← België

B. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.8 Rolnummer: P.20.0078.N Zaak: B. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 712 - laatst gezien 2026-06-29 05:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een verzoek tot onttrekking kan slechts gegrond worden verklaard als alle rechters van de rechtbank niet in staat zijn op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen over de vermelde zaak of indien bij partijen, derden of zelfs de publieke opinie daarover redelijkerwijze twijfel zou kunnen bestaan

(1).
(1)Cass. 23 juni 2015, AR P.15.0813.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.8, AC 2015, nr. 432; Cass. 20 februari 2014, AR C.12.0053.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11 en C.12.0054.N, AC 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering tot onttrekking - Gewettigde verdenking - Gegrondheid - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 542 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0078.N L. B., verzoekster tot verwijzing van de ene rechtbank naar de andere wegens gewettigde verdenking, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, in zake van
  2. L. B., voornoemd, moeder van een minderjarige,
  3. K. J., met als raadsman mr. Patrick Jackers, advocaat bij de balie Leuven, vader van een minderjarige,
  4. G. J., met als raadsman mr. Evelien Beyens, advocaat bij de balie Limburg, minderjarige. I. VOORAFGAANDE PROCEDURE
  5. De verzoekster heeft op 15 januari 2020 ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingediend dat de onttrekking beoogt aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg wegens gewettigde verdenking van de zaak aanhangig bij de jeugdrechtbank Limburg, afdeling Hasselt, gekend onder nummer 131.M.2018, HA.42.98.367/18, voorheen bij de jeugdrechtbank Limburg, afdeling Tongeren, gekend onder nummer 108.M.2018, TG 43.97.291/
  6. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt ervan deel uit.
  7. Bij arrest van 11 februari 2020 heeft het Hof: - beslist dat er geen redenen zijn om het verzoek dadelijk als kennelijk niet ontvankelijk te verwerpen; - bevolen dat het arrest met het eraan gehechte verzoekschrift en de bijgevoegde stukken binnen de acht dagen zou worden medegedeeld aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, teneinde binnen de maand na de datum van het arrest en na overleg met de leden van dit gerecht, de in artikel 545, vierde lid, 1°, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven verklaring op de uitgifte van dit arrest te stellen; - de mededeling bevolen van de voormelde stukken aan de niet-verzoekende partijen in de zaak, met de vermelding dat hun conclusies ter griffie van het Hof dienden te worden neergelegd binnen de maand na datum van het arrest; - de zaak voor verschijning vastgesteld op de rechtszitting van 17 maart 2020 om 9.30 uur, van deze kamer van het Hof; - gezegd dat op de rechtszitting van 17 maart 2020 raadsheer Filip Van Volsem verslag zou uitbrengen; - de beslissing over de kosten aangehouden.
  8. Op 6 maart 2020 werd ter griffie van het Hof de door artikel 545, vierde lid, 1°, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven verklaring ontvangen, opgesteld door de voorzitter van het rechtscollege in overleg met de betrokken leden van dit rechtscollege.
  9. Op 10 maart 2020 werd ter griffie van het Hof een conclusie van de niet-verzoekende partij K. J. ontvangen. II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  10. Het verzoek tot onttrekking aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg wegens gewettigde verdenking van de voormelde zaak is ontvankelijk.
  11. Dit verzoek kan slechts gegrond worden verklaard als alle rechters van de rechtbank van eerste aanleg Limburg niet in staat zijn op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen over de vermelde zaak of indien bij partijen, derden of zelfs de publieke opinie daarover redelijkerwijze twijfel zou kunnen bestaan.
  12. De verzoekster voert ter staving van haar verzoek het volgende aan: - het geheel van incidenten bij en na "de verhuis" van de afdeling Tongeren naar de afdeling Hasselt van de rechtbank van eerste aanleg Limburg van het VOS-dossier betreffende de dochter van de verzoekster en meer bepaald de niet-tegensprekelijke verzending van dit dossier op 5 juni 2018 door de rechtbankvoorzitter naar Hasselt via tussenkomst en met medeweten van verschillende magistraten, evenals de onduidelijke en tegenstrijdige communicatie rond de reden van verzending; - de communicaties tussen en door verschillende magistraten bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg over het dossier van de verzoekster; - de vastgestelde traagheid van behandeling van het VOS-dossier door de afdeling Hasselt na de verzending; - de incidenten en het verloop van het VOS-dossier voor de jeugdrechtbank, afdeling Hasselt, na de verzending; - de onderlinge "verwevenheid" tussen bepaalde partijen; - de gezegdes door de afdelingsvoorzitter van de afdeling Hasselt aan de verzoekster tijdens de bespreking van 27 mei 2019 die op haar verzoek plaatsvond en de verdere communicatie in dat verband.
  13. Het staat aan de verzoekster de gronden waarop haar verzoek tot onttrekking van de zaak wegens gewettigde verdenking is gesteund, voldoende te onderbouwen. Loutere beweringen op dat vlak volstaan daartoe niet. In de mate dat de beweringen van de verzoekster geen steun vinden in de aan het Hof voorgelegde stukken of door die stukken zelfs worden tegengesproken, kunnen zij onmogelijk haar verzoek tot onttrekking schragen.
  14. De in het verzoekschrift vermelde elementen, voor zover ze blijken uit de aan het Hof voorgelegde stukken, laten, op zichzelf beschouwd en zelfs in onderlinge samenhang gelezen, niet het oordeel toe dat alle rechters van de rechtbank van eerste aanleg Limburg niet in staat zouden zijn op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de voormelde zaak of dat bij partijen, derden of zelfs de publieke opinie daarover redelijkerwijze twijfel zou kunnen bestaan. De aangevoerde elementen, voor zover ze afdoende uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijken, tonen geen schijn van partijdigheid van institutionele en organisatorische aard aan.
