← België

BELGISCHE STAAT contra FINANCIERE SAINTE-GUDULE cvba

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.3 Rolnummer: F.16.0110.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra FINANCIERE SAINTE-GUDULE cvba Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-04-07 Raadplegingen: 442 - laatst gezien 2026-06-28 07:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche De omstandigheid dat niet de belastingschuldige maar een derde overging tot de betaling van de belastingschuld, maakt niet dat de administratie in een ongunstiger positie kan worden geplaatst dan in geval van een betaling door de belastingschuldige zelf; hieruit vloeit voort dat ingeval de vordering tot terugbetaling wordt ingesteld door een derde-betaler, de administratie die gehouden is tot terugbetaling van onverschuldigde belastingen, gerechtigd is om tot schuldvergelijking over te gaan met door de belastingschuldige nog verschuldigde belastingen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Vrije woorden: Fiscale schuld betaald door een derde - Bezwaar door de belastingplichtige - Teruggave van de belastingen - Rechthebbende van de teruggave - Mogelijkheid tot schuldvergelijking Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 334, § 1 - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Tekst van de beslissing Nr. F.16.0110.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, tegen FINANCIERE SAINTE-GUDULE cvba, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Goedeleplein 19, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/

  1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 april
  2. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 10 februari 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Zesde onderdeel
  3. Krachtens artikel 1236 Burgerlijk Wetboek kan een betaling, in beginsel, gebeuren door een derde. Ook een belastingschuld kan, in beginsel, door een derde worden betaald.
  4. Krachtens artikel 1376 Burgerlijk Wetboek is diegene die onverschuldigd een betaling heeft ontvangen, verplicht deze terug te geven.
  5. Indien een schuld door een derde werd betaald en achteraf blijkt dat deze betaling onverschuldigd was, dan kan uitsluitend de betaler het onverschuldigde van de ontvanger terugvorderen.
  6. De beginselen van het burgerlijk recht in verband met de terugvordering van hetgeen onverschuldigd werd betaald, zijn in belastingzaken enkel van toepassing voor zover de wet er niet uitdrukkelijk of stilzwijgend van afwijkt.
  7. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 334, § 1, eerste lid, Programmawet van 27 december 2004, kan elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist. Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling blijft het voorgaande lid van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of insolvabiliteitsprocedure. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 334 de mogelijkheid van schuldvergelijking heeft verruimd ten voordele van de Staat inzonderheid door te bepalen dat de schuldvergelijking na samenloop ook mogelijk is voor niet-samenhangende vorderingen.
  8. Uit het vorenstaande volgt dat de omstandigheid dat niet de belastingschuldige maar een derde overging tot de betaling van de belastingschuld, de administratie niet in een ongunstiger positie kan worden geplaatst dan in geval van een betaling door de belastingschuldige zelf. Hieruit vloeit voort dat ingeval de vordering tot terugbetaling wordt ingesteld door een derde-betaler, de administratie die gehouden is tot terugbetaling van onverschuldigde belastingen, gerechtigd is om tot schuldvergelijking over te gaan met door de belastingschuldige nog verschuldigde belastingen.
  9. De appelrechters stellen vast dat: - de verweerster in het kader van haar statutair doel de belastingschuld van Reliance Corporation nv betaalde; - de rechtbank van eerste aanleg te Brussel nadien bij vonnis van 13 juni 2002 overging tot een gedeeltelijke ontheffing van de belastingschuld voor de aanslagjaren 1991, 1992, 1993 en 1994; - dit vonnis in essentie werd bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 september 2006; - de verweerster bij dagvaarding van 24 juli 2008 een vordering instelde tegen de eiser op grond van de onverschuldigde betaling; - de eiser op 5 augustus 2008 en 25 november 2008 overging tot schuldvergelijking met het oog op betaling door Reliance Corporation nv van de nog niet betaalde belastingschuld voor de aanslagjaren 1996 en
  10. De appelrechters die oordelen dat de eiser niet is gerechtigd om over te gaan tot schuldvergelijking met het oog op betaling door Reliance Corporation nv van de nog niet betaalde belastingschuld, schenden artikel 334, § 1, Programmawet van 27 december
  11. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.