← België

D. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 Rolnummer: P.19.1274.N Zaak: D. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-16 Raadplegingen: 908 - laatst gezien 2026-06-28 22:02 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf benadeeld te zijn, kan zich op grond van artikel 63, Wetboek van Strafvordering, voor de bevoegde onderzoeksrechter burgerlijke partij stellen , zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, haar omvang en het oorzakelijk verband ervan met het desbetreffende misdrijf, maar de beweerde benadeelde moet, wil zijn burgerlijke partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering over de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, aannemelijk maken; bij die beoordeling dient het onderzoeksgerecht dat over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling oordeelt, rekening te houden met de concrete feiten voorwerp van de klacht met burgerlijke partijstelling en niet met de abstracte misdrijfomschrijvingen; het onderzoeksgerecht oordeelt in beginsel op een onaantastbare wijze in feite of de schade die de benadeelde beweert te hebben geleden aannemelijk is, wat het kan afleiden uit zijn vaststelling dat de beweerde benadeelde geen schade heeft geleden of heeft kunnen lijden omdat de aangevoerde schade niet reëel noch persoonlijk is en het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit de door hem vastgestelde feitelijke gegevens geen gevolgen trekt die er geen verband mee houden of met het begrip schade onverenigbaar zijn

(1).
(1)Cass. 26 mei 2015, AR P.15.0089.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.6, AC 2015, nr. 344; Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1814.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4, AC 2012, nr.
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Burgerlijke partij - Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Voorwaarde - Aannemelijke schade - Beoordeling Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Burgerlijke partij - Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Voorwaarde - Aannemelijke schade - Beoordeling Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Burgerlijke partij - Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Voorwaarde - Aannemelijke schade - Beoordeling Tekst van de beslissing Nr. P.19.1274.N G. D., burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen Hubert BERGHS, met kantoor te 3500 Hasselt, Luikersteenweg 264B 0.2, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van WIJNMAKELAARSUNIE - LES COURTIERS VINICOLES bvba, belanghebbende partij, verweerder, met als raadslieden mr. Jan Swennen en mr. Lore Gyselaers, advocaten bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Tweede onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 63 en 235bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij ten gevolge van enig misdrijf persoonlijke en reële schade heeft geleden en dat hoogstens blijkt dat een contract van bewaargeving niet zou zijn nageleefd en zulks een louter burgerrechtelijke aangelegenheid betreft, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat eisers klacht met burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter wegens misbruik van vertrouwen niet ontvankelijk is, niet naar recht; dat is zeker zo aangezien de appelrechters van oordeel zijn dat de eiser een materieel bestanddeel van het misdrijf misbruik van vertrouwen, namelijk het bestaan van een contract van bewaargeving, wat een precair bezit tot stand brengt, aannemelijk maakt; de omstandigheid dat behalve het contract van bewaargeving ook nog andere constitutieve elementen vereist zijn voor het misdrijf misbruik van vertrouwen, doet hieraan geen afbreuk; artikel 63 Wetboek van Strafvordering vereist niet dat de burgerlijke partij de desbetreffende feiten in alle nauwkeurigheid en met al hun kenmerken omschrijft.
  4. Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf benadeeld te zijn, kan zich op grond van artikel 63 Wetboek van Strafvordering voor de bevoegde onderzoeksrechter burgerlijke partij stellen, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, haar omvang en het oorzakelijk verband ervan met het desbetreffende misdrijf. Evenwel moet de beweerde benadeelde, wil zijn burgerlijkepartijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering over de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, aannemelijk maken. Bij die beoordeling dient het onderzoeksgerecht dat over de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling oordeelt, rekening te houden met de concrete feiten, voorwerp van de klacht met burgerlijkepartijstelling, en niet met de abstracte misdrijfomschrijvingen.
  5. Het onderzoeksgerecht oordeelt in beginsel op een onaantastbare wijze in feite of de schade die de benadeelde beweert te hebben geleden aannemelijk is, wat het kan afleiden uit zijn vaststelling dat de beweerde benadeelde geen schade heeft geleden of heeft kunnen lijden omdat de aangevoerde schade niet reëel noch persoonlijk is. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit de door hem vastgestelde feitelijke gegevens geen gevolgen trekt die er geen verband mee houden of met het begrip schade onverenigbaar zijn.
  6. Uit de vaststellingen van de appelrechters in het arrest blijkt dat: - de eiser zich op 30 april 2019 tegen onbekenden burgerlijke partij heeft gesteld bij de onderzoeksrechter wegens feiten die in het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling werden omschreven als misbruik van vertrouwen; - de eiser voorhoudt dat een partij aan hem toebehorende wijnen, die ter bewaring waren ondergebracht in de kelders van de Wijnmakelaarsunie bvba, thans in staat van faillissement, niet aan hem worden terugbezorgd, waardoor hij schade zou lijden. Gelet op die vaststellingen, met name dat de eiser tot staving van zijn klacht met burgerlijkepartijstelling wegens misbruik van vertrouwen heeft voorgehouden dat hem toebehorende goederen ter bewaring bij een derde waren ondergebracht, die goederen niet aan hem werden terugbezorgd en hij hierdoor schade lijdt, konden de appelrechters, die deze beweringen van de eiser als zodanig niet onaannemelijk achten en voor het overige niet uitsluiten dat het contract van bewaargeving inderdaad niet werd nageleefd, niet wettig oordelen dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten gevolge van enig misdrijf persoonlijke reële schade heeft geleden. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  7. De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  8. De vernietiging van de beslissing over de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling en de strafvordering leidt tot de vernietiging van de beslissing over de kosten en de rechtspleging die er een gevolg van is, maar laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de klacht met burgerlijkepartijstelling en de strafvordering niet ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over de rechtsplegingsvergoeding. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot een vierde van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 886,17 euro, waarvan 180,51 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 21 april 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240611.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251022.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.