id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.6 Rolnummer: F.16.0119.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-04-07 Raadplegingen: 333 - laatst gezien 2026-06-28 07:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche De gezamenlijke aanslag waarin de verhoging van de belastingvrije som voor de kinderen werd aangerekend op de inkomsten van de echtgenoot die tewerkgesteld is bij een internationale organisatie en die als echtgenoot met de hoogste inkomsten geniet van een vrijstelling met progressievoorbehoud, steunt op de wijze van aanrekening van artikel 134 WIB92 die strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Eurocontrol - Verdrag - Personeel - Rijksinwoner - Salarissen en lonen - Personenbelasting - Vrijstelling met progressievoorbehoud - Verhoging van de belastingvrije som - Wijze van aanrekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 134 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.16.0119.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Directe belastingen, P Centrum Leuven, met kantoor te 3001, Philipssite 3 A, 5de verdieping, eiser, tegen
- L. S.,
- M. V. M., verweerders, met als raadsman mr. Jordan Oprenyeszk, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Brand Whitlocklaan
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 25 juni 2014 en 3 februari
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 10 februari 2020 een schriftelijk conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 132 WIB92 wordt het bedrag dat krachtens artikel 131 wordt vrijgesteld, verhoogd met toeslagen voor onder meer kinderen ten laste. Krachtens artikel 134, § 1, eerste lid, WIB92 wordt de belastingvrije som per belastingplichtige vastgesteld als het totaal van het, eventueel verhoogde, basisbedrag en de toeslagen vermeld in de artikelen 132 en
- Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling, zoals hier van toepassing, worden, wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, de toeslagen vermeld in artikel 132 aangerekend bij de belastingplichtige met het hoogste belastbare inkomen. Wanneer het belastbare inkomen van één van beide belastingplichtigen lager is dan zijn belastingvrije som, wordt het saldo bij de belastingvrije som van de andere belastingplichtige gevoegd.
- Het Grondwettelijk Hof oordeelt in zijn arrest nr. 111/2017 van 12 oktober 2017 als volgt: "B.9.
- Het in het geding zijnde artikel 134 van het WIB 1992 legt geen onderling verband tussen de belastingvoordelen die worden toegekend aan de ambtenaren van Eurocontrol en de verhoging van de belastingvrije som die de belastingplichtigen in beginsel kunnen genieten wanneer zij kinderen ten laste hebben. De echtparen waarvan de echtgenoot met het hoogste inkomen ambtenaar bij Eurocontrol is, kunnen de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen niet genieten, niet omdat zij een gelijkwaardig voordeel krachtens de op hen toepasselijke reglementering genieten, maar alleen omdat het voordeel ervan wordt geneutraliseerd door de wijze van aanrekening waarin het genoemde artikel 134 voorziet. Het gegeven dat de betrokken echtparen automatisch worden uitgesloten van het voordeel van de verhoging voor kinderen ten laste, zonder rekening te houden met de omvang van het belastingvoordeel dat met toepassing van hun statuut wordt toegekend, waarborgt de betrokken echtparen niet dat hun gezinssituatie op identieke wijze zal worden behandeld als die van de echtparen die geen vrijgestelde inkomsten ontvangen". Het Grondwettelijk Hof beslist op die grond dat artikel 134 WIB92 de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het de ingezeten echtparen voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en waarvan een van de echtgenoten - te dezen diegene die daadwerkelijk de hoogste inkomsten ontvangt - een wedde ontvangt die afkomstig is van een internationale organisatie en die bij overeenkomst is vrijgesteld onder progressievoorbehoud, de verhoging van de belastingvrije som voor kinderen ten laste ontzegt.
- Het bestreden arrest van 25 juni 2014 dat beslist tot de onwettigheid van de betwiste gezamenlijke aanslag waarin de verhoging van de belastingvrije som voor de kinderen werd aangerekend op de inkomsten van de echtgenoot die tewerkgesteld is bij een internationale organisatie en die als echtgenoot met de hoogste inkomsten geniet van een vrijstelling met progressievoorbehoud, is naar recht verantwoord aangezien die wijze van aanrekening die steunt op artikel 134 WIB92 strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het onderdeel dat, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, is, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden en mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is. Derde onderdeel
- De appelrechters oordelen dat artikel 3 van het voormelde Additioneel Protocol de bevoegdheid van de eiser beperkt tot het vaststellen van de voor de overige inkomsten geldende belasting en leiden uit deze verdragsbepaling af dat met de vrijgestelde inkomsten van de eerste verweerder geen rekening mag gehouden worden voor de bepaling van de eventueel verhoogde belastingvrije som en toeslagen in hoofde van zijn echtgenote. Zij dienden aldus niet meer te antwoorden op het in het onderdeel bedoelde verweer dat niet meer dienend was. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 138,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div