id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.1 Rolnummer: P.19.1219.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-03-25 Raadplegingen: 804 - laatst gezien 2026-06-28 15:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter is niet gebonden door de kwalificatie die aan het vervolgde feit wordt gegeven in de akte van aanhangigmaking, maar hij moet aan de feiten hun juiste omschrijving geven, die, mits eerbiediging van het recht van verdediging van partijen, hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt; de rechter oordeelt onaantastbaar welke de materiële gebeurtenis is die het voorwerp van de vervolging uitmaakt en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag ligt, alsook of een heromschrijving het aanhangig gemaakte feite ongewijzigd laat; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt
(1)Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0631.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1. AC 2020, nr. 58. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Te laste gelegde feiten - Heromschrijving - Voorwaarden Tekst van de beslissing Nr. P.19.1219.N I H. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. II A. B., , beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 104, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GSC CENTER bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Somersstraat 41, burgerlijke partij, verweerster. III H A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9880 Aalter, Beukenpark 111, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 november 2019. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II 1. Het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiser II ongegrond en veroordeelt haar tot de kosten van haar vordering. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser III 2. Het middel voert schending aan van artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 127, 130 en 182 Wetboek van Strafvordering: het arrest herkwalificeert de telastlegging A tot bendevorming gericht op het plegen van inbreuken op de Drugwet in het kader van een vereniging; het veroordeelt de eiser III wegens het aldus gekwalificeerde feit; de raadkamer had de eiser III evenwel onder de telastlegging A naar de correctionele rechtbank verwezen wegens de telastlegging invoer, uitvoer en vervoer van verdovende middelen (cocaïne) in vereniging; weliswaar oordeelt de strafrechter onaantastbaar of de feiten die hij onder de verbeterde omschrijving bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp van de vervolging uitmaken of daaraan ten grondslag liggen, maar het Hof kan onderzoeken of de rechter op grond van zijn vaststellingen wettig kon oordelen dat er inderdaad sprake is van een identiteit van feiten en hij dus geen uitspraak heeft gedaan over een feit dat bij hem niet aanhangig was gemaakt; uit de redenen van het arrest blijkt dat de appelrechters de feiten waarvoor de eiser III is vervolgd, namelijk de medewerking aan het welbepaald drugtransport van 728,41 kilo cocaïne, niet bewezen achten en hem dan maar hebben veroordeeld wegens andere feiten, namelijk niet-vastgestelde andere drugmisdrijven, op grond van de verdachte omstandigheden waarin hij werd aangetroffen; aldus hebben zij zichzelf gelast met de feiten waarvoor zij de eiser III veroordelen. 3. De rechter is niet gebonden door de kwalificatie die aan het vervolgde feit wordt gegeven in de akte van aanhangigmaking, maar hij moet aan de feiten hun juiste omschrijving geven. Vereist is dat, mits eerbiediging van het recht van verdediging van partijen, de nieuwe omschrijving hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt. 4. De rechter oordeelt onaantastbaar welke de materiële gebeurtenis is die het voorwerp van de vervolging uitmaakt en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag ligt, alsook of een heromschrijving het aanhangig gemaakte feit ongewijzigd laat. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. 5. De eiser III is onder de telastlegging A naar de correctionele rechtbank verwezen voor feiten omschreven als het zonder vergunning invoeren, uitvoeren en vervoeren van cocaïne, in vereniging, te Antwerpen en/of bij samenhang elders in het Rijk tussen 23 december 2018 en 11 januari 2019, meermaals, op niet te bepalen data en laatst op 10 januari 2019. 