← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.2N.2 Rolnummer: P.20.0356.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-04-08 Raadplegingen: 716 - laatst gezien 2026-06-29 03:22 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de artikelen 21, §4, 22, eerste en zesde lid, en 30, §4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat ongeacht de aangevoerde nietigheid de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding enkel kan worden betwist wanneer over de handhaving van de voorlopige hechtenis uitspraak wordt gedaan binnen de termijn van vijf dagen te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging van het bevel tot aanhouding en niet wanneer het onderzoeksgerecht maandelijks of tweemaandelijks uitspraak doet over de handhaving van de hechtenis

(1).
(1)Cass. 2 januari 2002, AR P.01.1740.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020102.1, AC 2002, nr. 1, R.D.P. 2002,
  1. Zie D. DE WOLF, Voorlopige hechtenis. Commentaar, Heule, INNI, 2014,161, nr. 11; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, p. 518; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina, 2019,
  2. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Maandelijkse of tweemaandelijkse verlenging - Legaliteit van het aanhoudingsbevel - Rechterlijke Controle - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0356.N M. N. V., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Didier Baecke, advocaat bij de balie Gent I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 maart
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 2 en 18, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bevel tot aanhouding in overeenstemming is met de bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet; het proces-verbaal van eerste verhoor tijdens de arrestatietermijn vermeldt op pagina 3 dat de ondervraging is aangevat op 29 januari 2020 om 19.56 uur en dat de eiser op 29 januari 2020 om 05.45 uur van zijn vrijheid werd beroofd; in datzelfde proces-verbaal wordt het einde van de ondervraging gesitueerd op 28 januari 2020 om 22.33 uur; aangezien het einde van de ondervraging zich vanzelfsprekend niet vóór het begin van de ondervraging en de arrestatie kan situeren, moet bijgevolg worden aangenomen dat de eiser reeds op 28 januari 2020 om 05.45 uur van zijn vrijheid was beroofd; minstens kan op basis van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet met zekerheid worden bepaald of de eiser op dinsdag 28 januari 2020 dan wel woensdag 29 januari 2020 van zijn vrijheid werd beroofd, zodat moet worden uitgegaan van de voor de eiser meest gunstige hypothese; het bevel tot aanhouding werd pas aan de eiser betekend op 30 januari 2020 om 15.25 uur, dit wil zeggen meer dan 48 uur na de aanvang van zijn vrijheidsberoving op 28 januari 2020 om 05.45 uur. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: op basis van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kon het arrest niet rechtmatig oordelen dat het aanhoudingsbevel regelmatig is, gelet op de tegenstrijdigheden in het proces-verbaal van eerste verhoor zelf en de discrepantie met het aanhoudingsbevel; bijgevolg is de beslissing niet naar recht verantwoord.
  5. Uit de artikelen 21, § 4, 22, eerste en zesde lid, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat ongeacht de aangevoerde nietigheid de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding enkel kan worden betwist wanneer over de handhaving van de voorlopige hechtenis uitspraak wordt gedaan binnen de termijn van vijf dagen te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging van het bevel tot aanhouding en niet wanneer het onderzoeksgerecht maandelijks of tweemaandelijks uitspraak doet over de handhaving van de hechtenis.
  6. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bij definitief arrest van 13 februari 2020, gewezen op het hoger beroep van de eiser tegen de beschikking van de raadkamer van 3 februari 2020 waarbij binnen de vijf dagen uitspraak werd gedaan over de handhaving van de voorlopige hechtenis bevolen bij aanhoudingsbevel van 30 januari 2020, door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal geoordeeld dat het voormelde bevel tot aanhouding regelmatig was volgens de bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet.
  7. De regelmatigheid van het verleende bevel tot aanhouding staat dan ook vast en dit ongeacht de opnieuw gedane vaststelling in het thans bestreden arrest door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal dat het verleende bevel tot aanhouding regelmatig is volgens de bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet. Het middel dat in zijn beide onderdelen niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest neemt als ernstige aanwijzingen van schuld door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal aan dat bij de bij de eiser uitgevoerde huiszoeking 3.749 stuks 2CB, 177 gram cocaïne, 220 stuks XTC, 590 gram speed, 14 gram heroïne, 1.527 gram MDMA, 2.180 gram mephedrone en 380 gram ketamine werden aangetroffen, terwijl zoals blijkt uit de bijlage bij het proces-verbaal GE.L3.000547/2020 van 28 januari 2020, pagina 7, bij hem enkel verpakkingsmateriaal, 1.850,00 euro cash geld en een beperkte hoeveelheid drugs werden aangetroffen; het arrest vermengt aldus de resultaten van de huiszoeking in het praatcafé La Vida te Maldegem met die van de huiszoeking bij de eiser thuis; het oordeel dat er een volstrekte noodzakelijkheid is van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid, is dan ook niet naar recht verantwoord.
  9. Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar de bijlage bij het proces-verbaal GE.L3.000547/2020 van 28 januari 2020, pagina
  10. Het kan dan ook de bewijskracht van deze akte niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet: het oordeel van het arrest dat het bevel tot aanhouding regelmatig is volgens de bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet en dit op basis van een foutieve verwijzing naar de voorwerpen die zouden zijn aangetroffen bij de bij de eiser uitgevoerde huiszoeking schendt deze bepaling.
  12. Het onderdeel dat is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten, is niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest neemt ten onrechte recidivegevaar aan; dit recidivegevaar wordt niet aangetoond; het wordt tegengesproken door eisers verklaringen bij zijn eerste politieverhoor en bij zijn ondervraging door de onderzoeksrechter en door een stavingsstuk neergelegd voor de eerste rechter.
  14. Het onderdeel verplicht geheel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: aangezien de gevolgtrekkingen die het arrest maakt op basis van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet naar recht verantwoord zijn, miskent het arrest eveneens de bewijskracht van die stukken.
  16. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid en bijgevolg onontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet het risico op het wegmaken van bewijzen.
  18. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten die uitspraak doen inzake voorlopige hechtenis.
  19. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen inzake voorlopige hechtenis.
  20. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  21. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal dat kan worden gevreesd dat de eiser zich bij een eventuele invrijheidstelling tegen de goede gang van het verder onderzoek zal verzetten en dat hij bewijzen zou wegmaken. Het oordeelt dat er immers nog geen enkel beeld is van de totale omvang van zijn drughandel en dat nog afnemers moeten worden verhoord voor het bepalen van de intensiteit van die handel en dat de bovendealer nog moet worden geïdentificeerd en opgespoord. Met die redenen motiveert het arrest het risico op het wegmaken van bewijzen. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest kan geen risico aannemen op het wegmaken van bewijzen aangezien uit het proces-verbaal van eerste verhoor en de ondervraging door de onderzoeksrechter blijkt dat de eiser zijn medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk onderzoek; bovendien werd de inhoud van eisers telefoon uitgelezen en geanalyseerd; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het arrest geen risico op het zich verstaan van de eiser met derden kon aannemen; er blijken maar twee andere inverdenkinggestelden te zijn; de eerste bevindt zich in voorlopige hechtenis zodat er bij de invrijheidstelling van de eiser geen contacten kunnen zijn; de identiteit en de contactgegevens van de andere inverdenkinggestelde zijn de eiser volstrekt onbekend zoals door hem werd verklaard aan de politie en de onderzoeksrechter; het arrest motiveert verder het recidivegevaar niet en dit gevaar blijkt ook niet uit de voorliggende stukken.
  23. Het arrest (p. 6) motiveert door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal (p. 4, vijfde alinea) wel degelijk het gevaar voor recidive. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  24. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 7 april 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020102.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221026.2F.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.