id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt.
32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND Vrije woorden: Ontvankelijkheid van het hoger beroep - Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Beoordeling van de regelmatigheid van de betekening - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt.
32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Ontvankelijkheid van het hoger beroep - Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Beoordeling van de regelmatigheid van de betekening - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt.
32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Vrije woorden: Ontvankelijkheid van het hoger beroep - Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Beoordeling van de regelmatigheid van de betekening - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt.
32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 5 - 7 Uit geen enkele bepaling volgt dat het appelgerecht dat moet oordelen over de tijdigheid van een hoger beroep tegen een verstekvonnis, gebonden is door het standpunt van het openbaar ministerie bij het appelgerecht dat de betekening van het verstekvonnis onregelmatig is; het staat immers aan het appelgerecht in het licht van alle feitelijke gegevens van de zaak zich daarover uit te spreken. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Regelmatigheid van de betekening - Hoger beroep - Termijn - Ontvankelijkheid - Regelmatigheid van de betekening - Standpunt van het openbaar ministerie - Beoordelingsvrijheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Verblijf van appellant in een buitenlandse gevangenis - Regelmatigheid van de betekening - Hoger beroep - Termijn - Ontvankelijkheid - Regelmatigheid van de betekening - Standpunt van het openbaar ministerie - Beoordelingsvrijheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Hoger beroep - Termijn - Ontvankelijkheid - Regelmatigheid van de betekening - Standpunt van het openbaar ministerie - Beoordelingsvrijheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 8 - 11 Geen enkele bepaling verplicht het appelgerecht dan van oordeel is dat niet blijkt dat de betekening van het verstekvonnis onregelmatig is, de beklaagde en het openbaar ministerie de gelegenheid moet geven om alsnog daarvan het bewijs te leveren; de vraag naar de regelmatigheid van de betekening van het verstekvonnis en de tijdigheid van het hoger beroep behoren immers noodzakelijkerwijze tot het debat voor het appelgerecht en de partijen dienen er bij hun verweer mee rekening te houden. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Betekening van het verstekvonnis aan het openbaar ministerie - Laattijdigheid van het hoger beroep - Beoordeling door de feitenrechter - Bewijs - Debat voor de appelrechter - Voorafgaande verwittiging van de partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Laattijdigheid van het hoger beroep - Beoordeling door de feitenrechter - Bewijs - Debat voor de appelrechter - Voorafgaande verwittiging van de partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Laattijdigheid van het hoger beroep - Beoordeling door de feitenrechter - Bewijs - Debat voor de appelrechter - Voorafgaande verwittiging van de partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verstekvonnis - Betekening aan het openbaar ministerie - Laattijdigheid van het hoger beroep - Beoordeling door de feitenrechter - Bewijs - Debat voor de appelrechter - Voorafgaande verwittiging van de partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 32 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0093.N S. D., beklaagde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- INNO nv, met zetel te 1000 Brussel, Nieuwstraat 111, burgerlijke partij,
- BRACHT DECKERS EN MACKLEBERT nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 5, burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep is niet betekend aan de verweersters, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 33 tot en met 37 en 40 Gerechtelijk Wetboek en artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het hoger beroep van de eiser laattijdig is en dat de betekening van het verstekvonnis van 13 februari 2017 aan de procureur des Konings regelmatig was; het openbaar ministerie had moeten betekenen op eisers woon- of verblijfplaats in Frankrijk, aangezien het deze kende of had moeten kennen indien daartoe afdoende inspanningen, die verplicht zijn, zouden zijn gedaan; meer bepaald had het openbaar ministerie moeten onderzoeken of de eiser zich nog in de gevangenis te Longuenesse (Frankrijk) bevond.
- De betekening aan de procureur des Konings moet als onbestaande worden beschouwd wanneer de partij op wiens verzoek zij werd verricht, de woon- of verblijfplaats kende of diende te kennen van degene aan wie wordt betekend.
