← België

ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1

Obsah (5)Art. 43qArt. 61bisArt. 47bisArt. 88bisArt. 9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020

Art. 43quater, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Criminele organisatie - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Illegale vermogensvoordelen - Ganse vermogen van de criminele organisatie - Verplichte verbeurdverklaring - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 324bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 43q

uater, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 10 - 11 Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens valsheid en het gebruik van valse stukken, begint de verjaring van de strafvordering ten aanzien van beide misdrijven eerst te lopen vanaf het laatste gebruik; het gebruik van een vals stuk duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten, zonder dat hij zich ertegen verzet, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Beginpunt van de verjaringstermijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Laatste gebruik - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Verjaring strafvordering - Beginpunt - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 12 - 15 De strafrechter oordeelt onaantastbaar in feite of, naargelang het al dan niet verwezenlijkt zijn van het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttige gevolg dat hij van het valse stuk verwachtte, aan het gebruik van dat stuk een einde is gekomen, waardoor de verjaringstermijn van de strafvordering een aanvang neemt; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser gewenste uitwerking te hebben
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Beginpunt van de verjaringstermijn - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Laatste gebruik - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Verjaring strafvordering - Beginpunt - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Verjaring strafvordering - Beginpunt - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Verjaring van de strafvordering - Beginpunt - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 16 - 17 De rechter bepaalt onaantastbaar in feite wanneer het gebruik van valse stukken ophoudt te bestaan; aldus kan de rechter oordelen dat het einde van dat gebruik samenvalt met de ontdekking van de valsheid, die op haar beurt samenvalt met de formele inverdenkingstelling van een beklaagde door de onderzoeksrechter; behoudens daartoe strekkende conclusie verplicht geen enkele bepaling de rechter dat oordeel uitdrukkelijk toe te lichten. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Laatste gebruik - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Inverdenkingstelling van de verdachte - Beoordeling door de strafrechter - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 61bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Inverdenkingstelling van de verdachte - Beoordeling door de strafrechter - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 61bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 18 - 19 De verjaring van de strafvordering met betrekking tot fiscale valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, wegens het voortdurende gebruik van die stukken, begint niet te lopen zolang de verschuldigde belasting nog niet geheel en onvoorwaardelijk is betaald of zolang de fiscale administratie nog de mogelijkheid heeft, eventueel binnen een bijzondere of aanvullende termijn, de belastingen te vestigen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Fiscale valsheid - Beginpunt van de verjaringstermijn - Betaling belastingen of vestiging van belasting - Beoordeling door de strafrechter - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 450 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Strafvordering - Termijnen - Gebruik van valse stukken - Fiscale valsheid - Beginpunt van de verjaringstermijn - Betaling belastingen of vestiging van belasting - Beoordeling door de strafrechter - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 450 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 20 - 21 De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte van verklaringen zonder bijstand van een advocaat en met miskenning van de cautieplicht, leidt niet tot onontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot gebeurlijke uitsluiting van dit bewijs
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Verklaring van de verdachte - Gebrek aan bijstand van een advocaat - Sanctionering - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Grens Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Bewijs - Verklaring van de verdachte - Gebrek aan bijstand van een advocaat - Sanctionering - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Grens Fiches 22 - 24 Het recht op een eerlijk proces vereist slechts dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een kwetsbare positie bevindt; het staat aan de rechter om aan de hand van concrete gegevens van de zaak na te gaan of de beklaagde zich tijdens zijn verhoren in een bijzonder kwetsbare positie bevond en, zo dit het geval is, of het niet-uitsluiten van bepaalde verhoren die tijdens het strafonderzoek werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat of miskenning van de cautieplicht, tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel is miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op bijstand van een advocaat - Verhoor van de verdachte - Bewijs - Algemeen Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Verklaring van de verdachte zonder bijstand van een advocaat - Kwetsbare positie - Beoordeling door vonnisrechter - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op bijstand van een advocaat tijdens een verhoor verdachte - Begrip verdachte in een kwetsbare positie - Beoordeling door vonnisrechter - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Fiches 25 - 27 Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zich te incrimineren. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Verklaring van de verdachte zonder verwittiging van het zwijgrecht - Cautieplicht - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verklaring van de verdachte zonder verwittiging van het zwijgrecht - Cautieplicht - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Recht op bijstand van een advocaat - Verbod op zelfincriminatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 28 - 29 Artikel 47bis, § 6, 9) Wetboek van Strafvordering, in werking getreden op 27 november 2016, is niet van toepassing op verhoren die daarvoor zijn afgenomen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Recht op bijstand van een advocaat - Verbod op zelfincriminatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Verklaring van de verdachte - Geen recht op bijstand van een advocaat - Toelaatbaarheid van het bewijs - Verklaringen afgelegd voor 27 november 2016. - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 30 - 31 Noch artikel 6 EVRM, noch het recht van verdediging, verzetten zich ertegen dat het vonnisgerecht zich baseert op de beschikbare gegevens van het strafdossier; daartoe komen alle gegevens in aanmerking, waaronder de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht waaruit blijkt welke feiten wel en niet worden verwezen en de aan tegenspraak onderworpen informatie verstrekt door het openbaar ministerie; niet vereist is dat de vonnisrechter het nog bij de onderzoeksrechter aanhangige dossier inkijkt. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Bewijs - Beschikbare gegevens in het strafdossier - Verwijzingsbeschikking - Inzage dossier door vonnisrechter. - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Artt. 55, 127, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Beschikbare gegevens in het strafdossier - Verwijzingsbeschikking - Inzage dossier door vonnisrechter. - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Artt. 55, 127, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 32 - 33 De enkele omstandigheid dat een beklaagde in het gerechtelijk onderzoek dat voortduurt na zijn verwijzing, verdacht wordt van feiten die verwant zijn of lijken te zijn met deze waarvoor hij is verwezen, impliceert niet dat het om dezelfde feiten gaat, de zaak voor het vonnisgerecht niet in staat van wijzen is, dat de beklaagde voor dat gerecht zijn recht van verdediging niet te volle kan uitoefenen of dat hij nog voorwerp zal uitmaken van een tweede vervolging

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling der rechtspleging - Verwijzing van een deel van de feiten - Voorzetting van het onderzoek voor andere feiten - Recht op tegenspraak van de beklaagde - Beoordeling van de feitenrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Artt. 127, 130, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Informatie over feiten die nog het voorwerp blijven van een lopend gerechtelijk onderzoek - Beoordeling door vonnisrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Artt. 127, 130, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 34 Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven of met het recht op bescherming van persoonsgegevens, heeft niet steeds een miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg ; krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd; deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Bewijs verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Fiche 35 Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven of met het recht op bescherming van persoonsgegevens, heeft niet steeds een miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg ; krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd; deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht

(1).
(1)Zie concl. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Bewijs verkregen in strijd met het recht op bescherming van persoonsgegevens - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Fiches 36 - 37 Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven of met het recht op bescherming van persoonsgegevens, heeft niet steeds een miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg ; krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd; deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Gegevens verstrekt door telecom-operatoren - Gebrek aan regels over de bewaring van data - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Gegevens verstrekt door telecom-operatoren - Gebrek aan regels over de bewaring van data - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Fiches 38 - 39 Uit de bepalingen van de EU-Richtlijn 2010/64/EU, om te zetten naar Belgisch recht voor 27 oktober 2013, volgt dat elke beklaagde in de regel recht heeft op een schriftelijke vertaling voor de voor hem relevante stukken, die essentieel zijn voor zijn verweer; als essentiële stukken zijn aangemerkt: de beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging in de dagvaarding en de vonnissen; voor wat de andere processtukken betreft, oordeelt de rechter onaantastbaar of ze essentieel zijn voor de effectieve uitoefening van het recht van verdediging; hij kan daarbij alle relevante omstandigheden ter vrijwaring van dat recht in aanmerking nemen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op vertaling - Essentiële stukken voor de verdediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 28 oktober 2016 houdende verdere omzetting van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees ... - 28-10-2016 - Artt. 3.2 en 3.3 - 36 Link Justel databank 20161028-36 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2010/64 betreffende het recht op vertolking en vertaling - Recht op vertaling - Essentiële stukken voor de verdediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 