← België

M. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.4 Rolnummer: P.19.1161.N Zaak: M. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 579 - laatst gezien 2026-06-28 07:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat het gebrek aan een daartoe strekkende vordering het onderzoeksgerecht niet verhindert om ingeval van een buitenvervolgingstelling na een gerechtelijk onderzoek opgestart op initiatief van een burgerlijke partij, de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij ambtshalve te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de in het gelijk gestelde inverdenkinggestelde. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoeksgerechten - Buitenvervolgingstelling - Burgerlijke partij - Ambtshalve veroordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Buitenvervolgingstelling - Burgerlijke partij - Rechtsplegingsvergoeding - Ambtshalve veroordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor strafrecht [T.Strafr.] - 2020, nr. 6, p. 422-

  1. - LAMBRECHTS, Joris; Noot'De rechtsplegingsvergoeding in strafzaken: ambsthalve veroordeling in de onderzoeksfase mogelijk en zelfs verplicht, of toch niet?' Tekst van de beslissing Nr. P.19.1161.N R. M., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen K. I. M. V., inverdenkinggestelde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 november
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 128 en 162bis Wetboek van Strafvordering: het arrest, dat de beschikking tot buitenvervolgingstelling bevestigt, veroordeelt de eiseres ten onrechte tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster voor de procedure in hoger beroep; uit voormeld artikel 162bis volgt dat op het enkele hoger beroep van een in het ongelijk gestelde burgerlijke partij de rechter niet verplicht is om deze partij te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding.
  4. Artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij, of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot het aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijke aansprakelijke persoon betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis”.
  5. Deze bepaling is enkel van toepassing op de procedure voor de vonnisgerechten en niet op de procedure voor de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 2°, en 3°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het ultra petita-beginsel: het arrest veroordeelt de eiseres tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster hoewel deze partij geen rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd en hier geen debat over werd gevoerd; aldus doen de appelrechters uitspraak over een niet-gevorderde zaak.
  7. Artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  8. Artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de raadkamer beslist dat er geen reden is tot vervolging en het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter, de burgerlijke partij wordt veroordeeld tot het betalen aan de inverdenkinggestelde van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.
  9. Uit die bepaling volgt dat het gebrek aan een daartoe strekkende vordering het onderzoeksgerecht niet verhindert om ingeval van een buitenvervolgingstelling na een gerechtelijk onderzoek opgestart op initiatief van een burgerlijke partij, de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij ambtshalve te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de in het gelijk gestelde inverdenkinggestelde. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet: in zoverre artikel 128 Wetboek van Strafvordering het onderzoeksgerecht verplicht om ambtshalve de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding, terwijl artikel 162bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering voor de rechter ten gronde enkel de mogelijkheid voorziet om de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij tot deze kosten te veroordelen, bestaat er een niet te verantwoorden onderscheid tussen burgerlijke partijen die zich in eenzelfde situatie bevinden. De eiseres verzoekt het Hof dan ook volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 128, tweede lid, juncto 162bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die mate dat, bij buitenvervolgingstelling in de fase van regeling van de rechtspleging, de burgerlijke partijen “worden” veroordeeld tot betaling van een vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek aan de inverdenkinggestelde, terwijl de burgerlijke partijen die na rechtstreekse dagvaarding of op louter hoger beroep hunnerzijds “kunnen” worden veroordeeld tot betaling van een dergelijke vergoeding?”.
  11. De voorgestelde prejudiciële vraag berust op de onjuiste rechtsopvatting dat artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering het onderzoeksgerecht verplicht om ambtshalve de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de in het gelijk gestelde inverdenkinggestelde. Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,61 euro waarvan 55,61 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 17 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.18 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.