6. Met de in het middel vermelde redenen oordeelt het arrest dat de eisers met die telastlegging werden verdacht van de welbepaalde uithaling van vier partijen cocaïne verdeeld over vier gecontroleerde containers. Anders dan waarvan het middel uitgaat, bepalen de appelrechters daarmee niet de materiële gebeurtenissen die aan de vervolging ten grondslag liggen, maar vermelden zij enkel welke voorlopige misdrijfomschrijving uit die gebeurtenissen werd afgeleid. 7. Meer bepaald oordeelt het arrest (p. 11, 13, 18 en 19) onder meer: - "De door de verwijzingsbeschikking sub A geviseerde handelingen betreffen de door de [eisers] tussen 23.12.2018 en 11.01.2019 gestelde handelingen (huren voertuigen, aanwezigheid in de nacht van 9 op 10 januari 2019 omstreeks 01:30 uur 's nachts met een groot huurvoertuig vlak bij de druggevoelige kade, bezit van materialen dienstig voor het openbreken van containers, bezit van 6 lege identieke sporttassen dienstig voor het transport van verdovende middelen, bezit van goedkope wegwerp gsm's met zeer beperkte gebruiksfrequentie, onderling versturen van meerdere berichten met verdachte inhoud in de nacht van 9 op 10 januari 2019, bezit van gsm BQ Aquaris X met encryptiesoftware, ...), zoals deze blijken uit de inhoud van het strafdossier. Deze handelingen werden in de verwijzingsbeschikking voorlopig gekwalificeerd als mededaderschap aan invoer, uitvoer en vervoer van cocaïne in het kader van een vereniging." Verder preciseert het arrest die handelingen nog met eigen (arrest, p. 19) en van het beroepen vonnis (vonnis, p. 5-11) overgenomen redenen; - "Het strafdossier bevat echter onvoldoende concrete elementen op grond waarvan bovenstaande, door [de eisers] gestelde verdachte handelingen, gelinkt kunnen worden aan de 4 partijen cocaïne die in 4 afzonderlijke containers werden aangetroffen: [de eisers] waren niet in het bezit van documenten met daarop de betreffende 4 containernummers, in de verstuurde tekstberichten stonden evenmin concrete verwijzingen naar de 4 bewuste containers, en [de eisers] werden niet opgemerkt in de buurt van deze 4 containers."; - "Deze vaststelling neemt echter niet weg dat het strafdossier naar het oordeel van het hof [van beroep] wel voldoende concrete gegevens bevat om te besluiten dat [de eisers] zich schuldig hebben gemaakt aan het misdrijf van bendevorming zoals bedoeld in de artikelen 322 en 324, 1° en 2° lid Sw"; - "Het hof [van beroep] wijst erop dat voor het bestaan van het misdrijf 'deelname aan vereniging', het niet vereist is dat aangeduid wordt welke partij verdovende middelen [de eisers] uit welke specifieke container(
- s)beoogden te halen."; - "Het misdrijf bendevorming is (...) voltooid door de loutere organisatie, organisatie welke in casu voor de door de vervolging geviseerde vereniging duidelijk voorhanden was. Door de onderlinge taakverdeling binnen de vereniging was het in deze mogelijk om op het gepaste ogenblik de ongeoorloofde bedrijvigheid uit te voeren. Dat er in casu geen partij verdovende middelen daadwerkelijk uit de haven van Antwerpen kon worden gehaald, doet geen afbreuk aan het bestaan van het misdrijf bendevorming."; - "Ingevolge de herkwalificatie van deze geviseerde feiten naar een inbreuk op de artikelen 322 en 324, 1° en 2° lid Sw., werden er (...) geen andere feiten geviseerd dan deze die door de raadkamer bij beschikking van 17.04.2019 onder tenlastelegging A werden verwezen naar de correctionele rechtbank. Evenmin is er sprake van een "ontoelaatbare ontdubbeling van kwalificatie zonder bijkomende aanhangigmaking", zoals [de eiser I] op blz. 8 tot en met 11 van zijn beroepsconclusie voorhoudt." Op grond van die redenen kan het arrest beslissen de telastlegging A, oorspronkelijk omschreven als de invoer, uitvoer en vervoer van cocaïne in vereniging, te herkwalificeren naar bendevorming gericht op het plegen van inbreuken op de Drugwet in het kader van een vereniging, zonder de eiser daarmee te veroordelen voor niet vervolgde feiten. