← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.2 Rolnummer: P.19.1136.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 461 - laatst gezien 2026-06-28 07:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak een lokale overheid door in een toegangsverbod te voorzien in de binnenstad voor bepaalde voertuigen een gehandicapte inwoner die in de binnenstad woont en nabij zijn woning wil parkeren, discrimineert. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap - Artikel 4.1 - Artikel 9 - Artikel 19 - Artikel 20 - Wegverkeersreglement - Toegangsverbod voor bepaalde voertuigen - Gehandicapte inwoner - Parkeren - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Verdrag 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap - 13-12-2006 - Artt. 4.1, 9, 19 en 20 - 54 Link Justel databank 20061213-54 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 68 Vrije woorden: Toegangsverbod voor bepaalde voertuigen - Gehandicapte inwoners - Parkeren - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap - 13-12-2006 - Artt. 4.1, 9, 19 en 20 - 54 Link Justel databank 20061213-54 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: MINDERVALIDEN Vrije woorden: Wegverkeersreglement - Toegangsverbod voor bepaalde voertuigen - Gehandicapte inwoner - Parkeren - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap - 13-12-2006 - Artt. 4.1, 9, 19 en 20 - 54 Link Justel databank 20061213-54 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.19.1136.N W. R. L. J. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Lore Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 11 oktober 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 9, 19 en 20 van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap (hierna Verdrag Personen Handicap): het bestreden vonnis veroordeelt de eiser wegens het parkeren van zijn voertuig in een zone, namelijk de binnenstad van Brugge, waar krachtens het stedelijke reglement enkel voertuigen zijn toegelaten met een lagere massa dan het zijne; met het ongenuanceerde verbod om voertuigen zoals dat van de eiser in de binnenstad te parkeren, ontzegt de stad Brugge aan de eiser de facto het recht om in de buurt van zijn woning te parkeren met een aan zijn handicap aangepast voertuig; dit houdt miskenning in van de rechten gewaarborgd door de vermelde verdragsbepalingen omdat alle doeltreffende en passende maatregelen moeten worden genomen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken ten volle van die rechten te genieten; het Verdrag Personen Handicap heeft rechtstreekse werking; het bestreden vonnis kan de eiser niet veroordelen op grond van een reglement dat in strijd is met dat verdrag. 2. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 3. Het Verdrag Personen Handicap bepaalt in: Artikel 9: "Toegankelijkheid 1. Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, (...) en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden. Deze maatregelen, die mede de identificatie en bestrijding van obstakels en drempels voor de toegankelijkheid omvatten, zijn onder andere van toepassing op:

  1. a)gebouwen, wegen, vervoer en andere voorzieningen in gebouwen en daarbuiten, met inbegrip van scholen, huisvesting, medische voorzieningen en werkplekken; (...)" Artikel 19: "Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en nemen doeltreffende en passende maatregelen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht ten volle uit te oefenen en volledig deel uit te maken van, en te participeren in de maatschappij, onder meer door te waarborgen dat:
  2. a)personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen, vrij hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefstructuur;
  3. b)personen met een handicap toegang hebben tot een reeks van thuis, residentiële en andere maatschappijondersteunende diensten, waaronder persoonlijke assistentie, noodzakelijk om het wonen en de opname in de maatschappij te ondersteunen en isolatie of uitsluiting uit de maatschappij te voorkomen;
  4. c)de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar zijn voor personen met een handicap en beantwoorden aan hun behoeften." Artikel 20: "Persoonlijke mobiliteit De Staten die Partij zijn nemen alle doeltreffende maatregelen om de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap met de grootst mogelijke mate van zelfstandigheid te waarborgen onder meer door:
  5. a)de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap te vergemakkelijken op de wijze en op het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs;
  6. b)de toegang voor personen met een handicap tot hoogwaardige mobiliteitshulpmiddelen, -apparaten, ondersteunende technologieën en vormen van hulp door mens of dier en tot bemiddeling te vergemakkelijken, onder meer door deze beschikbaar te maken tegen een betaalbare prijs;
  7. c)personen met een handicap en gespecialiseerd personeel dat met personen met een handicap werkt, training in mobiliteitsvaardigheden te verschaffen;
