← België

VLAAMS GEWEST contra VDC AANNEMINGEN bvba

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200312.1N.3 Rolnummer: C.19.0144.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra VDC AANNEMINGEN bvba Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-07 Raadplegingen: 723 - laatst gezien 2026-06-29 01:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het forfaitair karakter van de schadevergoeding waarop de ten onrechte geweerde laagste regelmatige inschrijver aanspraak kan maken was bedoeld om lange, dure en ingewikkelde gerechtelijke procedures over de omvang van de schade te vermijden en staat er bijgevolg aan in de weg dat de onterecht geweerde inschrijver op grond van de artikelen 1382 en 1383 BW aanspraak kan maken op een hogere vergoeding

(1).
(1)Zie Cass. 21 januari 2016, AR C.13.0235.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160121.6, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Vrije woorden: Ten onrechte geweerde laagste regelmatige inschrijver - Schadevergoeding - Forfaitair karakter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten - 24-12-1993 - Art. 15 - 37 ELI link Pub nr 1994021012 Programmawet 22 december 2003 - 22-12-2003 - zoals gewijzigd bij - 42 ELI link Pub nr 2003021248 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0144.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, met kantoor te 1000 Brussel, Koolstraat 35, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, tegen VDC AANNEMINGEN bvba, met zetel te 2660 Antwerpen (Hoboken), Adolf Greinerstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0812.039.854, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 november
  3. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweerster voor de Raad van State een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen het besluit van de eiser tot gunning van de opdracht voor aanneming van diensten voor het reinigen van tunnels in district 413 en 414 in de provincie Oost-Vlaanderen (bestek nr. 1M3D8H/09/74) aan Willer bvba en het daarvan deel uitmakend gunningsverslag, evenals van de impliciete beslissing tot niet-toewijzing van de opdracht aan de verweerster; - het beroep tot vernietiging op twee middelen was gebaseerd:
(1)enerzijds voerde de verweerster voor de Raad van State aan dat de gunningsbeslissing de prijsverantwoording door de verweerster in antwoord op de vraag van de eiser tot prijsverantwoording verwerpt op grond van feitelijke elementen waarvan het bestaan niet teruggaat op de door de verweerster verstrekte prijsverantwoording, maar op eigen deducties van de eiser, waarbij wordt voorbijgegaan aan objectieve elementen inzake bijzondere voordelen en uitvoeringsmethoden die door de verweerster werden aangereikt, en minimale prestatie-eisen worden geïntroduceerd die niet teruggaan op het bestek en de door de verweerster bij voorbaat gekende elementen; en
(2)anderzijds voerde de verweerster aan dat de gunningsbeslissing haar prijszettting voor bepaalde eenheidsprijzen, dewelke slechts zeer licht van het door de eiser geraamde bedrag afweken, op basis van het door de verweerster verstrekte antwoord op de vraag tot prijsverantwoording als klaarblijkelijk abnormaal beschouwt, terwijl de offertes van de andere inschrijvers, dewelke substantieel van het door de eiser geraamde bedrag afweken, door de eiser als volstrekt regelmatig werden beschouwd, zonder enig verzoek tot prijsverantwoording, en dat op grond van een aantal hypothetische veronderstellingen over het verschil tussen de raming van de eiser en de prijszetting van die inschrijvers; - de auditeur bij de Raad van State in zijn verslag van 14 juni 2011 besloot, enerzijds, tot de ongegrondheid van het eerste middel omdat hij van oordeel was dat de eiser zijn discretionaire bevoegdheid niet te buiten is gegaan door te oordelen dat bepaalde prijsverantwoordingen van de verweerster een schijnbaar abnormaal laag karakter hebben, en, anderzijds, tot de gegrondheid van het tweede middel omdat de eiser het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht heeft miskend door aan de verweerster, wiens offerte beperkt lager lag dan de raming van de eiser, een prijsverantwoording te vragen, terwijl geen prijsverantwoording werd gevraagd aan de inschrijver aan wie de opdracht werd gegund en wiens prijzen substantieel hoger lagen dan de raming; - de auditeur bij de Raad van State besloot tot de nietigverklaring van de beslissing van de eiser tot gunning aan Willer bvba en tot de verwerping van het beroep voor het overige; - de Raad van State in zijn arrest nr. 218.996, bij gebrek aan een verzoek tot voorzetting van de procedure vanwege de eiser, besluit tot de nietigverklaring van de gunningsbeslissing en dat op basis van het tweede argument en voor het overige het beroep verwerpt, aangezien de verweerster in haar laatste memorie met betrekking tot het eerste argument had geschreven dat zij het auditoraatsverslag volledig bijtreedt en inhoudelijk de conclusie van de verwerping van het beroep voor het overige niet betwist.
  1. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - ingevolge het arrest van de Raad van State komt vast te staan dat de offerte van de verweerster door de eiser op onwettige wijze onregelmatig is verklaard, met name doordat de eiser de offerte van de verweerster, die slechts licht afweek van de raming van de eiser, onderwierp aan een vraag tot prijsverantwoording, terwijl de offerte van de overige inschrijvers, die allen ruim van de raming afweken, niet aan een vraag tot prijsverantwoording werd onderworpen; - het niet aan de verweerster is om te bewijzen dat haar prijzen niet onregelmatig zijn; - de eiser de onregelmatigheid van de prijzen van de verweerster afleidt uit het antwoord van de verweerster op de vraag van de eiser tot prijsverantwoording, waardoor de bewijslast bij de verweerster wordt gelegd, maar dat die vraag tot prijsverantwoording ingevolge het arrest van de Raad van State als onwettig moet worden beschouwd, zodat het antwoord van de verweerster op de vraag tot prijsverantwoording door de eiser niet in de beoordeling van de regelmatigheid van de offerte van de verweerster betrokken kan worden; - de eiser zijn beslissing tot onregelmatigverklaring van de offerte