de door de douanewetgeving voorgeschreven controles niet kunnen verrichten; de rechter kan het begrip bestemmingswijziging
zodoende de strafbaarstelling vervat in artikel 257 §3 AWDA bepalen aan de hand van het toepassingsgebied van artikel 203.1 CDW. Thesaurus CAS: DOUANE
ACCIJNZEN Vrije woorden: Douanedocumenten - Wijziging bestemming goederen zonder toelating douaneadministratie - Strafbaarstelling - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Art. 257, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 EEG-verordening - 12-10-1992 - Art. 203.1 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Vrije woorden: Invoer - Douaneschuld - Onttrekking aan het douanetoezicht - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Art. 257, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 EEG-verordening - 12-10-1992 - Art. 203.1 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de beslissing Nr. P.19.1200.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van de douane
accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, alsook bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, tegen VREIJSEN HOLDING nv, met zetel te 2321 Hoogstraten (Meer), Amsterdamstraat 50, beklaagde, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 november 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 203.1 CDW, de artikelen 511, 512.3
859 van de Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van
kele bepalingen ter uitvoering van het CDW (hierna UCDW), artikel 257, § 3, AWDA
de artikelen 6, § 1, e,
, a),
7, § 1, a), i) van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (hierna Accijnswet 2009): het arrest stelt vast dat de verweerster de voor wederuitvoer bestemde accijnsgoederen heeft vervoerd vanuit het douane-
trepot te Meer, waar zij waren opgeslagen, naar de plaats van uitgang, dit is het douanekantoor te Hazeldonk (Nederland), maar heeft verzuimd dit vervoer te dekken met het vereiste document extern communautair douanevervoer; het spreekt de verweerster echter vrij van overtreding van artikel 257, § 3, AWDA
verklaart de fiscale rechtsvordering van de eiser ongegrond omdat er
kel sprake is van onttrekking aan douanetoezicht indien de onttrekking het risico meebrengt dat de goederen in het economische circuit van de Unie terechtkomen, terwijl het verzuim van de verweerster hier zonder werkelijk gevolg bleef; evenwel was er ingevolge het bedoelde vervoer objectief gezien wel degelijk sprake van een strafbare onttrekking; daardoor waren de goederen immers niet langer onder een schorsingsregeling geplaatst
was aldus de bestemming van de goederen gewijzigd; het begrip onttrekking aan douanetoezicht moet objectief worden beoordeeld, zodat het volstaat dat goederen werden onttrokken aan eventuele controles, ongeacht of er daadwerkelijk controles werden verricht
ongeacht het feit dat de onttrekking geen concrete gevolgen heeft gehad in zoverre er geen controles waren verricht; derhalve valt onder het begrip onttrekking aan douanetoezicht iedere verwijdering
dus fysieke afwezigheid van aan toezicht onderworpen goederen uit de toegelaten opslagplaats, waarvoor er geen toestemming is van de bevoegde douaneautoriteit; het is niet noodzakelijk dat er bovendien een risico bestaat dat de goederen zonder inklaring in het economisch circuit van de Unie terechtkomen; de wet bevat die voorwaarde niet; bovendien bestond dit risico hier wel degelijk. 2. Artikel 257, § 3, AWDA stelt degene strafbaar die zonder voorafgaande toelating van de administratie van de douane
accijnzen, aan de goederen vermeld in de douanedocumenten waarvan sprake in § 1, een andere bestemming geeft dan daarin uitdrukkelijk is aangeduid.
de door de douanewetgeving voorgeschreven controles niet kan verrichten. 5. De rechter kan het begrip bestemmingswijziging
zodoende de strafbaarstelling vervat in artikel 257, § 3, AWDA bepalen aan de hand van het toepassingsgebied van artikel 203.1 CDW. 6. Eensdeels oordeelt het arrest weliswaar: "Het begrip 'onttrekking aan het douanetoezicht' moet daarbij worden opgevat als iedere handeling als gevolg waarvan de douaneadministratie, eventueel zelfs tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen
wordt belet controles uit te voeren. Dit verdwijnen van de goederen moet wel het risico met zich meebrengen dat de goederen in het economisch circuit terechtkomen. Indien vaststaat dat de goederen niet in het handelsverkeer zijn terechtgekomen, maar bijvoorbeeld
kel met vertraging aan de douaneautoriteiten zijn aangeboden, is er geen onttrekking aan het douanetoezicht." 7. Anderdeels oordeelt het arrest echter ook: - "Naar het oordeel van het hof [van beroep] is er in casu geen belemmering of onderbreking van douanetoezicht geweest. De regeling 'in
