← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.6 Rolnummer: P.20.0404.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2021-09-16 Raadplegingen: 521 - laatst gezien 2026-06-28 07:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het staat niet aan de rechter die moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, op vraag van een verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, opgave te doen van de concrete praktische en preventieve maatregelen die werden genomen ter bescherming van zijn lichamelijke integriteit in de instelling waar hij is opgesloten; het staat wel aan de rechter om in het licht van de door verzoeker tot invrijheidstelling aangevoerde concrete gegevens te onderzoeken of diens vrijheidsberoving in overeenstemming is met artikel 3 EVRM

(1).
(1)EHRM, Pantea t. Roemenië, 3 juni 2003, n° 33343/
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Weigering - Schending van artikel 3 EVRM - Verbod van foltering - Maatregelen ter bescherming van de lichamelijke integriteit en gezondheid - Coronacrisis - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Verbod van foltering - Maatregelen ter bescherming van de lichamelijke integriteit en gezondheid - Coronacrisis - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Voorlopige invrijheidstelling - Weigering - Schending van artikel 3 EVRM - Verbod van foltering - Maatregelen ter bescherming van de lichamelijke integriteit en gezondheid - Coronacrisis - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0404.N S. N., alias S. A., alias S. N., alias N. S., alias S. A., alias S. N., alias S. N., alias S. A., alias S. N., alias S. N., alias S. N., alias S. N., alias S. N., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Crépine Uwashema, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Kolenmarkt 83, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 6 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet eisers appelconclusie waarin hij om een invrijheidstelling onder voorwaarden of ondergeschikt de handhaving van de detentie onder elektronisch toezicht verzoekt.
  4. Het arrest oordeelt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis nog steeds volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, gelet op de zwaarwichtige aard van de ten laste gelegde feiten, dat het recidivegevaar reëel is gezien het herhaald en georganiseerd karakter van deze feiten, dat er gezien de ernst van de feiten kan worden gevreesd dat de eiser zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken en dat de eiser geen woon- of verblijfplaats in België heeft en is gekend onder verschillende aliassen. Het oordeelt verder dat een vrijlating onder voorwaarden of mits betaling van een borgsom onvoldoende garanties biedt voor de openbare veiligheid en voor het onttrekkingsgevaar. Met deze redenen beantwoordt het arrest eisers verzoek om een invrijheidstelling onder voorwaarden of ondergeschikt een detentie onder elektronisch toezicht, zonder dat het hoeft te antwoorden op argumenten die ter ondersteuning van dit verzoek worden aangevoerd, maar geen zelfstandig verweer vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: de door het arrest gemaakte beoordeling met betrekking tot artikel 5 EVRM houdt geen rekening met de concrete verzoeken en uiteenzettingen van de eiser en kan dan ook niet als conform deze verdragsbepaling worden beschouwd; het arrest motiveert ook niet waarom de aanhouding van de eiser noodzakelijk is, zeker rekening houdend met zijn blanco strafblad, het feit dat hij reeds werd vrijgelaten zonder vlucht- of recidivegevaar te vertonen en dat de meerderheid van de andere beklaagden, met gelijkaardige personalia en statuut zich niet in de gevangenis bevinden.
  6. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
  7. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - de procedure kent momenteel geen onredelijke vertraging; - het strafrechtelijk onderzoek werd met de nodige ernst en spoed gevoerd en kende geen abnormale vertraging; - het dossier werd door de onderzoeksrechter medegedeeld op 27 augustus 2019; de regeling van de rechtspleging, vastgesteld op de rechtszitting van 26 september 2019, diende echter te worden geschorst, gezien de neerlegging van verzoekschriften tot bijkomende onderzoekshandelingen; - bij beschikking van de raadkamer van 9 januari 2020 werd de zaak verwezen naar de correctionele rechtbank; - de zaak werd binnen redelijke termijn vastgesteld op 28 februari 2020 voor behandeling ten gronde; - op deze rechtszitting hebben de partijen verzocht om conclusietermijnen te bepalen en de behandeling van de zaak werd verdaagd tot de rechtszitting van 27 maart 2020; - de behandeling van de zaak werd ambtshalve uitgesteld naar de rechtszitting van 8 mei 2020 gezien de uitzonderlijke omstandigheden en verwijzend naar het bevelschrift van de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 maart 2020; - de zaak staat momenteel vastgesteld voor behandeling ten gronde op 8 mei 2020 en de thans in voege zijnde maatregelen ingevolge de coronacrisis zijn beperkt in de tijd en het is dus geenszins uitgesloten dat de zaak effectief zal worden behandeld op deze datum. Met deze redenen en de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel verantwoorden de appelrechters in het licht van de door de eiser aangevoerde elementen naar recht de beslissing dat de behandeling van de zaak geen abnormale vertraging kende, artikel 5 EVRM geenszins is geschonden en de handhaving van eisers aanhouding strikt noodzakelijk is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: met het oordeel dat het onttrekkingsgevaar niet kan worden verholpen door de voorgestelde betaling van een borgsom, miskent het arrest de bewijskracht van eisers appelconclusie, waarin de eiser geen borgsom heeft voorgesteld, maar wel in ondergeschikte orde de verdere handhaving van de detentie onder elektronisch toezicht, waardoor bescherming wordt geboden in het kader van artikel 3 EVRM tegen de aangekaarte gezondheidsrisico's die bestaan in de gevangenissen gelet op het covid-19 virus; het arrest motiveert niet waarom de handhaving van de detentie onder elektronisch toezicht wordt geweigerd.
