id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020
Art. 2EEG-verordening - 17-02-2015 - Art.
37 EEG-verordening - 06-06-2008 - Art. 20.1 Thesaurus CAS: VOEDINGSMIDDELEN Vrije woorden: Farmacologisch werkzame stoffen - Voedselproducerend dier - Paarden en paardachtigen - Begrippen Wettelijke bepalingen:
Art. 2EEG-verordening - 17-02-2015 - Art.
37 EEG-verordening - 06-06-2008 - Art. 20.1 Thesaurus CAS: DIEREN Vrije woorden: Voedselveiligheid - Voedingsmiddelen - Farmacologisch werkzame stoffen - Voedselproducerend dier - Paarden en paardachtigen - Begrippen Wettelijke bepalingen:
Art. 2EEG-verordening - 17-02-2015 - Art.
37 EEG-verordening - 06-06-2008 - Art. 20.1 Fiche 5 Indien de vonnisrechter de telastlegging heromschrijft zonder wijziging van de incriminatieperiode en de beklaagde schuldig verklaart onder gelding van een koninklijk besluit dat een ander koninklijk besluit opheft, is het niet vereist dat hij uitdrukkelijk het bewijs vaststelt van de strafbare feiten gepleegd onder gelding van elk koninklijk besluit Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Heromschrijving van de telastlegging - Behoud van de incriminatieperiode - Wijziging van de uitvoeringsbesluiten van de strafbaarstelling in de incriminatieperiode - Motivering - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet - 24-03-1987 - Artt. 23, § 1, 2°, en 26 - 35 ELI link Pub nr 1987016057 Koninklijk Besluit - 14-12-2006 - Art. 145, § 2 - 63 ELI link Pub nr 2006A23298 Koninklijk Besluit - 16-02-2016 - Artt. 46, 47 en 58 - 11 ELI link Pub nr 2016024047 Koninklijk Besluit - 26-09-2013 - voorheen artt. 35 en 38 - 13 ELI link Pub nr 2013024357 Fiche 6 Indien de vonnisrechter de telastlegging heromschrijft zonder wijziging van de incriminatieperiode en de beklaagde schuldig verklaart onder gelding van een koninklijk besluit dat een ander koninklijk besluit opheft, is het niet vereist dat hij uitdrukkelijk het bewijs vaststelt van de strafbare feiten gepleegd onder gelding van elk koninklijk besluit. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Heromschrijving van de telastlegging - Behoud van de incriminatieperiode - Wijziging van de uitvoeringsbesluiten van de strafbaarstelling in de incriminatieperiode - Motivering - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet - 24-03-1987 - Artt. 23, § 1, 2°, en 26 - 35 ELI link Pub nr 1987016057 Koninklijk Besluit - 14-12-2006 - Art. 145, § 2 - 63 ELI link Pub nr 2006A23298 Koninklijk Besluit - 16-02-2016 - Artt. 46, 47 en 58 - 11 ELI link Pub nr 2016024047 Koninklijk Besluit - 26-09-2013 - voorheen artt. 35 en 38 - 13 ELI link Pub nr 2013024357 Fiches 7 - 9 De verplichtingen van de dierenarts bij het coderen van gegevens van het paspoort van de paardachtige in verband met uitsluiting uit de voedselketen en het leveren van een toedienings-en verschaffingsdocument zijn van toepassing op de behandelende dierenarts, de hoedanigheid van officiële dierenarts is niet vereist. Thesaurus CAS: VOEDINGSMIDDELEN Vrije woorden: Identificatie en encodering van paardachtigen - Centrale gegevensbank - Bijwerken van gegevens door een dierenarts - Behandelende dierenarts - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet - 24-03-1987 - Artt. 23, § 1, 2°, en 26 - 35 ELI link Pub nr 1987016057 Koninklijk Besluit - 16-02-2016 - Artt. 46 en 47 - 11 ELI link Pub nr 2016024047 Thesaurus CAS: DIEREN Vrije woorden: Identificatie en encodering van paardachtigen - Centrale gegevensbank - Bijwerken van gegevens door een dierenarts - Behandelende dierenarts - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet - 24-03-1987 - Artt. 23, § 1, 2°, en 26 - 35 ELI link Pub nr 1987016057 Koninklijk Besluit - 16-02-2016 - Artt. 46 en 47 - 11 ELI link Pub nr 2016024047 Thesaurus CAS: DIERENARTS Vrije woorden: Identificatie en encodering van paardachtigen - Centrale gegevensbank - Bijwerken van gegevens door een dierenarts - Behandelende dierenarts - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet - 24-03-1987 - Artt. 23, § 1, 2°, en 26 - 35 ELI link Pub nr 1987016057 Koninklijk Besluit - 16-02-2016 - Artt. 46 en 47 - 11 ELI link Pub nr 2016024047 Tekst van de beslissing Nr. P.19.1164.N K. A. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Eeckhout, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1040 Brussel, Baron de Castrostraat 25 bus 8, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 30 oktober 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordeelden dat zij gelast waren met de behande-ling van de zaak op strafgebied in haar totaliteit op grond van een eigen interpre-tatie van de bedoeling van de grieven van het openbaar ministerie; die grieven zijn echter nauwkeurig bepaald en lijnen de saisine van het appelgerecht af; die grieven zijn dus niet vatbaar voor interpretatie; zodoende kunnen de appelrech-ters hun vermelde oordeel niet wettig afleiden uit hun vaststellingen en misken-nen zij de bewijskracht van het grievenformulier. 