- De rechter oordeelt onaantastbaar en in het licht van de feitelijke gegevens die eigen zijn aan de zaak of het openbaar ministerie de werkelijke woon- of verblijfplaats van de eiser kende of had moeten kennen op het ogenblik van de betekening van het verstekvonnis. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest (p. 10) oordeelt dat: - uit geen van de stukken van het strafdossier blijkt dat het openbaar ministerie op de hoogte was of diende te weten dat de eiser tot op de datum van 12 mei 2017 onafgebroken in de gevangenis te Longuenesse verbleef; - de buitenlandse gevangenis waar de eiser langdurig zou verbleven hebben, geen verblijfplaats is in de zin van de artikelen 36 en 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; - de tenuitvoerlegging van een, zelfs langdurige, vrijheidsstraf buiten het grondgebied van het Rijk, het vermoeden niet wettigt dat gevangenissen de verblijfplaats zijn van hen die er zijn opgesloten; - er twijfel bestaat of de eiser in de gevangenis te Longuenesse een langdurige gevangenisstraf uitzat, aangezien hij zelf bij zijn verhoor op 10 september 2014 verklaarde dat de voorziene datum van zijn invrijheidstelling aldaar 1 februari 2015 betrof, wat ook in grote mate door politionele informatie werd bevestigd; - de eiser, door na te laten de nodige maatregelen te treffen om de procesakten te ontvangen, zichzelf in de onmogelijkheid heeft geplaatst om kennis te nemen van de akten en om termijnen na te leven. Uit die redenen kan het arrest afleiden dat het openbaar ministerie niet op de hoogte was of diende te weten wat de werkelijke woon- of verblijfplaats van de eiser was op het ogenblik van de betekening van het verstekvonnis. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering: hoewel uit het proces-verbaal van 10 september 2014 blijkt dat de eiser opgave heeft gedaan van zijn werkelijke verblijfplaats na het uitzitten van zijn straf en niet blijkt dat het verstekvonnis aan dit adres werd betekend, kan het arrest niet oordelen dat de betekening aan de procureur des Konings niet onbestaande is, de betekening regelmatig is en eisers hoger beroep bijgevolg laattijdig; minstens is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het Hof ontwaart de tegenstrijdigheid niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser bij zijn verhoor van 10 september 2014 een verblijfplaats heeft opgegeven voor na het uitzitten van zijn straf. In zoverre verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest kan gelet op het feit dat de Belgische overheid door zijn overlevering aan de penitentiaire beambten van de gevangenis van Longuenesse met het oog op strafuitvoering en het feit dat de eiser bij zijn verhoor van 10 september 2014 een werkelijke verblijfplaats opgaf voor na het uitzitten van zijn gevangenisstraf, niet wettig oordelen dat de eiser zou hebben nagelaten de nodige maatregelen te treffen om de procesakte te ontvangen; de eiser zou bij een regelmatige betekening kennis hebben gehad van de dagvaarding en minstens van het verstekvonnis; dit maakt dat zijn recht van verdediging is miskend; de eventuele mogelijkheid van verzet in de buitengewone termijn doet daaraan geen afbreuk.
- Zoals volgt uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de eiser bij zijn verhoor van 10 september 2014 een verblijfplaats heeft opgegeven voor na het uitzitten van zijn straf. In zoverre verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest verklaart eisers hoger beroep niet ontvankelijk wegens laattijdigheid niettegenstaande het openbaar ministerie voor het appelgerecht heeft erkend dat het verstekvonnis niet regelmatig is betekend; de rechtspleging liet bijgevolg niet toe te oordelen over de rechtsgeldigheid van die betekening; het appelgerecht had het openbaar ministerie en de eiser de gelegenheid moeten geven het bewijs te leveren dat het openbaar ministerie bij de betekening van het verstekvonnis de woon- of verblijfplaats van de eiser kende.
- Uit geen enkele bepaling volgt dat het appelgerecht dat moet oordelen over de tijdigheid van een hoger beroep tegen een verstekvonnis, gebonden is door het standpunt van het openbaar ministerie bij het appelgerecht dat de betekening van dit verstekvonnis onregelmatig is. Het staat immers aan het appelgerecht in het licht van alle feitelijke gegevens van de zaak zich daarover uit te spreken. Evenmin verplicht enige bepaling het appelgerecht dat van oordeel is dat niet blijkt dat die betekening onregelmatig is, de beklaagde en het openbaar ministerie de gelegenheid te geven om alsnog daarvan het bewijs te leveren. De vraag naar de regelmatigheid van de betekening van het verstekvonnis en de tijdigheid van het hoger beroep behoren immers noodzakelijkerwijze tot het debat voor het appelgerecht en de partijen dienen er bij hun verweer mee rekening te houden. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 31 maart 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200331.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220309.2F.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950214.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div