten de uitspraken van de rechtbank na te leven; - de herstelonderzoeken en -examens wettelijk verplicht zijn, net zoals de geldboete en het rijverbod, waarbij telkens het wettelijk minimum wordt uitgesproken. Uit de samenlezing van deze redenen volgt dat de appelrechters eisers verweer om een lagere geldboete hebben beoordeeld en verworpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 37quinquies Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: ondanks de uitdrukkelijke vraag daartoe in het grievenformulier hebben de eerste rechter en het appelgerecht geen werkstraf opgelegd en daartoe evenmin enige reden opgegeven; er bestaat nochtans een verplichting om expliciet de motieven voor een weigeringsbeslissing op te geven.
  12. In zoverre het middel is gericht tegen het beroepen en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk.
  13. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken die beslissing met redenen moet omkleden. De tekst van deze bepaling of de wetsgeschiedenis ervan verzetten zich niet ertegen dat de rechter zijn afwijzende beslissing voor een werkstraf motiveert door tegen de beklaagde een of meerdere andere straffen uit te spreken en de keuze voor die straf of straffen en hun maat te motiveren overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel aanvoert dat de weigering een werkstraf uit te spreken expliciete motieven vereist, faalt het naar recht.
  14. Met de in het antwoord op het tweede middel vermelde redenen, doet het bestreden vonnis opgave van de redenen die de keuze voor het opleggen van een geldboete en een rijverbod met herstelonderzoeken- en examens en de maat daarvan verantwoorden en zo terzelfdertijd waarom een werkstraf niet wordt opgelegd. Aldus motiveert het bestreden vonnis die beslissing in overeenstemming met artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 8 Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis weigert aan de eiser elke mogelijke vorm van uitstel of probatie om de enkele reden dat hij niet meer in aanmerking komt voor een gewoon uitstel, zonder evenwel te motiveren waarom hij niet meer in aanmerking zou komen voor een probatie-uitstel; daardoor is de beslissing evenmin naar recht verantwoord.
  16. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor uitstel van tenuitvoerlegging. Daarmee beslist het enkel dat de eiser niet meer in aanmerking komt voor gewoon uitstel van tenuitvoerlegging en niet dat hij geen probatie-uitstel meer kan genieten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  17. De verplichting van artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet om de weigering probatie-uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen met redenen te omkleden overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering geldt enkel indien de beklaagde om probatie-uitstel van tenuitvoerlegging heeft verzocht. Een verzoek om uitstel impliceert geen verzoek om probatie-uitstel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser heeft gevraagd hem probatie-uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen. De appelrechters dienden dan ook het niet-toekennen van probatie-uitstel van tenuitvoerlegging niet met redenen te omkleden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231108.2F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.