28 oktober 2016 houdende verdere omzetting van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees ... - 28-10-2016 - Artt. 3.2 en 3.3 - 36 Link Justel databank 20161028-36 Fiches 40 - 41 Uit de bepalingen van de AWDA volgt dat het opsporen, vaststellen en vervolgen van inbreuken op de AWDA is toevertrouwd aan douaneambtenaren, die daartoe over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikken, zoals woningen visiteren en zaken in beslag nemen; douaneambtenaren zijn functioneel te beschouwen als agenten van gerechtelijke politie en kunnen in die hoedanigheid bijstand verlenen aan de gerechtelijke politie; dat deze ambtenaren, vanuit statutair oogpunt, geen politieambtenaren zijn en hun ambt niet uitoefenen onder het gezag van de minister van Justitie, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Douaneambtenaren - Onderzoeksbevoegdheden - Bijstand verlenen aan de gerechtelijke politie - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 175, 182, 189, 201, 267 en 273 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Artt. 3, 4°, en 5 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Douaneambtenaren - Onderzoeksbevoegdheden - Bijstand verlenen aan de gerechtelijke politie - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 175, 182, 189, 201, 267 en 273 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Artt. 3, 4°, en 5 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiche 42 Er bestaat geen algemene regel die bepaalt dat alle fiscale ambtenaren, wanneer ze zelf geen eigen douaneonderzoek als ambtenaar uitvoeren, op straffe van nietigheid van de akte van de rechtspleging, slechts als getuige mogen worden gehoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Fiscale ambtenaren - Medewerking aan het onderzoek - Verhoor als getuige - Algemeen Fiches 43 - 44 Artikel 87 Wet 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 verleent aan de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie (BBI) de machten van ambtenaren van alle fiscale administraties, en bijgevolg ook de machten van de ambtenaren van douane en accijnzen; wanneer de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie optreden inzake douane en accijnzen, geldt het verbod om anders dan als getuige op te treden derhalve niet; Het feit dat verschillende fiscale administraties door de wet zijn bekleed met verschillende bevoegdheden, zodat de rechten die de belastingplichtige kan laten gelden tegen de ene administratie niet van toepassing zijn op de andere administratie, houdt geen schending in van enige verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch miskenning van enig rechtsbeginsel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Bijzondere belastingsinspectie - Onderzoeksbevoegdheden - Douane en accijnzen - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 265 tot 286 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 - 08-08-1980 - Art. 87 - 01 ELI link Pub nr 1980080802 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen - 04-08-1986 - Artt. 63 en 72 - 38 Link Justel databank 19860804-38 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Bijzondere belastingsinspectie - Onderzoeksbevoegdheden - Douane en accijnzennn - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 265 tot 286 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 - 08-08-1980 - Art. 87 - 01 ELI link Pub nr 1980080802 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen - 04-08-1986 - Artt. 63 en 72 - 38 Link Justel databank 19860804-38 Fiches 45 - 47 Uit de Wet van 22 april 2003 volgt niet dat douaneambtenaren bij het verlenen van bijstand aan de gerechtelijke politie bekleed dienen te zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Douaneambtenaren - Bijstand aan gerechtelijke politie - Hulpofficier van de procureur des Konings - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 9

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen - 22-04-2003 - 34 ELI link Pub nr 2003003277 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douaneambtenaren - Bijstand aan gerechtelijke politie - Hulpofficier van de procureur des Konings - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 9

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen - 22-04-2003 - 34 ELI link Pub nr 2003003277 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Officier van gerechtelijke politie - Douaneambtenaren - Bijstand aan gerechtelijke politie - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 9

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen - 22-04-2003 - 34 ELI link Pub nr 2003003277 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0571.N I 1. MULTIFUTURE bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 2/101, beklaagde, 2. P. H. S., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. II R. M. E. A. M., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. III SOLITAIRE THE DIAMOND COMPANY bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 40 bus 11, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel. IV P. B. K., , beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel. V V. M. P., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel. VI M. M. V. S. V., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. VII EURASIA GEMS bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 30/113, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel. VIII S. K. M., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel. IX R. K. M., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel. X 1. BENELUX DIAMONDS bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Pelikaanstraat 62, beklaagde, 2. B. J. A. S., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. XI A. L. L. M., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. XII 1. YAELSTAR bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 30, bus 154, beklaagde, 2. M. S., beklaagde, eisers, met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Benjamin Gillard, beiden advocaat bij de balie Leuven. XIII BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de administratie van de douane en accijnzen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. DIABEX nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 2 bus 201, beklaagde, 2. N. J. M., beklaagde, 3. A. N. M., beklaagde, 4. D. A. D., beklaagde, 5. SPIDIAM bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 30, vertegenwoordigd door William STOOP, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 64 bus 2, in zijn hoedanigheid van curator, beklaagde, 6. S. A. S., beklaagde, 7. F. P., beklaagde, 8. S. D. P., beklaagde, 9. INTERNATIONAL DIAMONDS EXPORTERS bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 53, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I tot XII zijn gericht tegen het arrest nr. C/398/2019 van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 april 2019. Het cassatieberoep XIII is gericht tegen het arrest nr. C/399/2019 van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 april 2019. De eiseres I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers III, IV en V voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers VII, VIII en IX voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres X.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres X.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres XI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers XII.1 en XII.2 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, één middel aan. De eiser XIII doet afstand van zijn cassatieberoep. Op 11 februari 2020 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op 27 februari 2020 heeft de eiser VI een noot als bedoeld door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ter griffie van het Hof ingediend. Op 3 maart 2020 hebben de eisers XII.1 en XII.2 een noot als bedoeld door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ter griffie van het Hof ingediend. Op 4 maart 2020 heeft de eiser II een noot als bedoeld door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ter griffie van het Hof ingediend. Op de rechtszitting van 10 maart 2020 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest: - spreekt de eisers I.1 en I.2 gedeeltelijk vrij van de telastlegging C.III.1; - spreekt de eiser II gedeeltelijk vrij van de telastleggingen C.III.1, C.III.2, C.III.3, C.III.4.a, C.III.4.b, C.III.5, C.III.6, C.III.7, C.III.8, C.III.9, C.III.10.a, C.III.10.b, C.III.11, C.III.12, C.III.13, C.III.14, C.III.15, C.III.16; - spreekt de eisers X.1 en X.2 vrij van de telastleggingen C.II.1.b en H.1.c; - spreekt de eisers XII.1 en XII.2 gedeeltelijk vrij van de telastlegging C.III.16. 2. Het arrest verklaart de strafvordering niet ontvankelijk wat betreft de telastleggingen F.I.1.a, F.I.1.b, F.I.3.a, F.I.3.b, F.I.4, F.I.9, F.I.10, F.I.12, F.I.16, F.I.19, F.I.23, F.II.1, F.II.2, F.II.6, F.II.12, F.II.13, F.II.14 en F.II.16. 3. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de desbetreffende eisers, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I.1 en I.2 4. Het middel voert schending aan van de artikelen 194 tot 197 Strafwetboek, de artikelen 449 en 450 WIB92 en artikel 20 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het onder de telastlegging E.II bedoelde gebruik van valse stukken steeds nuttige uitwerking is blijven behouden minstens tot op het ogenblik van de verwijzingsbeslissingen, zodat de aanvang van de verjaringstermijn voor die telastlegging voor wat betreft de eisers I.1 en I.2 te bepalen is op 7 maart 2013; het steunt dat oordeel op de reden dat, vermits van algehele betalingen geen sprake is, het nuttige effect van het gebruik van een vals stuk in fiscalibus zich uitstrekt zolang de bevoegde belastingadministratie misleid wordt en in de mogelijkheid blijft aan de misleiding te remediëren; het motiveert deze beslissing tevens door te verwijzen naar de bijzondere aanslagtermijn bepaald in artikel 358, § 2, 2°, WIB92 en naar artikel 443ter, § 3, WIB92; met deze motivering interpreteert het arrest het "nuttige gevolg" op een wijze die de ratio van de wet overschrijdt en die leidt tot een quasi onverjaarbaarheid van de strafvordering; het enkele feit dat een bijkomende vestiging van de belasting mogelijk is, wil niet steeds zeggen dat er nog sprake is van een nuttig effect en dus een voortdurend gebruik van de valse stukken; het arrest laat na een onderscheid te maken tussen de volgende drie situaties:

  1. a)de administratie stelt zich geen vragen en gaat binnen de wettelijke termijnen over tot inkohiering volgens de aangifte, in welk geval het nuttige gevolg van het gebruik werd bereikt;
  2. b)de administratie betwist de waarachtigheid en onderneemt verdere stappen, in welk geval de administratie niet meer misleid is, er geen sprake meer is van valse stukken die zich aan het maatschappelijk vertrouwen opdringen en er dus ook geen gebruik meer is in de zin van de fiscale strafbepalingen;