2. Het arrest oordeelt: "Het hoger beroep uitgaande van het openbaar ministerie is ontvankelijk. Dit hoger beroep ging gepaard met een grievenschrift ingediend overeenkomstig ar-tikel 204 Sv. Ingevolge de in dat grievenschrift in concreto aangehaalde grieven staat ten overstaan van [de eiser] thans op strafgebied de volledige zaak ter be-oordeling van het hof [van beroep]. Daar waar [de eiser] op grond van een al te strikt linguïstische interpretatie van het grievenschrift van het openbaar ministerie tot een andere slotsom komt, kan hij niet gevolgd worden in die stelling. Het openbaar ministerie haalt in haar verzoekschrift immers de volgende grieven aan: * hoger beroep tegen het onontvankelijk verklaren van de strafvordering voor tenlastelegging B., voor wat betreft de periode van 1/01/2014 tot 15/03/2016; * hoger beroep tegen de vrijspraak voor tenlastelegging A. en B., voor wat be-treft de periode vanaf 15/03/2016 tot en met 31/03/2016. In hun onderlinge samenhang gelezen en afgetoetst aan het dispositief van het beroepen vonnis is het onder impuls van die concrete en afdoende nauwkeurige grieven duidelijk dat het openbaar ministerie de zaak in hoger beroep op straf-gebied in haar totaliteit wenst behandeld te zien. De manier waarop de grieven in concreto werden geformuleerd is in die interpretatie bestaanbaar met artikel 204 Sv." 3. Uit die redenen blijkt niet dat het arrest toepassing maakt van artikel 210 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het fei-telijke grondslag. 4. Met die redenen geeft het arrest geen uitlegging van de bewoordingen van het grievenformulier van het openbaar ministerie, maar beoordeelt het in ant-woord op het verweer van de eiser enkel de juridische draagwijdte ervan. Aldus kan het de bewijskracht van dat grievenformulier niet miskennen. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. 5. Uit die redenen kan het arrest afleiden dat de appelrechters ingevolge de grieven van het openbaar ministerie gelast zijn met de totaliteit van de zaak op strafgebied. Aldus schendt het arrest niet artikel 204 Wetboek van Strafvorde-ring, maar verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verorde-ning (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (hierna Verordening (EEG) nr. 470/2009): bij het bepalen van wat een voedselproducerend dier is en om daarbij uit te gaan van de premisse dat alle niet expliciet van de slacht uitgesloten dieren potentieel voedselproducerend zijn, verwijzen de appelrechters naar artikel 37 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/262 van de Commissie van 17 fe-bruari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (hierna Uit-voeringsverordening (EU) nr. 2015/262) en naar artikel 20.1 van de Verordening (EG) nr. 504/2008 ter uitvoering van de Richtlijnen 90/426/EEG en 90/427/EEG van de Raad wat betreft methoden voor de identificatie van paardachtigen (hier-na Verordening (EG) nr. 504/2008); dit zijn andere verordeningen, met boven-dien een ander voorwerp, dan de vermelde Verordening (EEG) nr. 470/2009 op grond waarvan de eiser is vervolgd. 7. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 8. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht. 9. Artikel 2 Verordening (EEG) nr. 470/2009 bepaalt: "Naast de definities in artikel 1 van Richtlijn 2001/82/EG, artikel 2 van Veror-dening (EG) nr. 882/2004 en de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002 gelden voor de toepassing van deze verordening de volgende defini-ties: (...) b. "voedselproducerende dieren": dieren die specifiek met het oog op de produc-tie van levensmiddelen worden gefokt, gehouden, geslacht of verzameld." Artikel 37 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/262 bepaalt: "1. Een paardachtige wordt geacht bestemd te zijn om voor menselijke consump-tie te worden geslacht, tenzij overeenkomstig deze verordening in deel II van sectie II van het identificatiedocument onherroepelijk wordt verklaard dat de paardachtige hiervoor niet bestemd is door middel van:
- a)de door de instantie van afgifte bekrachtigde handtekening van de eigenaar op basis van zijn/haar eigen beslissing; of
