← België

NYRSTAR BELGIUM nv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.2 Rolnummer: F.19.0025.N Zaak: NYRSTAR BELGIUM nv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-04-07 Raadplegingen: 1543 - laatst gezien 2026-06-29 06:56 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200319.1N.2 Fiche 1 De interest van een lening die door een vennootschap werd aangegaan voor de financiering van een kapitaalvermindering of dividenduitkering kan niet als beroepskost worden aangemerkt op grond van artikel 52, 2° WIB92 zonder dat de belastingplichtige bewijst dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 49, eerste lid WIB92

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Intresten ter financiering van een kapitaalvermindering of dividenduitkering - Aftrekbaarheidsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 49 en 52, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 De loutere omstandigheid dat een vennootschap op het ogenblik dat zij betalingen moet uitvoeren, over onvoldoende liquiditeiten beschikt en bijgevolg een lening aangaat om die betalingen uit te voeren, volstaat niet als bewijs dat de aan die lening verbonden interestlasten als beroepskost aftrekbaar zijn; de vennootschap dient immers te bewijzen dat die interestlasten strekken tot het verkrijgen of het behouden van belastbare inkomsten, wat onder meer kan door aan te tonen dat de lening werd aangegaan om het verlies te voorkomen van activa die worden gebruikt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Intresten ter financiering van een kapitaalvermindering of dividenduitkering - Aftrek - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2021, nr. 40, p. 5-
  1. - GNEDASJ, Svjatoslav; Noot'Aftrek leningskost voor superdividend: BBI en Antwerps hof doen Duvel den duivel aan' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0025.N NYRSTAR BELGIUM nv, met zetel te 2490 Balen, Zinkstraat 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0865.131.221, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 mei
  3. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 10 februari 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 49, eerste lid, WIB92 zijn de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, als beroepskosten aftrekbaar.
  5. Krachtens artikel 52, 2°, WIB92 wordt de interest van aan derden ontleende en in de onderneming gebruikte kapitalen alsmede alle lasten, renten en soortgelijke uitkeringen betreffende die onderneming, als beroepskost aangemerkt.
  6. Deze wetsbepalingen zijn krachtens artikel 183 WIB92 van toepassing in de vennootschapsbelasting.
  7. De interest van een lening die door een vennootschap werd aangegaan voor de financiering van een kapitaalvermindering of dividenduitkering kan als beroepskost worden aangemerkt, mits de belastingplichtige bewijst dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 49, eerste lid, WIB
  8. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat zulke interest als beroepskost kan worden aangemerkt op grond van artikel 52, 2°, WIB92 zonder dat aan de voorwaarden van artikel 49, eerste lid, WIB92 moet zijn voldaan, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Tweede onderdeel
  9. Kosten die verband houden met het bestaan en de werking van de vennootschap, zoals de interestlasten van een lening die wordt aangegaan voor de financiering van een kapitaalvermindering of dividenduitkering, zijn niet noodzakelijk als beroepskost aftrekbaar met toepassing van artikel 49 WIB
  10. Daartoe is vereist dat de vennootschap bewijst dat die interestlasten strekken tot het verkrijgen of het behouden van belastbare inkomsten. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. (…) Tweede middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  11. Een vennootschap die een lening aangaat voor de financiering van de betalingen die voortvloeien uit een beslissing tot kapitaalvermindering of dividenduitkering, kan de aan die lening verbonden interestlasten als beroepskost aftrekken met toepassing van artikel 49 WIB92 indien zij aantoont dat de interestlasten, en dus niet de kapitaalvermindering of dividenduitkering zelf, voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van de genoemde wetsbepaling.
  12. De loutere omstandigheid dat een vennootschap op het ogenblik dat zij betalingen moet uitvoeren, over onvoldoende liquiditeiten beschikt en bijgevolg een lening aangaat om die betalingen uit te voeren, volstaat niet als bewijs dat de aan die lening verbonden interestlasten als beroepskost aftrekbaar zijn. De vennootschap dient immers te bewijzen dat die interestlasten strekken tot het verkrijgen of het behouden van belastbare inkomsten. Zij kan dit onder meer door aan te tonen dat de lening werd aangegaan om het verlies te voorkomen van activa die worden gebruikt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
  13. De appelrechters stellen vast dat “[de eiseres] stelt dat de lening die aanleiding gaf tot de intrestlasten werd aangegaan na de beslissing tot kapitaalvermindering en dividenduitkering om, bij gebrek aan voldoende liquiditeiten om de kapitaalvermindering en dividenduitkering in cash te kunnen uitvoeren, alle inkomstengenererende activa van [de eiseres] (en in het bijzonder een intragroepsvordering, verschillende deelnemingen en al haar operationele activa) te kunnen behouden, in plaats van bepaalde van die activa te moeten verkopen of in natura uit te keren om aan de schuld die ontstaan is naar aanleiding van de kapitaalvermindering/dividenduiterking te kunnen voldoen”. De appelrechters oordelen dat “[de eiseres] echter geen stukken [bijbrengt] waaruit blijkt dat de lening werkelijk werd aangegaan met het oog op het verkrijgen of het behoud van haar actiefbestanddelen en dat dienvolgens de intrestlasten werden gedaan of gedragen met het oog op het verkrijgen of het behoud van belastbare inkomsten uit deze activa”. Ook al betwisten de appelrechters niet dat de eiseres op het moment van de kapitaalvermindering en dividenduitkering niet over voldoende liquiditeiten beschikte om de betalingen aan de aandeelhouders te doen, vermochten zij aldus de toepassing van artikel 49 WIB92 uit te sluiten. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen.
  14. De motivering van het arrest met betrekking tot de toepassing van artikel 49, eerste lid, WIB92 laat het Hof toe om de wettigheid ervan na te gaan. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 258,13 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200319.1N.2 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.