trepot' verliep op 9 november 2012 correct onder dekking van een IMA-document. Ter zuivering daarvan werden op 30 november 2012 vier uitslagdocumenten ingestuurd in PLDA. Deze uitvoerdocumenten werden overeenkomstig de geldende vergunning correct aangeboden bij het douanekantoor te Meer, die deze na controle ook aanvaardde, maar zij vermeldden telkenmale tevens als kantoor van uitgang 'NL000852'. Aldus werd aan de Belgische douaneadministratie aangegeven dat het douanekantoor te Meer niet de plaats van uitgang uit de Europese Unie was, maar dat dit het kantoor in Nederland was. Daar was ook de met [de verweerster] verbonden onderneming Vreysen Holding BV gevestigd. Vanuit het kantoor van uitgang in Nederland kon dienvolgens de werkelijke uitgang van de goederen worden bevestigd, waardoor de regeling 'opslag' in België als gezuiverd kon worden beschouwd. De goederen werden in Nederland niet in opslag geplaatst, maar onmiddellijk naar de bestemmelingen in Oekraïne vervoerd. Het is op zich niet onregelmatig om bij wederuitvoer van goederen de uitgang in een andere lidstaat te laten plaatsvinden." - "De omstandigheid dat verzuimd werd na de uitvoeraangiften een schorsingsregeling 'communautair douanevervoer' aan te geven voor het transport vanuit het douane-
trepot te Meer naar de plaats van uitgang te Hazeldonk, bewijst in de gegeven concrete omstandigheden niet dat er risico is geweest dat de goederen niet meer konden worden gecontroleerd of dat er onrechtmatige wegmaking van de goederen kon zijn geweest. De ontstentenis van een dekkingsdocument voor dit beperkte transport hield geen bestemmingswijziging in de betekenis van artikel 257, § 3, AWDA in, aangezien de onmiddellijke tussenstop in Nederland reeds was opgenomen
ter kennis gebracht in de conforme
naar rechtsgeldigheid niet ter discussie staande uitvoeraangiften. Daardoor werd het douanetoezicht niet verlaten
bleef dit verzuim op dat punt zonder werkelijk gevolg (cf. artikel 859 [U]CDW). Op grond van de uitvoeraangiften kon het douanekantoor te Meer ervan uit gaan dat de wederuitvoer op 30 november 2012 zou aanvatten." - "Het douanekantoor te Meer, dat de vier uitvoeraangiften ook heeft gevalideerd in PLDA
deze vervolgens heeft vrijgegeven, was er op 30 november 2012 van op de hoogte gebracht dat alle op 9 november 2012 opgeslagen hoeveelheden waterpijptabak werden wederuitgevoerd
dat de plaats van uitgang in Nederland was. Het transport naar Hazeldonk werd voor het douanekantoor te Meer niet verheeld. Evenmin is er
ige indicatie of aannemelijke vaststelling dat de goederen het
trepot reeds voor 30 november 2012 zouden hebben verlaten, wat voor de vervolgende partij overigens niet ter zake doet (...). Bovendien kon vanuit het douanekantoor te Meer worden vastgesteld dat in het kantoor Hazeldonk in Nederland op dezelfde dag voor dezelfde goederen vier aangiften 'extern douanevervoer' naar dezelfde bestemmelingen werden ingediend. De T1-aangiften in Nederland sloten geheel aan bij de uitvoeraangiften in België." Aldus steunt het arrest de beslissing tot vrijspraak van de verweerster aan de overtreding van artikel 257, § 3, AWDA
tot het niet gegrond verklaren van de fiscale rechtsvordering van de eiser op redenen die geen verband houden met het risico dat de goederen ingevolge het verzuim van de verweerster zonder inklaring in het economisch circuit van de Europese Unie zijn terechtgekomen. Het onderdeel dat gericht is tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt
die geen impact heeft op het geheel van de voormelde zelfstandige redenen die de beslissing dragen, is niet ontvankelijk. Tweede
derde onderdeel 8. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 98, 99, 101, 102
203.1 CDW, artikel 525.1 UCDW, artikel 257, § 3, AWDA
de artikelen 6, § 1,
, a),
7, § 1, a), i), Accijnswet 2009: het arrest oordeelt dat er lastens de verweerster geen verschuldigdheid van accijnzen in België is aangetoond op grond van de vaststelling dat de verweerster zelf geen aangever was, maar zich bij alle verrichtingen had laten vertegenwoordigen door Vreijsen Douane-expediteur nv; als
trepothouder of
trepositaris is de verweerster echter schuldenaar van de accijns ingeval van het onregelmatig onttrekken van accijnsgoederen aan een schorsingsregeling. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 204.1 CDW, de artikelen 859
860 UCDW, artikel 257, § 3, AWDA
de artikelen 6, § 1,
, a),
7, § 1, a), i), Accijnswet 2009: het arrest beslist dat er geen accijnsschuld is verschuldigd door de verweerster omdat haar verzuim zonder werkelijk gevolg is gebleven
verwijst daarbij naar artikel 859 UCDW; dat artikel is echter niet van toepassing op accijnsschulden; minstens laat het arrest na vast te stellen dat aan alle toepassingsvoorwaarden van deze bepaling was voldaan. 9. De onderdelen zijn gericht tegen overtollige redenen die de beslissing niet schragen
die geen impact hebben op het geheel van de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters de verweerster vrijspreken van overtreding van artikel 257, § 3, AWDA
de fiscale rechtsvordering van de eiser ongegrond verklaren. De onderdelen zijn niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen
de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 42,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis
Ilse Couwenberg,
op de openbare rechtszitting van 10 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.