- b)de handtekeningen van de houder en de verantwoordelijke dierenarts, die handelt overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2001/82/EG; of (...)." Artikel 20.1, Verordening (EG) nr. 504/2008, die is ingetrokken en vervangen door de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/262, bevatte een soortgelijke be-paling, maar verwees naar deel II van sectie IX van het identificatiedocument. 10. De rechter kan een begrip opgenomen in een wetskrachtige akte uitleggen aan de hand van de definitie van een daarmee verband houdend begrip in een be-paling opgenomen in een andere wetskrachtige akte, die eenzelfde doelstelling nastreeft. Dat de beklaagde niet wordt vervolgd voor de overtreding van die an-dere wetskrachtige akte, doet daaraan geen afbreuk. 11. De Verordeningen (EEG) nr. 470/2009, (EU) nr. 2015/262 en (EG) nr. 504/2008 houden allemaal, hetzij rechtstreeks, hetzij gedeeltelijk, verband met de volksgezondheid en hebben als dusdanig dan ook geen onderscheiden voor-werp. 12. Hieruit volgt dat het arrest het begrip voedselproducerende dieren in arti-kel 2 Verordening (EEG) nr. 470/2009 kan uitleggen aan de hand van de definitie van paardachtigen in de Verordeningen (EU) nr. 2015/262 en (EG) nr. 504/2008 en dat het op die grond kan oordelen dat paardachtigen in principe voedselprodu-cerende dieren zijn. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 13. Voor het overige is het middel gericht tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk. Derde middel 14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grond-wet, de artikelen 35 en 38 van het koninklijk besluit van 26 september 2013 be-treffende de identificatie en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank, de artikelen 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 20 november 2009 betreffende de erkenning van de dierenartsen, artikel 2, 25°, van het ko-ninklijk besluit van 30 april 1999 betreffende de veterinairrechtelijke voorschrif-ten voor het intracommunautair verkeer van runderen en varkens, artikel 1, 19°, van het koninklijk besluit van 28 september 2000 betreffende de veterinaire con-troles voor producten die uit derde landen worden ingevoerd, artikel 2, 8°, van het koninklijk besluit van 10 oktober 2005 betreffende de bestrijding van mond- en klauwzeer, artikel 2, 16°, van het koninklijk besluit van 7 maart 2007 betref-fende de bestrijding van de besmettelijke ziekten van de bijen, artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 14 september 2007 betreffende de bewaking van tu-berculose bij paarden, schapen en geiten die rauwe melk en colostrum produce-ren voor menselijke consumptie en bij geiten die samen met runderen worden gehouden en artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 14 september 2007 be-treffende de bewaking van brucellose bij paarden die rauwe melk en colostrum produceren voor menselijke consumptie: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser, als behandelende dierenarts, een officiële dierenarts is als bedoeld in arti-kel 35 van het koninklijk besluit van 26 september 2013 betreffende de identifi-catie en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank, zodat hij de verplichting had om de in de telastlegging B vereiste gegevens in het pas-poort van de paarden in te schrijven; een officiële dierenarts is een dierenarts die erkend is, die de eed van dierenarts voor de overheid heeft afgelegd en die mag meewerken aan de uitvoering van wets- en verordeningsbepalingen; aan die kwa-lificatie voldoet de eiser niet; bovendien bevat voormeld artikel 35 geen ver-plichting, maar slechts een mogelijkheid; het arrest stelt geen bewijs van een strafbaar feit vast op grond van het koninklijk besluit van 16 februari 2016 be-treffende de identificatie en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank, dat van toepassing was op de incriminatieperiode van 15 maart 2016 tot 31 maart 2016. 15. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ont-vankelijk. 16. Onder de telastlegging B is de eiser, na herkwalificatie door het arrest, on-der meer vervolgd wegens, in de periode van 1 januari 2014 tot 31 maart 2016: "Bij inbreuk op artikel 145§2 van het koninklijk besluit van 14/12/2006 betref-fende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en bij inbreuk op de artikelen 46, 47 en 58 van het koninklijk besluit van 16/02/2016 betreffen-de de identificatie en de encodering van de paardachtigen in een centrale gege-vensbank voor het niet uitsluiten van paarden voor menselijke consumptie, voor-heen het koninklijk besluit van 26/09/2013 betreffende de identificatie en de en-codering van paarden in een centrale gegevensbank, strafbaar gesteld door arti-kel 23,§l,2° e en 26 van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, namelijk als behandelend dierenarts nagelaten te hebben om, in toepassing van artikel 37 van Verordening 2015/262, deel II van sectie II van het paspoort van het paard in te vullen en te ondertekenen en het paard op die manier uit te slui-ten van de voedselketen in de centrale gegevensbank of deze informatie te bezor-gen aan de beheerder binnen de 14 dagen na ondertekening. minstens door als behandeld dierenarts nagelaten te hebben om, wanneer het paspoort niet beschikbaar is op het moment van de behandeling, een toedienings- en verschaffingsdocument af te leveren met vermelding onder de rubriek "op-merkingen" dat de houder hem het paspoort moet bezorgen binnen de 5 dagen na het toedienen van de behandeling, zodat sectie II van het paspoort van het paard kan worden vervolledigd." 