  3. c)de betrokkene beroept zich in de nieuwe aanslagprocedures of bezwaarprocedures opnieuw op de valse stukken, in welk geval er sprake is van een nieuw gebruik, wat samen met de aangifte een voortgezet misdrijf is en dus het startpunt van de verjaring doet opschuiven; door dit onderscheid niet te maken, miskent het arrest de invulling van het wettelijk begrip fiscaal gebruik van valse stukken en plaatst het de aanvang van de verjaringstermijn op een tijdstip dat niet te verzoenen is met artikel 20 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; bovendien is de verwijzing naar de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358 WIB92 manifest in strijd met de gezaghebbende rechtsleer die stelt dat "de vestiging van de definitieve belasting" in de rechtspraak van het Hof verwijst naar de gewone aanslagtermijnen. 5. Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken, begint de verjaring van de strafvordering ten aanzien van beide misdrijven eerst te lopen vanaf het laatste gebruik. Het gebruik van een vals stuk duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten, zonder dat hij zich ertegen verzet, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte. 6. Artikel 450 WIB92 bestraft de valsheid die tot doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening van de inkomstenbelastingen, deze te ontwijken en de verplichting tot betaling ervan uit te stellen. 7. Hieruit volgt dat de verjaring van de strafvordering met betrekking tot fiscale valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, wegens het voortdurende gebruik van die stukken, niet begint te lopen zolang de verschuldigde belasting nog niet geheel en onvoorwaardelijk is betaald of zolang de fiscale administratie nog de mogelijkheid heeft, eventueel binnen een bijzondere of aanvullende termijn, de belastingen te vestigen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. De eisers I.1 en I.2 zijn met de telastlegging E.II.3 vervolgd voor het plegen van valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken met het bedrieglijk opzet om geen of geen correcte aangifte en geen of geen correcte betaling van de verschuldigde belastingen te verrichten, zoals verder omschreven in de telastlegging G. 9. Het arrest (p. 236-237) oordeelt onder meer dat: - het voorgehouden gebruik dat onder de telastlegging E.II ten laste wordt gelegd, tot doel had in de schoot van de betrokken vennootschappen blijvend te ontsnappen aan een juiste aangifte van de vennootschapsbelasting en de daaruit volgende betaling van de verschuldigde vennootschapsbelasting; - artikel 450 WIB92 specifiek de valsheid beoogt die tot doel heeft zowel de belastingadministratie te misleiden bij de berekening van de belastingen als de belasting niet te betalen of de betaling uit te stellen. De verjaring van de strafvordering met betrekking tot het gebruik van het valse stuk vangt dan aan op het ogenblik dat het gebruik ophoudt het gewenste gevolg te hebben, bijvoorbeeld bij algehele vereffening van de belastingschuld, of op het ogenblik dat de belastingadministratie in de onmogelijkheid komt om op grond van de fiscale wetgeving voor de betreffende transacties, die onmiskenbaar de belastbare grondslag determineren, te taxeren of aanvullend te taxeren, waarbij het beoogde doel werd bereikt. De omstandigheid dat reeds een aanslagprocedure zou zijn aangevat of daarover een fiscale betwisting zou worden gevoerd, doet daaraan niet af zolang niet alle verschuldigde belastingen met aanhorigheden zijn betaald; - vermits van algehele betalingen geen sprake is, het nuttige effect van het gebruik van een vals stuk in fiscalibus zich hier uitstrekt zolang de bevoegde belastingadministratie wordt misleid en in de mogelijkheid blijft aan de misleiding te remediëren. Indien deze toestand onomkeerbaar ophoudt, werden het doel en het opzet van de vervalser immers definitief bereikt, aangezien het gebruik van het vervalst geschrift vanaf dan niet langer het nuttige gevolg heeft dat ervan werd verwacht; - inzake inkomstenbelastingen beroep kan worden gedaan op de bijzondere aanslagtermijn, bepaald in artikel 358, § 2, 2°, WIB92, dat toelaat om de (aanvullende) belasting nog te vestigen binnen de twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing die werd genomen in het kader van de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend. Ook kan de belastingadministratie informatie vernemen die uitwijst dat met betrekking tot de belastingplichtige vennootschappen belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de rechtsvordering werd ingesteld in oktober 2004. De belastbare periode overlapt derhalve met de strafrechtelijke incriminatieperiode; - tevens dient te worden gewezen op artikel 443ter, § 3, WIB92, als gevolg waarvan in geval van strafonderzoek of -vervolging een schorsing van de verjaring van de vordering tot voldoening van de inkomstenbelasting is voorzien. Op grond van die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het gebruik dat onder de telastlegging E.II ten laste wordt gelegd, steeds nuttige uitwerking is blijven behouden, minstens tot op het ogenblik van de verwijzingsbeslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling of de raadkamer, zodat de aanvang van de strafrechtelijke verjaringstermijn op grond van de feiten van de telastlegging E.II voor de eisers I.1 en I.2 te bepalen is op 7 maart 2013 en de verjaring voor wat hen betreft nog niet is ingetreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers I.1 en I.2 10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering ten aanzien van de eisers I.1 en I.2 niet onontvankelijk noch weert het de verklaringen die de eiser I.2 in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de eiseres I.1 heeft afgelegd zonder bijstand van een raadsman en zonder mededeling van zijn zwijgrecht; door ervan uit te gaan dat de eiser I.2 zich niet in een bijzonder kwetsbare positie bevond, onder meer verwijzend naar zijn voldoende bevonden intellectuele capaciteiten en naar het gegeven dat hij niet van zijn vrijheid werd beroofd, beperkt het arrest het recht op bijstand van een advocaat op een wijze die niet te verzoenen valt met de invulling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en thans ook de Europese Unie in de richtlijn 2013/48/EU; het recht op bijstand van een advocaat heeft immers niet alleen een waarborgfunctie tegen afgedwongen verklaringen, maar ook een adviesfunctie in het licht van het recht om niet gedwongen te kunnen worden zichzelf te beschuldigen; in de eerste plaats gaat het arrest verkeerdelijk ervan uit dat de eiser I.2 voorafgaandelijk aan ieder verhoor telkenmale door de onderzoekers in kennis werd gesteld van de toenmalig vigerende bepalingen van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en dat dit inhoudt dat de eiser I.2 met voldoende kennis van zijn rechten al dan niet een verklaring kon afleggen; de toenmalige verplichte mededelingen hielden immers geen vermelding van het zwijgrecht in; het verzuim de verdachte in kennis te stellen van zijn zwijgrecht is als dusdanig al voldoende om tot miskenning van het recht op een eerlijk proces te besluiten, zeker wanneer een verdachte geen bijstand van een advocaat heeft; in de tweede plaats keert het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich af van een abstracte benadering waarin latere tegenspraak in de strafprocedure en de latere mogelijkheid om zijn verklaringen in te trekken of te wijzigen zou volstaan om de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat tijdens de verhoren te kunnen compenseren; de afgelegde verklaringen kunnen immers steeds tegen de betrokkene worden gebruikt en kunnen het verdere verloop van zijn verdediging in rechte hypothekeren; in casu staat het vast dat de processtrategie die de eiser I.2 in zijn verhoren aanhield, hem in rechte wordt aangerekend; zowel in het beroepen vonnis als in het arrest worden de verklaringen van de eiser I.2 over de bij hem aangetroffen "extra papers" (beschouwd als "zwarte boekhouding") immers vermeld, ook al zijn er nog andere bewijsmiddelen voorhanden; het gegeven dat de eiser I.2 zonder mededeling van zijn zwijgrecht én zonder bijstand van een advocaat zulke verklaringen aflegde, hebben dus reeds ab initio zijn recht op een eerlijk proces onherstelbaar miskend. 11. De Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, gepubliceerd op 6 november 2013, is krachtens artikel 17 toepasselijk vanaf de twintigste dag na de publicatie. Die richtlijn was nog niet in werking getreden op het ogenblik van de hier bedoelde verhoren. 12. Artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering, in werking getreden op 27 november 2016, is niet van toepassing op verhoren die daarvoor plaatsvonden. 13. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. 14. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte van verklaringen zonder bijstand van een advocaat en met miskenning van de cautieplicht, leidt niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting van dit bewijs. Het recht de strafvordering uit te oefenen, ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt. 15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 16. Het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist slechts dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt of aan die bijzonder kwetsbare positie niet wordt geremedieerd door maatregelen die ten volle zijn recht van verdediging waarborgen. 17. Het staat aan de rechter om aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de beklaagde zich tijdens zijn verhoren in een bijzonder kwetsbare positie bevond en, zo dit het geval is, of het niet-uitsluiten van bepaalde verhoren die tijdens het strafonderzoek werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van de cautieplicht, tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel wordt miskend. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het afleggen van verklaringen door een verdachte zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van het recht om op zijn zwijgrecht te worden gewezen automatisch tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel is miskend, faalt het eveneens naar recht. 18. Met eigen redenen en met overname van de redenen van de eerste rechter, oordeelt het arrest (p. 271, 275, 280) dat: - het recht op bijstand van een advocaat, dat enkel in personam geldt, alsook het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, inhouden dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM, beknotten; - het recht op een eerlijk proces gewaarborgd bij artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, slechts vereist dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, wat onder meer het geval is wanneer hij van zijn vrijheid is beroofd. Evenwel impliceert dit recht niet dat een verdachte bij zijn verhoor steeds bijstand van een advocaat moet hebben; - met betrekking tot de verhoren van de eiser I.2 op 24 oktober 2006, 27 oktober 2006, 30 november 2006 en 8 maart 2007, hij voorafgaand aan ieder verhoor telkenmale door de onderzoekers in kennis werd gesteld van de toenmalig vigerende bepalingen van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en hem onmiddellijk een kopie van zijn verklaringen werd overhandigd; - hij zijn verklaring telkens kon afleggen in de door hem gewenste Engelse taal, die naar het Nederlands werd omgezet door een beëdigde tolk; - hem bij deze verhoren op 24 oktober 2006, 27 oktober 2006, 30 november 2006 en 8 maart 2007 telkens de mogelijkheid werd geboden om daaraan iets toe te voegen of te verbeteren; - zijn verhoor op 24 oktober 2006 plaatsgreep nadat op dezelfde dag een voorafgaande huiszoeking op de exploitatiezetel van de eiseres I.1 had plaatsgevonden in zijn aanwezigheid en hij over de uitvoering daarvan geen opmerkingen formuleerde. Na de huiszoekingen op de exploitatiezetel van de eiseres I.1 en in de privéwoning van de eiser I.2, telkens in aanwezigheid van de eiser I.2, de eiser I.2 vrijwillig meeging naar het politiekantoor, waar hij werd verhoord. De eiser I.2 heeft zichzelf tijdens dit eerste verhoor niet geïncrimineerd. De verdediging verwijst naar en citeert in haar conclusie ook letterlijk uit het eerste verhoor van 24 oktober 2006; - zijn verhoor op 24 oktober 2006 veeleer van verkennende aard was, waarbij hem grotendeels informatieve vragen over de bedrijfsvoering van de eiseres I.1 werden gesteld en waaruit niet kan worden afgeleid dat dit verhoor bovenmatig onrustig zou zijn verlopen; - de eiser I.2 op 27 oktober 2006, 30 november 2006 en 8 maart 2007 telkens uitdrukkelijk en zonder