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I 9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eiser I niet kan worden gelinkt aan de verdovende middelen die zijn vermeld in de oorspronkelijke telastlegging A, wat de reden is voor de herkwalificatie naar bendevorming; het gebruikt anderzijds de verwijzing naar niet nader vernoemde verdovende middelen om te oordelen dat de vereniging tot doel had inbreuken op de Drugwet te plegen in vereniging; die verzwarende omstandigheid is dan ook niet bewezen. 10. Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, te oordelen dat de vastgestelde feiten niet de oorspronkelijke kwalificatie van invoer, uitvoer en vervoer van verdovende middelen opleveren omdat niet is aangetoond dat de eisers specifieke partijen cocaïne uit welbepaalde containers in de haven wilden uithalen, en anderdeels, te oordelen dat die feiten wel het heromschreven misdrijf van bendevorming met de in het middel vermelde verzwarende omstandigheid opleveren, waarvoor het niet vereist is specifieke drugfeiten bewezen te verklaren. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser I 11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het beginsel van tegenspraak en van de eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechters herkwalificeren de telastlegging A naar bendevorming en veroordelen de eiser I hiervoor, zonder hem uitdrukkelijk de gelegenheid te geven zijn verweer daarover te laten gelden; ter rechtszitting van de appelrechters werden verschillende mogelijke kwalificaties besproken, maar werd aan de partijen niet specifiek gevraagd zich te verdedigen op de herkwalificatie naar bendevorming; het feit dat dit hier is gebeurd in eerste aanleg, speelt geen rol. 12. Zonder desbetreffend van valsheid te worden beticht, oordeelt het arrest (p. 14, laatste alinea) dat de eisers zich in hoger beroep hebben verdedigd op een gebeurlijke herkwalificatie van de feiten naar bendevorming, zodat hun recht van verdediging op dit punt werd gewaarborgd. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser I 13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede machtsoverschrijding door de appelrechters en "miskenning verzachtende omstandigheden", minstens dubbelzinnige motivering: de verwijzingsbeschikking neemt voor de eiser I verzachtende omstandigheden aan en ook het arrest houdt bij de motivering van de straftoemeting rekening met een aantal gegevens die gelden als verzachtende omstandigheden voor de eiser I; niettemin veroordeelt het arrest de eiser I tot de maximumstraf van vijf jaar effectieve gevangenisstraf; in die zin is de motivering dubbelzinnig; ofwel oordeelt het arrest dat de omstandigheden die het opsomt geen verzachtende omstandigheden zijn, wat in casu geenszins blijkt uit de motivering, ofwel beslist het arrest dat het wel verzachtende omstandigheden zijn, maar dan is het onwettig omdat het de maximumstraf oplegt. 14. De vermelding van de in het middel bedoelde gegevens van het arrest bij de straftoemeting, houdt niet in dat de appelrechters verzachtende omstandigheden aannemen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 15. De aangevoerde dubbelzinnigheid in de motivering is afgeleid uit de hiervoor aangevoerde onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Middel van de eiser II 16. Het middel voert miskenning aan van de saisine van de rechter: de appelrechters die de eiser II veroordelen voor de telastlegging A, geherkwalificeerd naar bendevorming met als doel het plegen van inbreuken op de Drugwet in het kader van een vereniging, veroordelen hem voor andere feiten dan de bij hen aanhangig gemaakte feiten en treden aldus buiten hun saisine; met de herkwalificatie zetten de appelrechters immers een oorspronkelijk verzwarende omstandigheid, namelijk het bestaan van een vereniging, om in een basisfeit, namelijk een vereniging van misdadigers. Het gaat dus om een ander feit dat een andere materiële gedraging en een ander opzet vereist. 17. Uit het antwoord op het middel van de eiser I blijkt dat de appelrechters de eiser II niet veroordelen voor andere dan de bij hen aanhangig gemaakte feiten, maar wel voor dezelfde feiten, anders gekwalificeerd. De in het middel aangevoerde omstandigheid doet daaraan geen afbreuk. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 227,22 euro, waarvan voor elk cassatieberoep 75,74 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 17 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div