  9. Het arrest verwijst met betrekking tot het oordeel dat het onttrekkingsgevaar niet kan worden verholpen door de voorgestelde betaling van een borgsom niet naar eisers appelconclusie zodat het de bewijskracht ervan niet kan miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  10. Op grond van de redenen die het vermeldt, oordeelt het arrest dat het beroepen vonnis "gelet op de ernst van de beweerdelijk gepleegde feiten, een juiste afweging [heeft] gemaakt tussen de door [de eiser] ingeroepen belangen, enerzijds, en de belangen van de samenleving anderzijds rekening houdend met de actuele gezondheidsrisico's door de covid-19 pandemie voor elkeen". Met dit oordeel en de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel motiveert het arrest de weigering van eisers verzoek, gelet op de gezondheidsrisico's die bestaan in de gevangenis ingevolge het covid-19 virus, de detentie onder elektronisch toezicht te handhaven. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene motiveringsplicht in verband met de artikelen 3 en 6 EVRM: het arrest geeft niet aan welke concrete praktische en preventieve maatregelen werden genomen ter bescherming van de lichamelijke integriteit en de gezondheid van de eiser die van zijn vrijheid is beroofd; de eiser heeft nochtans aan het openbaar ministerie gevraagd welke maatregelen werden genomen in de gevangenis te Sint-Gillis, maar kreeg daar geen antwoord op.
  12. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de houding van het openbaar ministerie en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  13. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waardoor het arrest artikel 6 EVRM schendt. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  14. Het staat niet aan de rechter die moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, op vraag van een verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, opgave te doen van de concrete praktische en preventieve maatregelen die werden genomen ter bescherming van zijn lichamelijke integriteit in de instelling waar hij is opgesloten. Het staat wel aan de rechter om in het licht van de door verzoeker tot invrijheidstelling aangevoerde concrete gegevens te onderzoeken of diens vrijheidsberoving in overeenstemming is met artikel 3 EVRM. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Het arrest oordeelt met betrekking tot de door de eiser aangevoerde schending van artikel 3 EVRM als volgt: - het valt uiteraard niet te betwisten dat de huidige coronacrisis een buitengewone uitdaging vormt voor de gevangenisdirecties die bijzonder veel aandacht en inspanningen zal vergen van het penitentiair personeel om de elementaire maatregelen te treffen teneinde de verspreiding van het virus te verhinderen en de gezondheid van de gedetineerden te vrijwaren; - de eiser, een jongeman van 22 jaar, toont niet aan dat hij tot enige bijzondere risicocategorie zou behoren voor wat betreft de besmetting met het coronavirus en toont evenmin in concreto aan dat hij zou worden blootgesteld aan een ernstig gezondheidsrisico, noch dat hij niet over de minimale hygiëne- en voorzorgsmaatregelen zou kunnen beschikken binnen de penitentiaire instelling waar hij verblijft; - de eiser verwijst naar het feit dat er verschillende besmettingen zijn vastgesteld in de gevangenissen van het land, waaronder de gevangenissen van Bergen, Vorst en Turnhout, maar dit zijn gevangenissen waar hij niet verblijft; - het beroepen vonnis heeft gelet op de ernst van de beweerdelijk gepleegde feiten een juiste afweging gemaakt tussen enerzijds de door de eiser ingeroepen belangen en anderzijds de belangen van de samenleving rekening houdend met de actuele gezondheidsrisico's door de covid-19 pandemie voor elkeen. Daaruit blijkt dat het appelgerecht de door de eiser aangevoerde schending van artikel 3 EVRM heeft onderzocht. Met die redenen verantwoordt het arrest bovendien naar recht de beslissing dat eisers opsluiting geen schending inhoudt van artikel 3 EVRM. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene motiveringsplicht in verband met de artikelen 3 en 6 EVRM: het arrest is gebrekkige gemotiveerd en doet geen deugdelijk onderzoek naar de in het kader van deze verdragsbepalingen opgeworpen risico's.
  17. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde wetschendingen. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 22,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 21 april 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.