opmerking stelde zijn vorige verklaringen te bevestigen; - de eiser I.2 voor of tijdens de verhoren aan de verbalisanten op geen enkel ogenblik te kennen heeft gegeven de bijstand van een advocaat te verlangen of slechts verklaringen te willen afleggen na raadpleging van een advocaat; - de eiser I.2 nooit te kennen heeft gegeven een nieuw verhoor te willen afleggen of zijn verklaringen te hebben willen intrekken; - de eiser I.2 op het ogenblik van zijn verhoren noch op een later ogenblik was opgepakt of aangehouden; - de eiser I.2 op het ogenblik van zijn verhoren een volwassen man was van 45 jaar en zaakvoerder van de eiseres I.1 (met verder één administratief personeelslid), zodat hem alsdan meer dan behoorlijke intellectuele capaciteiten moeten worden toegedicht en hij geacht kon worden de draagwijdte van zijn verklaringen ten overstaan van de geviseerde feiten in te schatten; - de eiser I.2 bij de regeling van de rechtspleging, alsook bij de behandeling van de zaak voor de eerste rechter en voor het hof van beroep vertegenwoordigd werd door eenzelfde advocaat, dat nog alle elementen konden worden betwist, dat inzage verkregen was in het volledige strafdossier, dat nog stukken konden worden bijgebracht, gevraagd kon worden getuigen te horen, ...; - de eiser I.2 ook ter rechtszitting van het hof van beroep vrij zijn standpunt heeft kunnen verdedigen, wat hij bij monde van zijn raadsman heeft gedaan, waarbij hij de aan de onderzoekers afgelegde verklaringen steeds kon wijzigen of intrekken; - de eiser I.2 op geen enkel ogenblik blijk heeft gegeven dat bij de genoemde verhoren misbruik of dwang werd gebruikt; - de onderscheiden verklaringen afgelegd door de eiser I.2 tijdens het vooronderzoek, geen zodanige impact kunnen hebben gehad op het verloop van het strafproces dat dit geen eerlijk karakter meer zou vertonen of dat zijn recht van verdediging zou zijn miskend. Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat: - de eiser I.2 zich ter gelegenheid van zijn verhoren in de loop van het vooronderzoek niet in een bijzonder kwetsbare positie bevond; - de verhoren van de eiser I.2 zonder bijstand van een advocaat zijn recht op een eerlijk proces en dat van de eiseres I.1 aldus niet in het gedrang hebben gebracht en hun recht van verdediging niet hebben belemmerd; - er bijgevolg, mede gelet op het feit dat geen van de in aanmerking genomen verklaringen van de eisers I.1 en I.2 wat hen betreft als enig of doorslaggevend bewijselement geldt en deze verklaringen aldus samen te lezen zijn met andere onderzoeksmatig vastgestelde informatie op basis van huiszoekingen, telefonie-onderzoek, andere verklaringen, documentenonderzoek, etc., geen enkele reden is om de verklaringen van eisers I.1 en I.2 uit het debat te weren. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers I.1 en I.2 19. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart niet alleen de effectief gegenereerde vermogensvoordelen, voor zover bewezen geacht, verbeurd, maar ook alle potentiële, hypothetische vermogensvoordelen die hadden kunnen worden gegenereerd uit de onder de telastleggingen C.I en C.II vermelde valsheden, maar waarvan niet naar recht bewezen is dat deze effectief zijn gegenereerd; met betrekking tot de libellering van de witwastelastleggingen F oordeelt het arrest dat niet kan worden bepaald hoeveel diamanten er in het zwart zijn verkocht; met betrekking tot de valsheid in geschriften en gebruik oordeelt het dat niet is vereist dat de verdere verhandeling van de in het zwart verkregen goederen in concreto wordt aangetoond; eensdeels oordeelt het arrest aldus dat de vermeende zwarte verkoop niet is of moet worden aangetoond; anderdeels gaat het, bij de bepaling en de raming van de illegale vermogensvoordelen die verbeurd worden verklaard, ervan uit dat alle vermeende aan doorvoer of uitvoer onttrokken diamanten waarop de betreffende valsheden of niet-aangiften betrekking hebben, effectief in het zwart zijn verhandeld en oordeelt het dat de valsheden vermogensvoordelen opleveren doordat de diamanten zo in het illegaal circuit konden worden verkocht; hierdoor doet het arrest afbreuk aan de ratio en de duidelijke wettekst van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek; deze werkwijze gaat verder dan de raming van de geldwaarde van de vermogensvoordelen in de zin van artikel 43bis Strafwetboek; de rechter moet immers eerst vaststellen welke vermogensvoordelen er effectief en reëel zijn gegenereerd en pas in een tweede fase kan de waarde ervan, indien nodig, worden geraamd; door bovendien te oordelen dat enerzijds de hoegrootheid van de zwarte verkoop niet kan worden vastgesteld, maar anderzijds aan te nemen dat alle gefactureerde diamanten in het zwart zouden zijn verkocht, bevat het arrest tegenstrijdige motieven. 20. Een vermogensvoordeel is uit het misdrijf verkregen indien er een causaal verband bestaat tussen dit misdrijf en het vermogensvoordeel. Het is noodzakelijk maar voldoende dat wordt vastgesteld dat de in aanmerking genomen vermogensvoordelen voortkwamen uit de wederrechtelijke activiteit. 21. De rechter oordeelt onaantastbaar of een bewezen verklaard misdrijf voor een beklaagde vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft opgeleverd en welk daarvan het bedrag is. In voorkomend geval kan de rechter de geldwaarde ervan ramen overeenkomstig artikel 43bis, tweede lid, van dat wetboek. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 22. Het arrest verklaart de eisers I.1 en I.2 schuldig aan de telastleggingen C.I.3, naar tijdsbepaling gepreciseerd, en C.II.3 van de zaak I, die zijn omschreven als het valselijk opstellen en opnemen in de boekhouding van de eiseres I.1 van facturen, uitgaande van de eiseres I.1, en andere samenhangende documenten, waarbij de werkelijke afnemer van de goederen niet wordt opgenomen in deze documenten, met het bedrieglijk opzet om de goederen (diamanten normaal onder vergunningsstelsel of zoals anders aangeduid) via een illegaal smokkelcircuit verder te kunnen verhandelen, hierdoor illegaal vermogen te verkrijgen, onverminderd de witwastelastleggingen (C.I.3), en het valselijk niet-opstellen en niet-opnemen in de boekhouding van de eiseres I.1 van aankoop- en vervolgens verkoopfacturen en samenhangende documenten van de niet-vergunde en gesmokkelde diamanten of andere goederen zoals nader aangeduid, met het bedrieglijk opzet om de complete illegale handel, de werkelijke leveranciers en afnemers af te schermen, illegaal vermogen in de verboden en illegale handel te kunnen aanwenden, te laten renderen en te verkrijgen, onverminderd de witwastelastleggingen (C.II.3). 23. Het arrest verklaart de eisers I.1 en I.2 ook schuldig aan de telastleggingen E.II.3 (valsheid WIB92, enkel in zoverre betrekking hebbend op het niet-opnemen in de boekhouding en zoals naar tijdsbepaling gepreciseerd) en G.I.3 (fiscale fraude). 24. Het arrest (p. 350-352) oordeelt met betrekking tot de verbeurdverklaring onder meer dat: - met het oog op voordeelontneming en teneinde recidive te vermijden, gedeeltelijk moet worden ingegaan op de schriftelijk door het openbaar ministerie gevorderde verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen, in zoverre toepasselijk. Deze bijkomende bestraffing is verantwoord door de onrechtmatige hebzucht van de schuldig bevonden beklaagden bij de hierna bepaalde feiten en beoogt hen het besef bij te brengen van het onaanvaardbare van hun handelen; - aangezien de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de bewezen verklaarde feiten werden verkregen, de in de plaats ervan gestelde goederen en waarden en de inkomsten uit de belegde voordelen niet geheel in het respectieve vermogen van de betrokken beklaagden konden worden aangetroffen, het hof van beroep bij toepassing van artikel 42, 3°, en 43bis, tweede lid, Strafwetboek de geldwaarde ervan telkens moet ramen en de verbeurdverklaring moet uitspreken van een daarmee overeenstemmend bedrag; - in casu uit de vastgestelde fraudemechanismen A en B volgt dat de betrokken beklaagden middels een illegaal smokkelcircuit gebaseerd op een valse boekhouding in het bezit konden komen van waardegoederen die vervolgens verder konden worden verhandeld op wederrechtelijke wijze. De goederen werden als gevolg van de gepleegde misdrijven (terug) verworven. De bewezen verklaarde feiten van gemeenrechtelijke valsheid, namelijk C.I (piste A) en C.II (piste B), werden met na me gepleegd met het misdadig oogmerk om de illegaal verkregen goederen verder illegaal te kunnen verhandelen. Hierdoor kwamen criminele vermogensvoordelen tot stand die, gestoeld op de feitelijke vaststellingen in het strafdossier, kunnen worden geraamd op de aan te nemen winst in geval van doorverkoop, toegepast op de specifieke waarden van deze goederen zoals in deze telastleggingen vermeld. De precieze mate waarin werkelijke doorverkopen werden gerealiseerd, is in het licht van deze raming geen noodzakelijk gegeven; - de geraamde vermogensvoordelen tevens de fiscale voordelen incorporeren die met betrekking tot inkomstenbelastingen uit de feiten van de telastleggingen E.II en G werden gegenereerd. Dit illegaal vermogensvoordeel is niet te limiteren tot de ontdoken vennootschapsbelasting op de gerealiseerde (geraamde) winst als belastbare grondslag. Uit het geheel van de gedane vaststellingen en de aard en finaliteit van de fraudesystemen A en B is naar voor gekomen dat deze mechanismen inzonderheid ook werden aangewend om de afnemers van de doorverkoop van de gesmokkelde waardegoederen in de verkooptransactie te kunnen betrekken. Een verkoop van de gepolijste diamanten zonder facturatie en buiten ieder officieel circuit bleek immers veelal een noodzakelijke voorwaarde opdat de klanten van de Antwerpse vennootschap tot de aankoop zouden overgaan, temeer daar in meerdere landen waar de afnemers gevestigd zijn, de invoer van diamant als luxeproduct niet zelden onderworpen is aan substantiële invoerheffingen. Ongetwijfeld had dit invloed op de concrete prijszetting van de geslepen diamanten bij de verdoken doorverkoop; - de winstraming bijgevolg wordt bepaald op 20 procent, zodat de geldwaarde van de niet meer aan te treffen vermogensvoordelen uit de fraudesystemen A en B telkens wordt bepaald op een bedrag ten belope van 20 procent op de specifieke waarde van deze goederen, zoals weergegeven in de telastleggingen C.I en C.II en zoals door het openbaar ministerie gevorderd. Rekening houdend met de valutaomrekeningen zullen de geraamde tegenwaarden in billijkheid worden afgerond ten gunste van de betrokken beklaagden. Met die redenen oordeelt het arrest niet dat de vermeende zwarte verkoop van de hier bedoelde diamanten niet is aangetoond, maar integendeel dat die verkoop vaststaat, dat daaruit wederrechtelijke vermogensvoordelen zijn verkregen en dat die vermogensvoordelen vatbaar zijn voor raming, ook zonder dat het bewijs moet worden geleverd van de concrete transacties die na de valsheden werden gerealiseerd, omdat de valsheden precies werden gepleegd om de diamanten in te brengen in een parallel zwart circuit teneinde ze van daaruit te kunnen verhandelen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 25. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II en de eiseres XI Eerste onderdeel van de beide middelen 26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en het algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak: het arrest verklaart de strafvordering ontvankelijk, stelt vast dat de strafvordering in staat van wijzen is en oordeelt dat het recht van verdediging van de eiser II niet is miskend doordat de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging is ingegaan op de vordering van het openbaar ministerie om de thans beoordeelde beklaagden en de hen ten laste gelegde feiten naar het vonnisgerecht te verwijzen, maar tegelijk te oordelen dat de onderzoeksrechter gelast blijft met een deel van het gerechtelijk onderzoek; het arrest steunt dat oordeel op de vaststelling dat het nog lopende onderzoek andere feiten aanbelangt dan deze die thans ter beoordeling voorliggen, terwijl dit niet ondubbelzinnig uit de vaststellingen van het arrest kan worden afgeleid; uit de redenen van het arrest blijkt immers dat de appelrechters de stukken van het dossier waarvoor de onderzoeksrechter bevoegd is gebleven, zelf niet hebben kunnen inzien en dat zij gelet op het gebruik van de termen "wellicht" en "lijkt" allerminst ondubbelzinnig vaststellen dat de feiten verschillend zijn; uit de beschikking van de raadkamer blijkt zeer duidelijk dat de feiten waarvoor de onderzoeksrechter belast bleef, betrekking hebben op dezelfde organisator, zijnde beweerdelijk de eiser II, in relatie tot andere gebruikers; in zoverre het gaat om dezelfde feiten of om gelijkaardige feiten bestaat de kans dat het strafdossier wat betreft de eiser II noodzakelijk onvolledig is en dat het onderzoek wat de eiser II betreft betrekking heeft op dezelfde feiten en nog lopende is; de loutere omstandigheid dat de niet verwezen feiten, feiten zouden betreffen in relatie met andere gebruikers betekent immers niet automatisch dat het zou gaan om andere feiten of dat het uitgesloten zou zijn dat het onderzoek betrekking heeft op andere feiten. 27. De vonnisrechter oordeelt onaantastbaar over de aannemelijkheid van het verweer van een beklaagde dat de feiten van het gerechtelijk onderzoek waarvoor het onderzoeksgerecht hem niet heeft verwezen en die dus nog bij de onderzoeksrechter aanhangig zijn gebleven, dezelfde zijn als deze waarvoor dat onderzoeksgerecht hem wel heeft verwezen. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 28. Noch artikel 6 EVRM noch het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak verzetten zich ertegen dat het vonnisgerecht zich bij de voormelde beoordeling baseert op de beschikbare gegevens van het strafdossier. Daartoe komen alle gegevens in aanmerking, waaronder de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht waaruit blijkt welke feiten wel en niet worden verwezen en de aan tegenspraak onderworpen informatie verstrekt door het openbaar ministerie. Niet vereist is dat de vonnisrechter het nog bij de onderzoeksrechter aanhangige strafdossier inkijkt. 29. De enkele omstandigheid dat een beklaagde in het gerechtelijk onderzoek dat voortduurt na zijn verwijzing, verdacht wordt van feiten die verwant zijn of lijken te zijn met deze waarvoor hij is verwezen, impliceert niet dat het om dezelfde feiten gaat, dat de zaak voor het vonnisgerecht niet in staat van wijzen is, dat de beklaagde voor dat gerecht zijn recht van verdediging niet ten volle kan uitoefenen of dat hij nog het voorwerp zal uitmaken van een tweede vervolging. 30. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 31. Met overname van de redenen van de eerste rechter en met eigen redenen oordelen de appelrechters (p. 249-252) dat: - een partiële verwijzing door de raadkamer als dusdanig nog geen miskenning inhoudt van het recht van verdediging van de naar het vonnisgerecht verwezen inverdenkinggestelden; - uit geen enkel element kan worden afgeleid dat door de in casu toegepaste afsplitsing bij de regeling van de rechtspleging het concrete recht van verdediging van de eiser II werd miskend. Dat wordt ook niet op tastbare en overtuigende wijze aannemelijk gemaakt. De eiser II brengt slechts hypothetische en algemene bespiegelingen aan, waaruit het hof van beroep in concreto niet kan afleiden in welke mate de nog in uitvoering zijnde onderzoeksdaden hem hebben gehinderd ten volle verdediging te voeren ten aanzien van de feiten die hem thans worden verweten. De vaststelling van een onwetendheid over wat nog wordt onderzocht, impliceert als dusdanig geen ingeperkte mogelijkheden om op effectieve wijze verdediging te voeren betreffende verwante, maar alleszins andere feiten. Bovendien kan er allerminst reeds met zekerheid rekening mee worden gehouden dat de eiser II voor de nog onderzochte feiten ook naar de vonnisrechter zal worden verwezen, net zo min als het aantal gebruikers; - het, op basis van de beschikbare gegevens en de informatie van het openbaar ministerie, gaat om werkelijk onderscheiden feiten, namelijk deze waarbij andere gebruikers of voormalige cliënten van de bvba M. op feitelijke wijze betrokken zijn. Dat het om gelijkaardige fraudesystemen zou gaan met een eventueel prominente rol voor de eiser II, maakt als dusdanig de feiten nog niet identiek. Uit die redenen kunnen de appelrechters wettig afleiden dat het verweer van de eiser II dat de nog in onderzoek zijnde feiten dezelfde zijn als deze waarvoor hij naar hen is verwezen, niet aannemelijk is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser II en derde onderdeel van het eerste middel van de eiseres XI 32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is dubbelzinnig gemotiveerd omdat uit de redenen ervan niet kan worden opgemaakt of de appelrechters met zekerheid vaststellen dat het nog lopende onderzoek, waarmee de onderzoeksrechter gelast is gebleven, met zekerheid andere feiten dan wel schijnbaar andere feiten betreft als deze die voor hen aanhangig zijn. 33. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel van het eerste middel van de eiser II en tweede onderdeel van het eerste middel van de eiseres XI 34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en het algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak: het arrest steunt de beslissing dat het nog lopende onderzoek andere feiten aanbelangt dan deze die thans ter beoordeling voorliggen onder meer op de informatie van het openbaar ministerie, die de appelrechters zelf niet hebben kunnen verifiëren bij gebrek aan toegang tot het dossier van het lopende onderzoek en die ook de eiser II niet heeft kunnen verifiëren, vermits het arrest uitdrukkelijk erkent dat de eiser II tevergeefs pogingen heeft ondernomen om toegang te krijgen tot het lopende onderzoek. 35. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de bekritiseerde beslissing niet noodzakelijk vereist dat de vonnisrechter en de partijen inzage hebben in het bij de onderzoeksrechter nog hangende onderzoek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 36. Het arrest oordeelt dat het feit dat de eiser II van de onderzoeksrechter en de kamer van inbeschuldigingstelling geen inzage in het nog lopende gerechtelijk onderzoek heeft gekregen, als dusdanig niet impliceert dat zijn recht van verdediging is miskend met betrekking tot de voor de appelrechters aanhangige feiten. Op grond van die redenen en deze die blijken uit het antwoord op het eerste onderdeel, is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II, eerste middel van de eisers X.1 en X.2 en tweede middel van de eiseres XI Tweede onderdeel 37. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 7 en 8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna Handvest) en de artikelen 10 en 11 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering aan de telecomoperatoren gevraagde telefoniegegevens als bewijs mogen worden aangewend omdat, zelfs indien de telecomoperatoren die gegevens onrechtmatig zouden hebben verzameld en bijgehouden, dit bij toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet leidt tot de uitsluiting van het daardoor verkregen bewijs; het arrest overweegt daarbij ten onrechte dat de afwezigheid van enige regeling over de wijze waarop de telefoniedata moesten worden bewaard, volstrekt niet relevant is en niet kan leiden tot de onbetrouwbaarheid van deze gegevens in de zin van voormeld artikel 32; nauwkeurige bepalingen die betrekking hebben op de wijze van bewaring van de betrokken persoonsgegevens kunnen immers wel degelijk bepalend zijn voor de betrouwbaarheid van deze gegevens, zoals blijkt uit het arrest C-293/12 en C-594/12 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het arrest nr. 84/2015 van het Grondwettelijk Hof van 11 juni 2015; het in februari 2005 toepasselijke wettelijk Belgisch kader, met name de Wet Verwerking Persoonsgegevens en het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie (hierna KB 9 januari 2003), is niet in overeenstemming met artikel 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 Handvest, zoals uitgelegd in de voormelde arresten, omdat dit niet de nodige waarborgen bevat ter eerbiediging van het privéleven bij gebrek aan onder meer minimale vereisten opdat de personen waarvan de gegevens zijn bewaard over voldoende garanties beschikken dat hun persoonsgegevens doeltreffend worden beschermd tegen het risico van misbruik en tegen elke onrechtmatige raadpleging en elk onrechtmatig gebruik van deze gegevens. 38. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de afwezigheid van enige regeling over de wijze waarop de telefoniedata moesten worden bewaard, volstrekt niet relevant is en niet tot de onbetrouwbaarheid van deze gegevens in de zin van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan leiden. Het oordeelt wel dat uit de omstandigheid dat er geen opgelegde regeling bestond over de wijze waarop de telefoniedata moesten worden bewaard, niet zonder meer tot de onbetrouwbaarheid van deze gegevens kan worden geconcludeerd; het gaat vervolgens na of er enige concrete reden of aanleiding is om redelijkerwijze twijfel te hebben over de juistheid of de betrouwbaarheid van de door de telecomoperatoren verstrekte gegevens en besluit dat dit niet het geval is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 39. Bij arrest C-293/12 en C-594/12 van 8 april 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG, ongeldig verklaard wegens miskenning van de fundamentele rechten op bescherming van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, zoals vastgelegd in de artikelen 7 en 8 Handvest. Bij arrest nr. 84/2015 van 11 juni 2015 heeft het Grondwettelijk Hof de wet van 30 juli 2013 houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies Wetboek van Strafvordering vernietigd. Deze wet, in werking getreden op 2 september 2013, vormde de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2006/24/EG in het Belgisch recht. 40. Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest of met het recht op bescherming van persoonsgegevens zoals gewaarborgd door artikel 8 Handvest, heeft niet steeds schending van artikel 6 EVRM of miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg. 41. Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tot nietigheid van een onregelmatig verkregen bewijselement enkel wordt besloten indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Krachtens die bepaling worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de andere erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd. Deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht. 42. Het arrest oordeelt onder meer dat: - de voormelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Grondwettelijk Hof geen rechtstreekse relevantie hebben voor de beoordeling van de regelmatigheid van het bewijs in de voorliggende zaak omdat op het tijdstip in februari 2005 waarop de onderzoeksrechter aan de telecomoperatoren de voor het bewijs van de onderzochte feiten relevante gegevens heeft opgevraagd, de wetten van 13 juni 2005 en 30 juli 2013 niet van toepassing waren; - er een onderscheid is te maken tussen de registratie en bewaring van alle telecommunicatiegegevens door de telecomoperatoren, wat overigens eveneens mogelijk is voor niet-strafrechtelijke doeleinden, en de opvraging van deze gegevens in het kader van een gerechtelijk onderzoek door een bevoegde gerechtelijke autoriteit, namelijk een onafhankelijke onderzoeksrechter die handelt in toepassing van de op dat ogenblik vigerende wetgeving; - de gegevens werden opgevraagd door een onafhankelijke onderzoeksrechter met inachtneming van een wettelijk kader dat niet ter discussie staat, inzonderheid artikel 88bis Wetboek van Strafvordering; - zelfs indien de gegevens door de operatoren onrechtmatig zouden zijn verzameld en bijgehouden, dit niet noodzakelijk moet leiden tot bewijsuitsluiting, gelet op artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; - er geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten zijn die de telecomoperatoren of de onderzoeksrechter bij het bewaren of opvragen van de gegevens niet zouden hebben nageleefd, wat overigens door de eiser II ook niet wordt aangevoerd; - er geen enkele concrete reden of aanleiding is om redelijkerwijze twijfel te hebben over de juistheid of de betrouwbaarheid van de door de telecomoperatoren verstrekte gegevens. Uit de omstandigheid dat er geen opgelegde regeling bestond over de wijze waarop de telefoniedata moesten worden bewaard, kan niet zonder meer tot de onbetrouwbaarheid van deze gegevens worden geconcludeerd. De juistheid van de door de telecomoperatoren bezorgde gegevens kan integendeel worden vermoed. Alle verstrekte telefoniegegevens bevinden zich daarenboven ter inzage in het strafbundel, zodat de betrokkenen wel degelijk over eigen controlemogelijkheden beschikten. De eiser II had toegang tot de beschikbare onderzoeksinformatie. Geen enkele beklaagde attendeert ten andere op een concrete of punctuele onjuistheid; - het gegeven dat bewijselementen zouden zijn verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven en op bescherming van persoonsgegevens, hoe dan ook niet steeds miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg heeft; - de eventuele onregelmatigheid niet werd begaan door de onderzoekers of de onderzoeksrechter en de bevolen en uitgevoerde onderzoeksdaad plaatsvond in overeenstemming met de op dat ogenblik geldende wetgeving; - de eiser II zowel in de loop van het vooronderzoek en naar aanleiding van de regeling van de rechtspleging, als voor de eerste rechter en het hof van beroep de gelegenheid heeft gehad om betwisting te voeren met betrekking tot de aangebrachte bewijsmiddelen, wat hij ook heeft gedaan; - het feit dat de bewijsmiddelen zouden zijn verzameld met miskenning van het recht op eerbiediging van privé-, familie en gezinsleven en op bescherming van persoonsgegevens, er sowieso nooit aan in de weg heeft kunnen staan dat ieders recht van verdediging kon worden uitgeoefend en dat de procesvoering eerlijk verliep. Met deze redenen oordeelt het arrest wettig dat de door de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering aan de telecomoperatoren gevraagde telefoniegegevens niet als bewijs moeten worden geweerd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste onderdeel 43. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 7 en 8 Handvest en de artikelen 10 en 11 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering aan de telecomoperatoren gevraagde telefoniegegevens als bewijs mogen worden aangewend; het in februari 2005 toepasselijke wettelijk Belgisch kader, met name de Wet Verwerking Persoonsgegevens en het KB 9 januari 2003, was immers niet in overeenstemming met artikel 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 Handvest, zoals uitgelegd in het arrest C-293/12 en C-594/12 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in het arrest nr. 84/2015 van het Grondwettelijk Hof van 11 juni 2015, omdat dit niet de nodige waarborgen bevat ter eerbiediging van het privéleven bij gebrek aan onder meer een termijn van bewaring; de onrechtmatige bewaring van deze telecomgegevens heeft tot gevolg dat het gebruik ervan lastens de eiser II rechtens niet toelaatbaar is; het feit dat de loutere opvraging van deze gegevens op grond van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering is gebeurd, wijzigt hieraan niets. 44. De beslissing dat de door de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering aan de telecomoperatoren gevraagde telefoniegegevens als bewijs mogen worden aangewend, wordt geschraagd door de in het tweede onderdeel tevergeefs aangevochten zelfstandige reden dat zelfs indien die gegevens door de telecomoperatoren onrechtmatig zouden zijn verzameld en bijgehouden, dit bij toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet leidt tot de uitsluiting van het daardoor verkregen bewijs. Bijgevolg kan dit onderdeel, al ware het gegrond, niet tot cassatie leiden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser II Eerste onderdeel 45. Het onderdeel voert schending aan van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser II schuldig als leidend persoon van een criminele organisatie (telastlegging A.1) en beveelt te zijnen laste de verbeurdverklaring van het vermogen dat ter beschikking stond van deze criminele organisatie; artikel 43quater, § 4, Strafwetboek gelast de verplichte verbeurdverklaring van goederen die te aanzien zijn als een bijzondere instrument voor het plegen van het misdrijf in de zin van artikel 42, 1°, Strafwetboek; om dubbele verbeurdverklaring te vermijden, gaat het arrest niet over tot verbeurdverklaring van het voorwerp van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven F.IV.1, F.IV.2, F.IV.4, F.IV.5, F.IV.6.a en F.IV.6.b omdat dit voorwerp is overgegaan in de vermogensbestanddelen waarvan het de verbeurdverklaring bij toepassing van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek beveelt; om dezelfde redenen gaat het arrest evenmin over tot de verbeurdverklaring bedoeld in de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek; hierbij laat het de mogelijkheid open dat bij de verbeurdverklaarde goederen op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek zich ook goederen bevinden die vermogensvoordelen uit het misdrijf uitmaken; aldus laat het arrest de mogelijkheid open dat bij de verbeurdverklaarde goederen op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek zich ook goederen bevinden die niet het instrument van de telastlegging A.1 uitmaken, maar wel een vermogensvoordeel voortvloeiend uit het misdrijf, zodat het arrest niet wettig vaststelt dat de verbeurdverklaarde activa vermogenselementen zijn die als instrument ter beschikking stonden van de criminele organisatie. 46. Artikel 43quater, § 4, Strafwetboek bepaalt dat het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet worden verbeurdverklaard onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw. Die bepaling omvat elk goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie voor de uitoefening van haar activiteiten. Daartoe kunnen ook uit misdrijf verkregen vermogensvoordelen behoren. Dat artikel 43quater, § 4, een verbijzondering is van artikel 42, 1°, Strafwetboek, in zoverre dat laatste betrekking heeft op de verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf, doet daaraan geen afbreuk. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 47. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM en de artikelen 2 en 43quater, § 4, Strafwetboek: het arrest stelt vast dat de bedoelde criminele organisatie heeft bestaan van 1 januari 2000 tot 5 oktober 2005; artikel 43quater Strafwetboek is ingevoerd bij de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, in werking getreden op 14 februari 2003; uit de redenen van het arrest blijkt niet dat het de verbeurdverklaring beperkt tot activa die ter beschikking stonden van de criminele organisatie vanaf 24 februari 2003; aldus veroordeelt het de eiser II tot een straf die ten tijde van de feiten nog niet bestond. 48. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moesten de appelrechters niet uitdrukkelijk vermelden dat zij de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek beperken tot de periode vanaf 14 februari 2003. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 49. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is onduidelijk gemotiveerd en het belet het Hof de wettigheid van de beslissing over de verbeurdverklaring lastens de eiser II op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek te beoordelen; uit de redenen van het arrest blijkt immers niet dat rekening werd gehouden met de omstandigheid dat de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek pas vanaf 24 februari 2003 in het Belgisch strafrecht werd ingevoerd en derhalve slechts kan worden toegepast op vermogensbestanddelen die ter beschikking stonden van de criminele organisatie vanaf 24 februari 2003. 50. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel tevergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 51. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; de redenen van de beslissing tot verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek wijzen erop dat het volledige vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie in verband stond met de activiteiten van de organisatie, terwijl uit de motieven die ten grondslag liggen aan de vrijspraak van de eiser II voor de telastlegging C.III blijkt dat minstens een deel van dit vermogen verband hield met activiteiten die geen strafbaar karakter hebben. 52. Een criminele organisatie is niet te vereenzelvigen met de misdrijven die binnen het kader van die organisatie worden gepleegd. Een dergelijke organisatie kan, naast illegale activiteiten, ook legale activiteiten uitoefenen. Dat laatste belet als dusdanig niet dat het ganse vermogen dat ter beschikking staat van die organisatie wordt verbeurdverklaard op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 53. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers III, IV en V en de eisers VII, VIII en IX 54. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest verwerpt ten onrechte de kritiek van de eisers IV en V dat hun recht van verdediging werd miskend doordat de procureur des Konings niet is ingegaan op hun verzoek om de voor hen meest relevante dossierstukken, die zij precies hebben aangegeven, schriftelijk naar het Engels te vertalen; het oordeelt ten onrechte dat uitsluitend de dagvaarding, die vertaald werd naar het Engels, kan volstaan als stuk dat de eisers IV en V essentieel moeten begrijpen en dat hen persoonlijk toelaat om hun verdediging effectief te kunnen voeren; het arrest geeft een beperkende invulling aan de essentiële stukken van het strafdossier die nodig zijn voor het recht van verdediging van de eisers en ontzegt hen het principiële recht op schriftelijke vertaling van deze stukken op grond van de loutere vaststelling dat zij de bijstand genoten van een Nederlandstalige raadsman en ook van de bijstand van een tolk konden genieten tijdens hun verhoren en tijdens de rechtszittingen; deze bijstand doet echter niets af aan het principiële recht van elke anderstalige beklaagde op een schriftelijke vertaling van de stukken die nodig zijn voor de effectieve uitvoering van zijn recht van verdediging. 55. De artikelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.7 en 8 van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, die België tegen 27 oktober 2013 moest omzetten en die zodanige onvoorwaardelijke en precieze verplichtingen opleggen dat ze vanaf die datum tegen België kunnen worden ingeroepen, bepalen: "3.1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. 3.2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen. 3.3. De bevoegde autoriteiten besluiten per geval of andere processtukken essentieel zijn. De verdachte of beklaagde of zijn raadsman kan een met redenen omkleed verzoek met deze strekking indienen. 3.7. Als uitzondering op de in de leden 1, 2 (