  8. d)instellingen die mobiliteitshulpmiddelen, -apparaten en ondersteunende technologieën produceren, aan te moedigen rekening te houden met alle aspecten van mobiliteit voor personen met een handicap." 4. Deze bepalingen leggen aan de verdragsluitende partijen de verplichting op passende en doeltreffende maatregelen te nemen ter realisering van de in deze artikelen vermelde doelstellingen. Hoewel zij zich niet richten tot een lokale overheid, volgt uit deze bepalingen, gelezen samen met artikel 4.1 van het verdrag, het verbod voor een lokale overheid om bij het ontwikkelen van een mobiliteits- en parkeerbeleid een persoon met een handicap te discrimineren. 5. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak een lokale overheid door in een toegangsverbod te voorzien in de binnenstad voor bepaalde voertuigen een gehandicapte inwoner die in de binnenstad woont en nabij zijn woning wil parkeren, discrimineert. 6. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 7. Het bestreden vonnis oordeelt onder meer als volgt: - de eiser betwist de telastlegging en meent dat de vrijspraak zich opdringt op grond van artikel 159 Grondwet en het Verdrag Personen Handicap; - de eiser bestuurde of parkeerde op 12 augustus 2017 in de Philipstockstraat te Brugge een kampeerauto Mercedes 6150 in strijd met bord C21, dat een verboden toegang inhoudt voor bestuurders van voertuigen waarvan de massa in beladen toestand hoger is dan de aangeduide massa; - het voertuig dat de eiser bestuurde had volgens het proces-verbaal een tarra van 5.400 kg. Dergelijke voertuigen zijn verboden in de Brugse binnenstad; - de eiser betwist de aanwezigheid van het bord C21 met tonnagebeperking van 3,5 ton niet. Hij stelt dat de stad Brugge de artikelen 9, 19 en 20 van het Verdrag Personen Handicap schendt door niet in een uitzondering te voorzien voor gehandicapten met een aangepaste wagen; - het zonaal toegangsverbod + 3,5 ton heeft betrekking op de Brugse binnenstad en beoogt er een vlot verloop van het verkeer. Mits vergunning is een uitzondering hierop mogelijk en voor laden en lossen zijn venstertijden voorzien; - ten onrechte stelt de eiser dat de Brugse reglementering illegaal is. De eiser heeft immers als inwoner van Brugge dezelfde mogelijkheden als een niet-gehandicapte persoon om te wonen in de stad Brugge. Hij kan evenals elk ander persoon vrijelijk zijn woonplaats kiezen en parkeren in de stad. Van enige discriminatie is geen sprake zodat er evenmin sprake is van schending van het Verdrag Personen Handicap; - het parkeren of rijden in de Brugse binnenstad met een kampeerwagen van meer dan 3,5 ton is niet toegelaten, zoals ook een niet-gehandicapte persoon dit niet kan, tenzij hij daartoe een vergunning heeft (wat de eiser niet heeft) of tijdens de vensteruren gaat laden en lossen; - er zijn voor de eiser wel degelijk mogelijkheden om maatregelen te nemen die in overeenstemming zijn met de verkeersregels en de bepalingen van het reglement inzake venstertijden. Als inwoner van stad Brugge met een handicap kon hij kiezen voor een motorvoertuig onder de 3,5 ton om tot aan zijn woning te komen; als de eiser kiest voor een kampeerwagen dan moet hij zich schikken naar de verkeerswetgeving die ter plaatse geldt; - overigens merkte de eerste rechter terecht op dat, als de eiser dan toch kiest voor een kampeerwagen, er wel degelijk mogelijkheden voor hem zijn om zijn kampeerwagen in zijn parkeergarage, buiten de kleine ring van Brugge, achter te laten en vervolgens naar zijn woning te gaan met zijn elektrische scooter; - de plaatselijke besluiten en verordeningen zijn in overeenstemming met de wetgeving zodat ten onrechte de exceptie van illegaliteit wordt opgeworpen; - de vergelijking met de Zweedse dame die een zwembad aanlegde, gaat niet op. In dit geval had de dame in kwestie geen andere mogelijkheid dan in haar woning een zwembad aan te leggen voor haar therapie. In het voorliggend geval heeft de eiser wel de keuze tussen verschillende types voertuigen die de tonnage niet overtreffen en waarin zijn scooter kan worden geïnstalleerd. 8. Op grond van die vaststellingen kan het bestreden vonnis oordelen dat het door de eiser overtreden verbod niet onwettig is en verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de verplichting van de rechter om te antwoorden op conclusies: met de redenen die het vermeldt, beantwoordt het bestreden vonnis niet eisers zelfstandige en precieze verweer, ondersteund door nieuwe stukken, dat het stedelijke reglement onwettig is omdat de eiser, gelet op zijn handicap en de staat van de bestrating in de omgeving, geen gebruik kan maken van een scooter om vanaf de stadsring tot aan zijn woning te geraken en het voor hem wel degelijk proportioneel en noodzakelijk is om met zijn wagen tot aan zijn woning te kunnen rijden. 10. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat de beslissing niet enkel steunt op de van het beroepen vonnis overgenomen reden dat de eiser zijn voertuig ook buiten de stadsring kan parkeren en zich met zijn scooter naar zijn woning kan begeven, maar ook op een geheel van andere zelfstandige redenen die de beslissing schragen en waartegen het middel niet opkomt. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 17 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.