van de verweerster enkel op het hernemen van de gunningsbeslissing steunt, maar de verweerster terecht aanvoert dat de eiser zich niet op die gunningsbeslissing kan beroepen, omdat die vernietigd is; - de eiser zich evenmin kan beroepen op de beoordeling van de prijsverantwoording zoals ze de facto is gebeurd en die de motivering uitmaakt van die gunningsbeslissing, aangezien de beoordeling van de prijsverantwoording immers het rechtstreeks gevolg is van de ongelijke behandeling van de verweerster, aan wie een vraag tot prijsverantwoording werd gesteld, en de andere inschrijvers, aan wie geen prijsverantwoording is gevraagd; - de beoordeling van de prijsverantwoording bijgevolg deelt in de door de Raad van State vastgestelde onwettigheid met betrekking tot de vraag tot prijsverantwoording. De appelrechters spreken aldus de beoordeling door de auditeur bij de Raad van State dat de eiser terecht kon oordelen dat de prijzen van de verweerster abnormaal laag waren inhoudelijk niet tegen, maar oordelen dat de eiser zich niet op de beoordeling van de prijsverantwoording kan beroepen aangezien deze het rechtstreeks gevolg is van de ongelijke behandeling tussen de verweerster en de andere inschrijvers, zodat deze beoordeling deelt in de onwettigheid van de vraag tot prijsverantwoording.
  2. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters het gezag van gewijsde van het arrest nr. 218.996 van de Raad van State van 24 april 2012 hebben miskend door te oordelen dat de eiser zich voor het vaststellen van de onregelmatigheid van de offerte van de verweerster niet kan beroepen op de gunningsbeslissing en de eiser zich evenmin kan beroepen op de prijsverantwoording zoals die de facto is gebeurd, kan het niet worden aangenomen.
  3. Aangezien het gezag van gewijde van het arrest nr. 218.996 van de Raad van State van 24 april 2012 niet is miskend door te oordelen dat de eiser zich voor het vaststellen van de onregelmatigheid van de offerte van de verweerster niet kan beroepen op de gunningsbeslissing en de prijsverantwoording zoals die de facto is gebeurd, kan het gezag van gewijsde evenmin zijn miskend doordat de appelrechters zelf de offerte en de prijsverantwoording van de verweerster op haar regelmatigheid hebben beoordeeld en hebben aangenomen dat de verweerster de laagste regelmatige inschrijver is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  4. De reden dat de beoordeling door de eiser van de prijsverantwoording van de verweerster deelt in de door de Raad van State vastgestelde onwettigheid, met name de ongelijke behandeling van de verweerster en de andere inschrijvers, aangezien die beoordeling het rechtstreeks gevolg is van die onwettigheid, draagt de beslissing van de appelrechters. In zoverre het onderdeel opkomt tegen hun oordeel dat zij niet gebonden zijn door het andersluidend advies van de auditeur bij de Raad van State en dat de Raad van State het onderdeel van het middel van de verweerster met betrekking tot de wijze van beoordeling van de prijsverantwoording niet heeft onderzocht, komt het op tegen een overtollige reden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
  5. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, is het geheel afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde miskenning van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 218.996 van de Raad van State van 24 april 2012 en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  6. Artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, bepaalt dat indien de bevoegde overheid beslist de opdracht toe te wijzen, deze bij openbare of beperkte aanbesteding dient te worden toegewezen aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte indiende, op straffe van een forfaitaire schadeloosstelling vastgesteld op tien procent van het bedrag zonder belasting op de toegevoegde waarde van deze offerte. Deze forfaitaire schadevergoeding wordt aangevuld met een schadeloosstelling met het oog op het volledige herstel van de schade wanneer deze voortvloeit uit een daad van corruptie in de zin van artikel 2 van het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie, gedaan te Straatsburg op 4 november
  7. De schadevergoeding van tien procent waarop de ten onrechte geweerde laagste regelmatige inschrijver aanspraak kan maken, heeft een forfaitair karakter. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever daarmee, onder meer, lange, dure en ingewikkelde gerechtelijke procedures over de omvang van de schade beoogde te vermijden. Het forfaitair karakter van de vergoeding staat bijgevolg eraan in de weg dat de onterecht geweerde inschrijver, op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, aanspraak kan maken op een hogere vergoeding.
  8. De appelrechters oordelen dat: - de verweerster een vergoeding van tien procent rekent op de prijs voor vier opeenvolgende jaren van uitvoering van de opdracht; - uit de voorgelegde stukken niet blijkt dat de gunning van de opdracht werkelijk een recht verleent op uitvoering gedurende vier jaar, zodat het bestuur in de mogelijkheid was elk jaar een nieuwe opdracht uit te schrijven; - het bestek bepaalt dat het contract betrekking heeft op een jaar, maar dat de overheid zich het recht behoudt te verlengen voor een jaar; - de eiser niet ontkent dat in het verleden werd verlengd; - in die omstandigheden het bewezen voorkomt dat de verweerster een werkelijke kans van vijftig procent had bij gunning op verlenging van in totaal vier jaar; - dit betekent dat de verweerster niet enkel recht heeft op de vergoeding van tien procent voor een jaar, maar ook op vijftig procent van die vergoeding over drie jaren verlenging.
  9. Door aldus aan de verweerster als onterecht geweerde laagste regelmatige inschrijver een hogere vergoeding toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding van tien procent, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de omvang van de vergoeding en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman, Koenraad Moens en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200312.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250623.3F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160121.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.