  4. en)3 (...) opgenomen algemene regels kan, in plaats van een schriftelijke vertaling een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken worden verstrekt, op voorwaarde dat deze mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat. 8. Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of een afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit het Handvest van het grondrecht van de Europese Unie, uit andere relevante bepalingen van het internationale recht of uit de wetten van de lidstaten die een hoger beschermingsniveau bieden." 56. Hieruit volgt dat, behoudens voor wat betreft de stukken bedoeld in artikel 3.2, die steeds geacht worden essentieel te zijn, de rechter onaantastbaar oordeelt of stukken essentieel zijn voor de effectieve uitoefening van het recht van verdediging. Hij kan daarbij alle relevante omstandigheden ter vrijwaring van dat recht in aanmerking nemen. 57. Met overname van de redenen van de eerste rechter en met eigen redenen oordeelt het arrest dat: - uitsluitend de dagvaarding kan volstaan als stuk dat de eisers essentieel moeten begrijpen en dat hen persoonlijk toelaat hun verdediging effectief te kunnen voeren. De dagvaarding werd schriftelijk vertaald in het Engels en begin 2015 aan het dossier gevoegd. Deze schriftelijke vertaling komt tegemoet aan de vereisten van artikel 6.3.a EVRM. Met de vertaalde dagvaarding werden de eisers op de hoogte gesteld van de aard en de reden van de tegen hen ingestelde beschuldigingen. Na lezing van hun Engelstalige dagvaardingen konden zij weten voor welke concrete feiten zij zich specifiek dienden te verantwoorden; - wat de overige processtukken betreft waarvan de schriftelijke vertaling wordt gevraagd, niet zonder meer alle essentiële stukken uit het strafdossier schriftelijk dienen te worden vertaald, maar enkel die processtukken waarvan de schriftelijke vertaling essentieel is om het recht van verdediging en het eerlijk verloop van het proces te garanderen en waarbij een mondelinge vertaling of toelichting hiervoor niet volstaat. Mede gelet op de belasting die de schriftelijke vertaling van de processtukken met zich meebrengt voor de vlotte procesgang, moeten beklaagden of hun raadslieden bijgevolg met de nodige precisie aanduiden van welke processtukken zij de schriftelijke vertaling wensen, maar tevens in het bijzonder motiveren waarom in het gegeven geval een schriftelijke vertaling hiervan essentieel wordt geacht voor een eerlijke procesvoering, rekening houdend met de concrete omstandigheden waarin de verdediging wordt gevoerd en de waarborgen die hen in de loop van de procedure worden geboden. Het enkele feit dat beklaagden stellen de Nederlandse taal niet machtig te zijn, volstaat niet ter motivering van de noodzaak over een schriftelijke vertaling te beschikken voor de uitoefening van hun recht van verdediging; - beklaagden de vrije keuze hebben gehad van een advocaat en zich in het dossier effectief van in het begin van het onderzoek hebben laten bijstaan door advocaten die het Nederlands, de taal van de rechtspleging, volkomen beheersen, zoals dat blijkt uit de neergelegde besluiten, en waarvan redelijkerwijs aan te nemen is dat zij ook de Engelse taal machtig zijn. Ter rechtszittingen voor het hof van beroep en in eerste aanleg lieten de eisers zich steeds door hun advocaten vertegenwoordigen. De advocaten hebben ruimschoots de gelegenheid gehad het dossier in te studeren, de relevante passages aan hun cliënten toe te lichten en uitvoerig met hen te bespreken; - beklaagden op verschillende tijdstippen tijdens het strafrechtelijk onderzoek en bij de behandeling ten gronde kosteloos beroep konden doen op de bijstand van een tolk. Weinig beklaagden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt voor het vonnisgerecht; - niet wordt aangetoond, aan de hand van concrete elementen, zoals de eventuele bijzondere techniciteit of complexiteit van de stukken, waarom specifiek de schriftelijke vertaling van welbepaalde door hen aangeduide stukken uit het strafdossier noodzakelijk zou zijn om hun recht van verdediging te waarborgen, rekening houdend met de waarborgen die hen worden geboden door de bijstand van hun Nederlandstalige advocaat en de tolken die ter beschikking zijn gesteld tijdens verhoren. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van eisers III, IV en V 58. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het specifieke verweer van de eisers III en IV in hun regelmatig voor de appelrechters neergelegde appelconclusie dat uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat er navolgend aan het bewezen verklaarde fraudemechanisme A, via hetwelk bepaalde diamanten op illegale wijze in handen van de eisers zouden zijn terecht gekomen, daadwerkelijk een (door)verkoop van deze diamanten zou hebben plaatsgevonden. 59. Met de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel van de eisers I.1 en I.2 oordeelt het arrest dat de betwiste doorverkoop effectief heeft plaatsgevonden en beantwoordt het het voormelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eisers III, IV en V en tweede middel van de eisers X.1 en X.2 Eerste onderdeel van de beide middelen 60. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is dubbelzinnig gemotiveerd: het bepaalt de geldwaarde van de niet meer aan te treffen vermogensvoordelen uit fraudesysteem A op een bedrag van 20 procent berekend op de specifieke waarde van de diamanten zoals weergegeven in de telastlegging C.I en overweegt daarbij dat "de precieze mate waarin werkelijke doorverkopen werden gerealiseerd, voor het hof [van beroep] in het licht van deze raming geen noodzakelijk gegeven [is]"; deze reden kan op twee verschillende wijzen worden uitgelegd, namelijk dat het niet uitmaakt of een werkelijke doorverkoop heeft plaatsgevonden, dan wel dat het niet uitmaakt aan welke precieze prijs dit gebeurde; in de interpretatie dat het niet relevant is te weten of de eisers werkelijk doorverkopen hebben gerealiseerd, is de beslissing evenwel niet wettig; in die hypothese kan er immers geen sprake zijn van een illegaal vermogensvoordeel verkregen uit de verkoop van diamanten, aangezien het effectief karakter van de verkoop in deze hypothese niet vaststaat. 61. Met de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel van de eisers I.1 en I.2, stelt het arrest ondubbelzinnig vast dat de verdoken doorverkoop van de diamanten daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zonder dat vereist is dat de precieze mate waarin deze werkelijke doorverkopen werden gerealiseerd, nader wordt bepaald. Aldus bevat het arrest de bedoelde dubbelzinnigheid niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel van de beide middelen 62. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42 en 43bis, 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek en de artikelen 23, 24, 36, 46, 57, 219, 305 tot en met 310, 449 en 450 WIB92: met de redenen dat de bewezen verklaarde feiten van gemeenrechtelijke valsheid van de telastleggingen C.I (piste A) en C.II (piste B) werden gepleegd met het misdadig oogmerk om de illegaal verkregen goederen verder te kunnen verhandelen, dat in beide mechanismen criminele vermogensvoordelen tot stand kwamen die kunnen worden geraamd op de aan te nemen winst in geval van doorverkoop toegepast op de specifieke waarden van deze goederen zoals in deze telastleggingen vermeld en dat deze doorverkoop wellicht niet zou hebben kunnen plaatsgrijpen in geval van officiële facturaties en correcte boekhoudkundige winstregistraties, stelt het arrest niet vast dat er een duidelijk oorzakelijk verband bestaat tussen de bewezen verklaarde valsheden van de telastleggingen C.I (piste A) en C.II (piste B) en de geraamde winst in geval van doorverkoop in die zin dat er zonder de valsheden geen sprake zou zijn geweest van de gerealiseerde doorverkopen van de bewuste diamanten, terwijl dergelijk oorzakelijk verband vereist is opdat bepaalde voordelen als illegaal vermogensvoordeel uit een bepaald misdrijf zouden kunnen worden verbeurdverklaard. 63. Met de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel van de eisers I.1 en I.2 stelt het arrest het causaal verband tussen de telastleggingen C.I en C.II en de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen vast en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel van het derde middel van de eisers III, IV en V 64. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42 en 43bis Strafwetboek en de artikelen 23, 24, 36, 46, 57, 219, 305 tot en met 310, 449 en 450 WIB92: door met betrekking tot de verbeurdverklaring te oordelen dat de geraamde vermogensvoordelen die de eisers III, IV en V uit het fraudesysteem A zouden hebben gehaald, tevens de fiscale voordelen incorporeren die met betrekking tot inkomstenbelastingen uit de feiten van de telastleggingen E.II en G werden gegenereerd, terwijl de eisers III, IV en V niet worden vervolgd of veroordeeld voor enige telastlegging ‘E.II' of ‘G', verantwoordt het arrest de lastens de eisers uitgesproken verbeurdverklaring van de geraamde fiscale voordelen niet naar recht. 65. Het arrest (p. 368) verklaart de eisers III, IV en V onder meer schuldig aan de hen ten laste gelegde feiten van de telastleggingen E.II.8 (enkel in zoverre betrekking hebbend op het niet-opnemen of laten/doen opnemen in de boekhouding en zoals naar tijdsbepaling gepreciseerd) en G.I.8. Het onderdeel, dat uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser VI Eerste onderdeel 66. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1, 2, 3, 3°, en 5, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (hierna Wet Politieambt) en artikel 7 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel: het arrest beslist niet wettig dat de actieve coöperatie tussen de onderzoekers van de federale gerechtelijke politie en leden van de opsporingsinspectie van de douaneadministratie een toegelaten bijstandsverlening is omdat de douaneambtenaren als "agenten van gerechtelijke politie" kunnen worden beschouwd, terwijl deze douaneambtenaren geen politieambtenaar zijn en ook niet met opdrachten van gerechtelijke politie zijn belast. 67. Artikel 3, 1°, 3° en 4°, Wet Politieambt bepaalt: "In deze wet wordt verstaan onder: 1° politiemaatregel: elke juridische of materiële uitvoerbare handeling van bestuurlijke of gerechtelijke politie die voor de burgers een aanwijzing, een verplichting of een verbod inhoudt; 3° politieambtenaar: een lid van een politiedienst door of krachtens de wet bevoegd om bepaalde politiemaatregelen te nemen of uit te voeren en daden van bestuurlijke of gerechtelijke politie te stellen; 4° agent van gerechtelijke politie: de politieambtenaar door of krachtens de wet belast met opdrachten van gerechtelijke politie zonder bekleed te zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings of met deze van officier van gerechtelijke politie." Artikel 8 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De gerechtelijke politie spoort de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op, verzamelt de bewijzen ervan en levert de daders over aan de rechtbanken belast met hun bestraffing." Artikel 15, eerste lid, Wet Politieambt bepaalt: "Bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie, hebben de politiediensten als taak: 1° de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de daders ervan te vatten, te arresteren en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen bepaald door de wet; 2° de personen in wier vrijheidsbeneming door de wet wordt voorzien, op te sporen, te vatten, te arresteren en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden; 3° de voorwerpen waarvan de inbeslagneming voorgeschreven is, op te sporen, in beslag te nemen en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden; 4° het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden te bezorgen." 