17. Het arrest oordeelt onder meer: "In zoverre [de eiser] [de constitutieve elementen van de telastlegging B] be-twist voorhoudende dat er van enige strafbaarstelling geen sprake was, strookt die these niet met de werkelijkheid. Immers: diens gedrag was strafbaar met in-gang vanaf 15 maart 2016 onder het KB van 16 februari 2016 (zoals in werking getreden vanaf 14 maart 2016) en ook voordien onder de artikelen 35 en 38 van het KB van 26 september 2013". Uit die redenen en het gegeven dat het arrest de eiser schuldig verklaart aan de heromschreven telastlegging B zonder wijziging van de incriminatieperiode, blijkt dat het hem schuldig verklaart aan deze telastlegging onder gelding van de beide koninklijke besluiten. Niet vereist is dat het arrest uitdrukkelijk het bewijs vaststelt van de strafbare feiten die de eiser heeft gepleegd onder gelding van elk koninklijk besluit. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 18. Artikel 46 van het vermelde koninklijk besluit van 16 februari 2016 be-paalt: "In toepassing van artikel 37, lid 7, van verordening 2015/262, codeert de die-renarts die deel II van sectie II van het paspoort invult en ondertekent, de uit-sluiting uit de voedselketen in de centrale gegevensbank of bezorgt de informatie aan de beheerder, binnen de veertien dagen na ondertekening." Artikel 47 van dat koninklijk besluit bepaalt: "Wanneer het paspoort niet beschikbaar is op het moment van de behandeling zoals bedoeld in artikel 37, lid 3, van verordening 2015/262, levert de behande-lende dierenarts een toedienings- en verschaffingsdocument af met vermelding onder de rubriek "opmerkingen" dat de houder hem het paspoort moet bezorgen binnen de vijf dagen na het toedienen van de behandeling, zodat de dierenarts sectie II van het paspoort van de paardachtige dienovereenkomstig kan vervolle-digen. De behandelende dierenarts codeert de informatie over de wijziging van de sta-tus van de paardachtige als uitgesloten uit de voedselketen in de centrale gege-vensbank of bezorgt de informatie aan de beheerder binnen de veertien dagen na het toedienen van de behandeling die geleid heeft tot de statuswijziging." Artikel 37, eerste lid, 3°, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/262 bepaalt: "Als de in lid 2 van dit artikel bedoelde behandeling niet is toegestaan voor een voor de slacht voor menselijke consumptie bestemde paardachtige, zorgt de in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2001/82/EG bedoelde verantwoordelijke dieren-arts ervoor dat de betrokken paardachtige overeenkomstig de in artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2001/82/EG bedoelde afwijking vóór de behandeling onherroepe-lijk als niet bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie wordt verklaard door:
- a)deel II van sectie II van het identificatiedocument in te vullen en te onderteke-nen (...)". Artikel 10, eerste lid, van de Richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parle-ment en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik bepaalt: "De lidstaten mogen, indien er geen toegestane therapie bestaat voor een aan-doening die voor de betrokken dieren onaanvaardbaar lijden meebrengt, uitzon-derlijkerwijs toestaan dat door een dierenarts, of onder zijn persoonlijke ver-antwoordelijkheid, aan een dier of aan een klein aantal dieren van een bepaald bedrijf de volgende geneesmiddelen worden toegediend: (...)." 19. Hieruit volgt dat de verplichtingen op grond van de artikelen 46 en 47 van het koninklijk besluit van 16 februari 2016 van toepassing zijn op de behande-lende dierenarts. De hoedanigheid van officiële dierenarts is niet vereist. Aldus is de veroordeling van de eiser aan de telastlegging B op grond van de voormelde artikelen 46 en 47 naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. 20. De aan de eiser opgelegde straf is naar recht verantwoord door zijn schul-digverklaring aan de telastlegging A en de telastlegging B voor de vanaf 15 maart 2016 gepleegde feiten. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest de eiser ten onrechte schuldig ver-klaart aan de overtreding van artikel 35 van het koninklijk besluit van 26 sep-tember 2013 betreffende de identificatie en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing bevat geen onwettigheid die de eiser kan grieven. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div