id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020
Art. 149
- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 154, 189 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Vermoedens van feitelijke aard - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 149
- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 154, 189 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Bewijs - Strafzaken - Algemeen - Motiveringsplicht - Recht op een eerlijk proces - Recht op tegenspraak - Vermoeden van onschuld Wettelijke bepalingen:
Art. 149
- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 154, 189 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 4 Een feit van algemene bekendheid maakt uit zijn aard deel uit van het debat en is dus steeds onderworpen aan tegenspraak; geen enkele wettelijke bepaling noch enig ander algemeen rechtsbeginsel vereist dat een door de rechter aangenomen feit wetenschappelijk, forensisch of technisch is onderbouwd. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Feit van algemene bekendheid - Toepassing Wettelijke bepalingen:
Art. 149- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr.
P.19.1253.N I M.A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. II M. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Klaas Bongaerts, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 november
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Krachtens artikel 423 Wetboek van Strafvordering moet, behoudens wanneer de wet een andere termijn bepaalt, de verklaring van cassatieberoep worden gedaan binnen vijftien dagen na de uitspraak van de bestreden beslissing.
- Het cassatieberoep dat is ingesteld bij akte van vrijdag 29 november 2019, dit is meer dan vijftien dagen na het arrest, is niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
- Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord. Eerste en tweede middel van de eiser I
- Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, artikel 2bis, § 1, § 4 en § 6, Drugwet, de artikelen 1, 1bis, 2, 3, 11, 26bis en 28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies en de artikelen 2, 3, 25, 26, 40bis en 45 van het koninklijk besluit van 22 januari 1998 houdende regeling van sommige psychotrope stoffen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies: het arrest veroordeelt de eiser I wegens invoer van cocaïne in het kader van een vereniging (telastlegging A) zonder vast te stellen dat de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf zijn verenigd; de feitelijke elementen die het arrest vermeldt, wijzen mogelijk op de bedrijvigheid van een vereniging, maar daaruit kan niet het onderliggende hoofdfeit van invoer van cocaïne worden afgeleid; het arrest gaat uit van de onbewezen premisse dat de container cocaïne bevatte. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 154, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters kunnen uit hun feitelijke vaststellingen niet afleiden dat de container cocaïne bevatte; een louter feitelijk vermoeden dat is afgeleid uit een vaag en niet wetenschappelijk, forensisch of technisch onderbouwd feit van algemene bekendheid, namelijk dat containers met fruit uit Zuid-Amerika cocaïne bevatten, volstaat niet voor het bewezen verklaren van een misdrijf boven elke redelijke twijfel, zeker niet wanneer dat misdrijf strafbaar is met zware vrijheidsstraffen; evenmin kunnen de appelrechters het bewijs van een misdrijf afleiden uit een wetenschap die is opgedaan buiten de stukken van het strafdossier en de rechtszitting en die niet is onderworpen aan tegenspraak; het vermoeden waarvan de appelrechters uitgaan, wordt bovendien weerlegd door het feit dat de andere getipte containers, eveneens met ananassen, wel werden onderworpen aan een voorafgaande scan en geen cocaïne bevatten.
- Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Hij mag hierbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard, die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Wanneer de rechter op die grond oordeelt dat de feiten van een telastlegging bewezen zijn, miskent hij het vermoeden van onschuld niet. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
- In zoverre de middelen opkomen tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplichten tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, zijn zij niet ontvankelijk.
- Een feit van algemene bekendheid maakt uit zijn aard deel uit van het debat en is dus steeds onderworpen aan tegenspraak. Bovendien steunde ook het beroepen vonnis, met een door het arrest overgenomen reden, de schuldigverklaring van de eiser op het feit dat in reefercontainers met ladingen fruit uit Zuid-Amerika vaak partijen cocaïne naar Antwerpen worden gesmokkeld. Dat feit maakte dan ook deel uit van de gegevens van het strafdossier waarop de eiser I zich voor de appelrechters kon verdedigen. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen.
- Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel vereist dat een door de rechter aangenomen feit wetenschappelijk, forensisch of technisch is onderbouwd. In zoverre faalt het tweede middel naar recht.