68. Uit de bepalingen van de AWDA volgt dat het opsporen, vaststellen en vervolgen van inbreuken op de AWDA is toevertrouwd aan de douaneambtenaren, die daartoe over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikken. Zo zijn zij bevoegd om goederen te volgen (artikel 175 AWDA), zich documenten te doen overleggen (artikel 201, § 2, AWDA), personen, vervoermiddelen, voorwerpen en woningen te visiteren (artikel 182, § 1, AWDA) en zaken in beslag te nemen (artikel 189 AWDA, artikelen 273-278 AWDA). Artikel 267 AWDA bepaalt dat wanneer de misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet worden geconstateerd bij processen-verbaal, deze akten dadelijk, of zo spoedig mogelijk zullen worden opgemaakt, door ten minste twee daartoe bevoegde personen, waarvan de ene moet zijn aangesteld of van commissie voorzien vanwege de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. 69. Hieruit volgt dat douaneambtenaren functioneel te beschouwen zijn als agenten van gerechtelijke politie en in die hoedanigheid bijstand kunnen verlenen aan de gerechtelijke politie. Dat deze ambtenaren, vanuit statutair oogpunt, geen politieambtenaren zijn en hun ambt niet uitoefenen onder het gezag van de minister van Justitie overeenkomstig artikel 5 Wet Politieambt, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 70. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet, de artikelen 63 en 72 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, artikel 463, eerste lid, WIB92, artikel 74bis, eerste lid, Btw-wetboek en de artikelen 189, 193, 194, 195, 196, 197, 220, 222, 261, 265 en 267 tot en met 285 AWDA: het arrest beslist onwettig dat geen wettelijke bepaling een actieve deelname van douaneambtenaren aan onderzoeksmaatregelen uitgevoerd in een douane-gerelateerd strafrechtelijk vooronderzoek in de weg staat; het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod verzetten zich immers, bij gebrek aan elke redelijke verantwoording en buiten proportie met het nagestreefde doel, tegen een actieve deelname van douaneambtenaren aan een gemeenrechtelijk vooronderzoek omwille van de algemene regel die bepaalt dat alle fiscale ambtenaren, wanneer ze zelf geen eigen douane-strafonderzoek als ambtenaar uitvoeren, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging slechts als getuige mogen worden gehoord; dit verschil in behandeling levert ten aanzien van de eiser VI geen eerlijk proces op, vermits hij recht heeft op een gelijke bescherming van het "Charter van de belastingplichtige". De eiser VI vraagt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 63, 72, 82, 88, 95, 103 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate zij respectievelijk in het Wetboek (van) de inkomstenbelastingen, in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in het Wetboek der successierechten en in het Wetboek der zegelrechten, de algemene regel invoeren dat de fiscale ambtenaren van de betrokken administraties en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie in een gemeenrechtelijk strafrechtelijk vooronderzoek "op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging slecht als getuige (mogen) worden gehoord" enerzijds en anderzijds diezelfde algemene regel, zonder redelijke verantwoording en zonder dat dit in verhouding staat tot het beoogde doel met deze afwijking, niet zou gelden voor ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen wanneer zij bijstand verlenen aan eenzelfde gemeenrechtelijk strafrechtelijk vooronderzoek, ook al is het gerelateerd aan mogelijke inbreuken op douane- en accijnsrechten, maar zonder dat daar een eigen strafrechtelijk onderzoek door de douane wordt naar gevoerd?" 71. Er bestaat geen algemene regel die bepaalt dat alle fiscale ambtenaren, wanneer ze zelf geen eigen douane-strafonderzoek als ambtenaar uitvoeren, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging slechts als getuige mogen worden gehoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 72. Overeenkomstig artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 hebben de algemene administratie van de bijzondere belastinginspectie en hun ambtenaren de bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en aan hun ambtenaren. Uit de parlementaire voorbereiding van deze wetsbepaling blijkt dat de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie alle machten hebben die de verschillende belastingwetten toekennen aan de ambtenaren van de administratie van de btw, registratie en domeinen, de administratie van de directe belastingen en de administratie van de douane en accijnzen. Artikel 87 van de voormelde wet van 8 augustus 1980 verleent aan de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie bijgevolg de machten van de ambtenaren van de douane en accijnzen. Wanneer de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie optreden inzake douane en accijnzen, geldt het verbod om anders dan als getuige op te treden derhalve niet. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat ingevolge de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen alle fiscale ambtenaren, andere dan de ambtenaren van de administratie van de douane en accijnzen, geen bijstand mogen verlenen in een gemeenrechtelijk strafonderzoek dat douane-gerelateerd is, faalt het derhalve eveneens naar recht. 73. Het feit dat verschillende fiscale administraties door de wet zijn bekleed met verschillende bevoegdheden, zodat de rechten die de belastingplichtige kan laten gelden tegen de ene administratie niet van toepassing zijn op de andere administratie, houdt geen schending in van enige verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch miskenning van enig algemeen rechtsbeginsel. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 74. Voor het overige voert de eiser VI geen onderscheid aan tussen verschillende personen of categorieën van personen die in eenzelfde juridische toestand verkeren, maar wel een onderscheid tussen personen of categorieën van personen op basis van verschillende toestanden op grond waarvan zij aan verschillende rechtsregels zijn onderworpen en bijgevolg niet in dezelfde juridische toestand verkeren. Dergelijk onderscheid valt niet onder de toepassing van de bijzondere wet van 6 januari 1989, zodat dienaangaande geen vraag dient te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Derde onderdeel 75. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet: het gebrek aan een wettelijke bepaling die de bijstand door de ambtenaren van de administratie van de douane en accijnzen in een gemeenrechtelijk vooronderzoek, ook al is het gerelateerd aan mogelijke inbreuken inzake douane en accijnzen en zonder dat er een eigen douane-strafonderzoek naar wordt gevoerd, beperkt tot het horen als getuige, betreft een ongrondwettige leemte; het arrest werkt die leemte niet weg door het toepassen van de algemene regel, die is ingevoerd in de onderscheiden fiscale wetboeken bij de wet van 4 augustus 1986, dat ook in dat geval de betrokken douaneambtenaren slechts als getuige kunnen worden gehoord. 76. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 77. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1 tot 5 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen: het arrest beslist onwettig dat het voor het verlenen van bijstand door douaneambtenaren aan de federale gerechtelijke politie niet is vereist dat de douaneambtenaren beschikken over de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en hulpofficier van de procureur des Konings; dit wordt door de voormelde wet van 22 april 2003 echter wel vereist. 78. Uit de bepalingen van de vermelde wet van 22 april 2003 volgt niet dat douaneambtenaren bij het verlenen van bijstand aan de federale gerechtelijke politie bekleed dienen te zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 79. Met eigen redenen (p. 265-267) en met overname van de redenen van het beroepen vonnis (F° 536 tot en met F° 539) oordeelt het arrest dat: - het doel van de wet van 22 april 2003 erin bestond om de strijd tegen de georganiseerde douane- en accijnsfraude te versterken door een efficiëntere samenwerking mogelijk te maken tussen de douaneopsporingsdiensten en de gerechtelijke autoriteiten en politiediensten, in de eerste plaats op Europees en internationaal vlak. In de parlementaire voorbereiding van deze wet werd immers uitdrukkelijk gerefereerd aan het gegeven dat in de meeste lidstaten van de Europese Unie de ambtenaren van de douaneautoriteiten de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie bezitten, naar de Schengenuitvoeringsovereenkomst en naar de Europese regelingen inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties. Daarnaast werd het de met de bijkomende hoedanigheid aangewezen ambtenaren sedertdien ook mogelijk gemaakt in hun eigen opsporingen toepassing te maken van bepaalde, sedert de wet van 6 januari 2003 gereglementeerde, bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksmethoden; - de wet van 22 april 2003 geen enkele wijziging heeft willen aanbrengen aan de regel van de geoorloofde medewerking van douaneambtenaren aan een gemeenrechtelijk vooronderzoek. Wat in hoofde van douaneambtenaren reeds mogelijk was voor agenten van gerechtelijke politie, geldt a fortiori voor officieren van gerechtelijke politie. In de lijn met de wetgeving van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen ("charter van de belastingplichtige") en in afwijking met wat het geval is bij andere belastingadministraties, verliezen de officieren van gerechtelijke politie in de schoot van de algemene administratie van de douane en accijnzen hun taxatiebevoegdheid daarenboven niet; - de wet van 22 april 2003 wel heeft ingevoerd dat het aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen toegelaten werd om autonoom, dit is niet in bijstand van een politiedienst, en in hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, opdrachten van gerechtelijke overheden, voor zover door dezen gewenst (bijvoorbeeld bij toepassing van artikel 281, § 2, AWDA), uit te voeren. Daarbij dient voor ogen te worden gehouden dat de betrokken douaneambtenaren deze bevoegdheden als hulpofficier van de procureur des Konings slechts kunnen uitoefenen ten aanzien van de opsporing en de vaststelling van gemeenrechtelijke misdrijven die douane-gerelateerd zijn. Behoudens de wetten die een bevoegdheid toekennen aan deze ambtenaren bij de in-, uit- of doorvoer van goederen, gaat het dan om overtredingen van de wetgeving betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en inbreuken voor wat betreft de intracommunautaire goederenstromen die onder het toepassingsgebied van de accijnsregelgeving ressorteren; - ofschoon zulks louter materieelrechtelijk niet onmogelijk zou zijn geweest, uit geen enkel gegeven blijkt dat in casu aan één van de betrokken of andere douaneambtenaren een rechtstreekse opdracht werd gegeven door de onderzoeksrechter of door de procureur des Konings. Al hun onderzoeksopdrachten waren gericht aan de federale gerechtelijke politie te Antwerpen en van een autonome bevoegdheidsuitoefening buiten de federale gerechtelijke politie om was voor de douaneadministratie op geen enkel ogenblik sprake. Het ging integendeel slechts om het verlenen van bijstand aan de federale gerechtelijke politie, waarvoor in hoofde van de bijstand verlenende douaneambtenaren geen hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie is vereist. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser VI 80. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 7, 8 en 52, eerste lid, Handvest, de artikelen 10 en 11 Grondwet, de artikelen 1, 2 en 5 Wet Verwerking Persoonsgegevens, de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 tot en met 10 KB 9 januari 2003: het arrest be

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.