  15. Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt niet dat: - de door de verzoekster in haar verzoek vermelde magistraten zich bij hun beslissingen of hun houding zouden hebben laten leiden door informatie die zij op eenzijdige wijze zouden hebben vernomen van de familie J. of dat "men achter de schermen heeft gecommuniceerd"; - de behandeling van de zaak door de afdeling Hasselt van de rechtbank van eerste aanleg Limburg door een doorgedreven traagheid is gekenmerkt; - mr. Patrick Jackers niet de werkelijke raadsman is van K. J., maar dat dit wel mr. Elke Jackers, zijnde de zuster van K. J., zou zijn, die banden zou hebben met de rechtbank van eerste aanleg Limburg.
  16. Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt evenmin dat jeugdrechter Corstens bij de behandeling van de zaak tegenover de verzoekster "een verregaande vorm van vijandigheid" zou hebben betoond, of dat haar houding, haar gezegdes en haar beslissingen onder meer wat betreft de aanwezigheid van de minderjarige op een rechtszitting, een grond tot gewettigde verdenking zouden kunnen opleveren. Er moet in dat verband worden vastgesteld dat het wrakingsverzoek dat de verzoekster tegen deze jeugdrechter heeft ingediend bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 januari 2019 deels onontvankelijk werd verklaard wegens laattijdigheid en voor het overige ongegrond.
  17. De beschikking van 5 juni 2018 waarbij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Limburg het VOS-dossier betreffende de dochter van de verzoekster heeft onttrokken aan een rechter van de jeugdrechtbank, afdeling Tongeren en heeft toevertrouwd aan een rechter van de jeugdrechtbank, afdeling Hasselt, noch de omstandigheden waarin dit is gebeurd, bieden een afdoende grondslag voor een onttrekking van de zaak wegens gewettigde verdenking. Voor die beschikking bestaat een wettelijke grondslag, namelijk artikel 90 Gerechtelijk Wetboek, welke niet voorziet in een tegensprekelijke procedure. Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt bovendien niet dat de verzoekster voor de jeugdrechtbank, afdeling Hasselt, een verdelingsincident als bedoeld door artikel 88 Gerechtelijk Wetboek heeft ingeroepen. Overigens zou het enkele gegeven dat de beschikking van 5 juni 2018 geen afdoende grondslag vindt in artikel 90 Gerechtelijk Wetboek als dusdanig geen grond tot gewettigde verdenking opleveren.
  18. De omstandigheid dat ter uitvoering van een door de voorzitter van een rechtscollege uitgevaardigde richtlijn de rechters van zijn rechtscollege hem dienen in te lichten indien een advocaat die geregeld actief is bij het rechtscollege als procespartij in een zaak betrokken is en dit problemen zou kunnen opleveren voor een onpartijdige en onafhankelijke behandeling van de zaak, zodat desgevallend de noodzakelijke maatregelen kunnen worden genomen, levert geen grond op voor een verzoek tot onttrekking wegens gewettigde verdenking. Een dergelijke richtlijn, alsook de verdere uitvoering ervan met inbegrip van de communicaties tussen de rechters, de griffiers en de voorzitter via de hiërarchische lijn en eventuele contacten in dat verband tussen de voorzitter, de rechters en de stafhouder, beogen integendeel te verzekeren dat op onafhankelijke en onpartijdige wijze recht wordt gesproken. Het gegeven dat die communicaties niet voorafgaandelijk aan de verzoekster worden voorgelegd, levert evenmin een grond op van gewettigde verdenking.
  19. Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat de communicaties tussen de vermelde magistraten van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, de griffiers, de voorzitter en de stafhouder een gevolg zijn van de houding van de verzoekster zelf en uitsluitend als doel hadden een onafhankelijke en onpartijdige behandeling van de zaak te verzekeren. Uit de inhoud van deze communicaties of het gegeven dat zij volgens de verzoekster onjuiste informatie zouden bevatten, kan geen grond van gewettigde verdenking worden afgeleid.
  20. Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt evenmin dat het overleg waaraan werd deelgenomen door de afdelingsvoorzitster van de afdeling Hasselt, de stafhouder, de verzoekster zelf en haar raadsman, na de verwerping van het wrakingsverzoek van de verzoekster van jeugdrechter Corstens waarin ook opgave werd gedaan van aan de afdelingsvoorzitster toegeschreven feitelijkheden, alsook de communicaties die in dat verband werden verricht, enige grond tot gewettigde verdenking opleveren.
  21. Ten slotte kan uit het gegeven dat er bepaalde contacten zouden bestaan of bestaan hebben tussen sommige griffiers en rechters van de rechtbank van eerste aanleg Limburg en de familie J. en meer bepaald E. J. voornoemd, geen grond van gewettigde verdenking worden afgeleid.
  22. Het Hof gaat voor het overige niet in op de door de verzoekster in haar verzoek en door K. J. in zijn conclusie ontwikkelde beschouwingen betreffende de zaak ten gronde en nevenprocedures op straf- en burgerrechtelijk vlak die naar het oordeel van het Hof geen relevantie hebben voor de beoordeling van het verzoek tot onttrekking van de zaak aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg.
  23. Het verzoek tot onttrekking wegens gewettigde verdenking is ongegrond. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek tot onttrekking aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg wegens gewettigde verdenking van de zaak aanhangig bij de jeugdrechtbank Limburg, afdeling Hasselt, gekend onder nummer 131.M.2018, HA.42.98.367/18, voorheen bij de jeugdrechtbank Limburg, afdeling Tongeren, gekend onder nummer 108.M.2018, TG 43.97.291/
  24. Veroordeelt de verzoekster tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 17 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210908.2F.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.