← België

ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.4 Rolnummer: C.19.0468.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-05-25 Raadplegingen: 472 - laatst gezien 2026-06-28 07:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Krachtens artikel 1235, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, kan hetgeen betaald wordt zonder verschuldigd te zijn van de ontvanger worden teruggevorderd; deze betaling kan iedere verrichte prestatie omvatten, ongeacht haar aard; wanneer de vordering op grond van onverschuldigde betaling betrekking heeft op een geldsom, strekt zij tot terugbetaling van die geldsom; wanneer de vordering op grond van onverschuldigde betaling betrekking heeft op een onverschuldigd uitgevoerde prestatie, strekt zij tot vergoeding van deze prestatie; aangezien aan de ontvanger geen vergoedingsplicht mag worden opgelegd voor opgedrongen prestaties, is de ontvanger slechts gehouden tot vergoeding indien dit redelijk is; dit is onder meer het geval wanneer de prestatie is toe te rekenen aan de ontvanger van de prestatie. Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Vrije woorden: Onverschuldigd betaalde - Aard - Prestatie - Geldsom - Uitgevoerde prestatie - Onderscheid - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. C.19.0468.N S.R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen NN INSURANCE BELGIUM nv, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Fonsnylaan 38, voorheen Delta Lloyd Life nv, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0890.270.057, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 juni

  1. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 10 februari 2020 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
  2. Krachtens artikel 1235, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, kan hetgeen betaald wordt zonder verschuldigd te zijn van de ontvanger worden teruggevorderd. Deze betaling kan iedere verrichte prestatie omvatten, ongeacht haar aard.
  3. Wanneer de vordering op grond van onverschuldigde betaling betrekking heeft op een geldsom, strekt zij tot terugbetaling van die geldsom. Wanneer de vordering op grond van onverschuldigde betaling betrekking heeft op een onverschuldigd uitgevoerde prestatie, strekt zij tot vergoeding van deze prestatie. Aangezien aan de ontvanger geen vergoedingsplicht mag worden opgelegd voor opgedrongen prestaties, is de ontvanger slechts gehouden tot vergoeding indien dit redelijk is. Dit is onder meer het geval wanneer de prestatie is toe te rekenen aan de ontvanger van de prestatie.
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - de eiser melding maakt van grondverzakking aan zijn pand ten gevolge van een breuk in de waterleiding en contact opneemt met zijn verzekeraar, de verweerster; - een door de verweerster aangestelde expert opdracht geeft aan een aannemer om schoringswerken uit te voeren; - de verzekeraar steeds voorbehoud heeft gemaakt voor het verlenen van dekking; - vast staat dat de uitvoering van de schoringswerken noodzakelijk was; - tussen de partijen betwisting ontstaat over wie de kosten van de scho-ringswerken moet dragen; - de aannemer zich in eerste instantie voor de betaling van zijn facturen richt tot de eiser, maar de rechter deze vordering afwijst; - de aannemer zich in een nieuw geding richt tegen de verzekeraar; - de verzekeraar een vordering in vrijwaring instelt tegen de eiser op grond van onverschuldigde betaling; - de appelrechters het bestaan aannemen van een contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de aannemer en beide vorderingen gegrond verklaren.
  5. De appelrechters die vaststellen en oordelen dat de eiser een betaling heeft ontvangen, namelijk de schoringswerken uitgevoerd door de aannemer, de verweerster de uitvoering van de prestatie aan de aannemer dient te vergoeden, in de verhouding tussen de eiser, ontvanger van de prestatie, en de verweerster geen rechtsgrond voor de prestatie voorhanden is, deze werken noodzakelijk waren en die op grond hiervan oordelen dat de eiser de verweerster dient te vrijwaren voor hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 312,42 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué en raadsheer Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 27 april 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.