- Met redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordeelt het arrest in essentie dat: - de douane informatie ontvangt dat een welbepaalde container met ananas uit Zuid-Amerika verdovende middelen bevat; - de douane een eerste, negatieve controle van die container uitvoert, hem verzegelt en hem selecteert voor een scan met het oog op verdere fysieke controle; - de eiser II zonder aanvaardbare reden eerst naar een loods te Buggenhout rijdt, waar hij een tijd stilstaat, alvorens zich bij de scan aan te bieden; - de douane bij de verdere controle vaststelt dat het zegel is vervangen door een ander zegel en dat de lading is verplaatst; - de loods speciaal was gehuurd om de drugs discreet uit die container te halen, waarbij er gebruik werd gemaakt van vennootschappen waarvoor betaalde stromannen werden ingezet om de daders toe te laten uit het zicht te blijven; - "het een reefercontainer betrof met als (dek-)lading een partij ananassen, afkomstig van Zuid-Amerika, hetgeen een algemeen gekende en vaak toegepaste manier betreft om cocaïne vanuit Zuid-Amerika via de haven van Antwerpen in te voeren. Zuid-Amerika is hoofdproducent van ananas"; - die gegevens, alsook de moeite en kosten die werden besteed om de uithaling te doen, boven elke redelijke twijfel aantonen dat de container bij aankomst in de haven te Antwerpen wel degelijk cocaïne bevatte, die door toedoen van onder meer de eiser I uit de container werd gehaald tijdens de tussenstop in de loods te Buggenhout, ook al werd die cocaïne niet teruggevonden; - al die gegevens en activiteiten specifiek betrekking hadden op de hier bedoelde container, zodat er geen aanleiding is de feiten te heromschrijven naar bendevorming met het oog op het plegen van misdaden waarop opsluiting van tien tot vijftien jaar is gesteld. Op grond van die redenen, die het arrest samenvat in de met het eerste middel bekritiseerde redenen, kan het wettig oordelen dat de feiten correct zijn omschreven als het misdrijf invoer van cocaïne, waarvan de constitutieve bestanddelen zijn verenigd, en dat dit misdrijf bewezen is ten laste van de eiser I. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de twee overige getipte containers geen cocaïne bevatten; aldus laat het arrest niet toe te begrijpen waarom het niet op dat verweer ingaat en oordeelt dat de later gecontroleerde container wel cocaïne bevatte.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste en tweede middel, vermelden de appelrechters waarom zij oordelen dat de hier bedoelde container wel cocaïne bevatte. Daarmee beantwoorden zij eisers verweer, zonder dat zij dienden te antwoorden op de argumenten die de eiser I slechts heeft aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, maar die geen zelfstandig verweer vormden. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en de wapengelijkheid: het arrest verwerpt ten onrechte het verzoek van de eiser om T., die de eiser heeft herkend op een fotoreeks, als getuige ter rechtszitting te horen, terwijl het de verklaring van die persoon wel in aanmerking neemt voor de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen A en B (deelname aan een criminele organisatie); de eiser I kon immers pas voor het eerst in hoger beroep vragen om T. als getuige te horen aangezien hij daarvoor niet wist dat aan diens verklaring een overwegend belang zou worden gehecht; het laattijdig vragen van een getuigenverhoor impliceert bovendien niet dat moet worden volstaan met de schriftelijke neerslag van de verklaring van de ooggetuige in het strafdossier; uit niets blijkt dat er een risico is op beïnvloeding, intimidatie of bedreiging van de getuige; het tijdsverloop kan worden ondervangen door de getuige een nieuwe fotoreeks voor te leggen; de verklaring van de getuige is wel degelijk een doorslaggevend element in de schuldigverklaring en bestraffing van de eiser I.
- Uit artikel 6.1 en 6.3.d EVRM volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, dat hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en dat hem de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een voor hem belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige op de rechtszitting te ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf.
- Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen.
- Het staat aan de rechter om, rekening houdende met de voormelde criteria, onaantastbaar te oordelen of het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst.
- Het arrest verwerpt eisers verzoek tot het horen van de in het middel vermelde getuige met volgende redenen: i) er liggen ernstige redenen voor om T. niet te horen als getuige ter rechtszitting wegens: - het risico op beïnvloeding, intimidatie of bedreiging, gelet op het milieu van georganiseerde criminaliteit waarin de feiten zich afspeelden; - het ruime tijdsverloop van drie jaar sinds de feiten, hetgeen de kwaliteit van de getuigenverklaring negatief kan beïnvloeden; - het gegeven dat de eiser I slechts voor het eerst voor het hof van beroep vraagt te worden geconfronteerd met de getuige, terwijl hij daarvoor ruim de gelegenheid had tijdens het strafonderzoek. ii) de eventueel belastende verklaring van T. en haar positieve herkenning van de eiser I uit de haar voorgelegde fotoreeks zijn zeker niet de enige of doorslaggevende elementen waarop de schuldigverklaring van de eiser I steunt, gelet op de gegevens geput uit het retroactief onderzoek van eisers gsm's, de analyse van zijn verplaatsingen en aanwezigheden en het aangetroffen geld. iii) er zijn voor het niet-horen van de getuige voldoende compenserende waarborgen, erin bestaande dat de eiser I lopende het gerechtelijk onderzoek kon vragen om te worden geconfronteerd met T. Het arrest besluit dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen omdat het strafdossier regelmatig is samengesteld en de eiser I de gelegenheid heeft gehad over alle erin vervatte elementen tegenspraak te voeren, wat hij ook heeft gedaan.
- Bij het beoordelen van de vraag of zij gebruik konden maken van de belastende verklaring van T. zoals die blijkt uit het strafdossier, zonder in te gaan op het verzoek van de eiser I om ter rechtszitting met die persoon te worden geconfronteerd, konden de appelrechters wel degelijk rekening houden met het feit dat eisers verzoek slechts voor het eerst in hoger beroep is geformuleerd, terwijl dat vroeger reeds mogelijk was. Eveneens konden zij rekening houden met het feit dat het horen van T., wiens verklaring was gebaseerd op een eertijdse fotoherkenning, ingevolge het tijdsverloop ondoelmatig was geworden.
- Uit de redenen van het arrest blijkt niet dat de verklaring van T. het doorslaggevende element is waarop de appelrechters de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen A en B steunen.
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het voor het overige gericht is tegen de redenen op grond waarvan de appelrechters eisers verzoek verwerpen om T. als getuige ter rechtszitting te horen, komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Hieruit volgt dat de appelrechters uit de voormelde redenen konden afleiden dat het gebruik van de verklaring van T. als bewijs lastens de eiser I, zonder die persoon ter rechtszitting te horen, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser I niet miskent. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 198,61 euro, waarvan 99,30 door eiser I, en 99,31 euro door eiser II is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 17 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div