← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.5 Rolnummer: P.19.1118.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 666 - laatst gezien 2026-06-29 06:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof volgt dat wanneer de schuldvraag niet in het verzoekschrift of in het grievenformulier werd aangeduid en een nieuwe element opduikt, de appelrechter enkel ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de bij hem aanhangig gemaakte feiten geen misdrijf zijn, als dat element voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: - het gegeven is opgedoken na het verstrijken van de beroepstermijn; - enkel de appelrechter heeft van dat element kennis kunnen nemen, met uitsluiting van de eerste rechter; - het opduiken van het element kon niet worden voorzien, zodat de appellant et niet in eerste aanleg heeft kunnen aanvoeren en daarmee evenmin rekening heeft kunnen houden in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier; - het element blijkt voldoende waarschijnlijk of doorslaggevend te zijn om als grondslag voor een nieuw middel te kunnen dienen dat kan aantonen dat de feiten geen misdrijf zijn; de appelrechter beoordeelt onaantastbaar of dat element aan die voorwaarden voldoet

(1).
(1)GwH, 16 mei 2019, nr. 67/2019; Cass. 29 mei 2019, AR P.18.0636.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.1, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Grieven - Nieuw element - Ambtshalve opwerpen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.19.1118.N J. G. F. L. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 4 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 210 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis weigert ten onrechte eisers schuld aan de hem ten laste gelegde feiten te onderzoeken; de eiser heeft voor het eerst in hoger beroep een verklaring van M.V. voorgelegd waaruit blijkt dat deze persoon mogelijkerwijze het voertuig aan M. heeft toevertrouwd, zonder dat deze laatste over het daartoe vereiste rijbewijs beschikte; de appelrechters houden ten onrechte geen rekening met deze verklaring en beoordelen evenmin of deze verklaring een "nieuw element" vormt dat een nieuwe beoordeling van de schuldvraag in de zin van artikel 210 Wetboek van Strafvordering toelaat.
  4. Krachtens artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt het verzoekschrift, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven, met inbegrip van de procedurele grieven. Artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op: - zijn bevoegdheid; - de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt; - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten".
  5. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen. De appellant wordt door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde kan dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren. Uit de wetgeschiedenis volgt tevens dat de appelrechter enkel de door de partijen in hun verzoekschrift of grievenformulier opgeworpen grieven mag onderzoeken, waarbij hij, zo daartoe grond bestaat, in de regel enkel de in artikel 210 Wetboek van Strafvordering bepaalde middelen van openbare orde mag opwerpen binnen zijn saisine zoals die voortvloeit uit die grieven.
  6. In zijn arrest nr. 67/2019 van 16 mei 2019 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 210 Wetboek van Strafvordering een schending inhoudt van artikel 13 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, in zoverre de appelrechter bij wie de schuldvraag niet aanhangig is, niet ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn wanneer dat een gevolg is van een nieuw element dat is opgedoken na de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep. Het Grondwettelijk Hof steunt dit oordeel op de volgende motieven: - in geval er een "nieuw element" opduikt waarvan alleen de appelrechter kennis zou kunnen hebben, met uitsluiting van de eerste rechter, en dat een weerslag kan hebben op de schuld, is de onmogelijkheid voor de appelrechter om een middel van openbare orde dat is afgeleid uit het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, in de zin van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering, ambtshalve op te werpen buiten de grieven in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering, omdat de schuldigverklaring in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier niet is beoogd, onevenredig ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter, in zoverre zij het hoger beroep in strafzaken uitholt, terwijl het bij de rechterlijke instantie aanhangig is gemaakt (B.15.1); - die vaststelling geldt in de hypothese van een "nieuw element" wanneer dat "nieuwe element" is opgevat als een element dat is opgedoken na de neerlegging van het verzoekschrift in hoger beroep, waarvan alleen de appelrechter kennis zou kunnen hebben met uitsluiting van de eerste rechter, en dat bijgevolg als grondslag zou kunnen dienen voor een nieuw middel, dat in geen geval aan de eerste rechter had kunnen worden voorgelegd en dat het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, zou kunnen aantonen en bijgevolg een weerslag zou kunnen hebben op de schuld, zelfs indien de schuldvraag in het verzoekschrift of in het grievenformulier niet is beoogd. Het onvoorzienbare karakter van dat "nieuwe element" belet per definitie dat de appellant daarmee rekening heeft kunnen houden wanneer hij zijn grieven heeft bepaald (B.15.2, eerste alinea); - het feit dat de schuldvraag in het verzoekschrift niet is beoogd, kan ten aanzien van dat "nieuwe element", dat intrinsiek onvoorzienbaar is en dat bijgevolg onmogelijk in eerste aanleg kon worden voorgelegd, niet betekenen dat de appellant ervan zou hebben afgezien zijn schuld te betwisten, noch dat de appelrechter niet ambtshalve kan beslissen dat hij niet schuldig is (B.15.
  7. tweede alinea).
  8. Uit het voorgaande volgt dat wanneer de schuldvraag niet in het verzoekschrift of in het grievenformulier werd aangeduid en een nieuw element opduikt, de appelrechter enkel ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de bij hem aanhangig gemaakte feiten geen misdrijf zijn, als dat element voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: - het gegeven is opgedoken na het verstrijken van de beroepstermijn; - enkel de appelrechter heeft van dat element kennis kunnen nemen, met uitslui-ting van de eerste rechter; - het opduiken van het element kon niet worden voorzien, zodat de appellant het niet in eerste aanleg heeft kunnen aanvoeren en daarmee evenmin rekening heeft kunnen houden in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier; - het element blijkt voldoende waarschijnlijk of doorslaggevend te zijn om als grondslag voor een nieuw middel te kunnen dienen dat kan aantonen dat de feiten geen misdrijf zijn. De appelrechter beoordeelt onaantastbaar of dat element aan die voorwaarden voldoet.
  9. De eiser heeft in zijn tweede appelconclusie de vrijspraak gevraagd met verwijzing naar een voor het eerst in hoger beroep voorgelegde schriftelijke verklaring van een persoon die beweert dat zij dan wel een derde mogelijkerwijze het voertuig heeft toevertrouwd aan M.
  10. Uit het bestreden vonnis blijkt niet dat de appelrechters, die vaststellen dat de schuldvraag bij hen niet aanhangig was, hebben onderzocht of de door de eiser overgelegde schriftelijke verklaring een nieuw element kon zijn dat voldeed aan de bovenvermelde voorwaarden. Aldus hebben de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  11. De middelen die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en beslist dat de eiser geen grief tegen de schuldvraag heeft aangeduid. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 202,02 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 17 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.