← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020

Art. 243- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Knevelarij - Weten dat taksen of gelden niet verschuldigd zijn - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 243

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Knevelarij - Weten dat taksen of gelden niet verschuldigd zijn - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 243- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.0117.N I-II-III S. M. L. H. D. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Wahib El Hayouni, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 december 2018 (arrest I), het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 april 2019 (arrest II), alsook het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 december 2019 (arrest III). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 243 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet het door de eiseres in haar appelconclusie omstandig en nauwkeurig ontwikkelde verweer dat was gesteund op de onduidelijkheid van de toepasselijke wetgeving; het arrest kon de bewezenverklaring wegens knevelarij niet steunen op het oordeel dat het onwaarschijnlijk is dat de eiseres de specifieke regeling inzake geesteszieken niet zou kennen en daartoe verwijzen naar de wetsgeschiedenis en een specifieke rechtskundige commentaar die voor de eiseres toegankelijk was.
  2. Artikel 243 Strafwetboek bestraft als knevelarij iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent en die bevel geeft om rechten, taksen, belastingen, gelden, inkomsten of interesten, lonen of wedden te innen, of die te vorderen of te ontvangen, wetende dat zij niet verschuldigd zijn of het verschuldigde te boven gaan. Het staat aan de rechter te oordelen of de betrokkene wist of de rechten, taksen, belastingen, gelden, inkomsten, interesten, lonen of wedden verschuldigd waren of het verschuldigde te boven gingen.
  3. Het arrest grondt het oordeel dat de eiseres wist dat de in de telastleggingen C.1 en C.2 vermelde geldsommen niet verschuldigd waren of het verschuldigde te boven gingen niet enkel op de argumenten van het openbaar ministerie zoals weergegeven in het arrest onder de randnummers 23 tot en met 37 (arrest, p. 51, randnummer 52), maar ook op het volgende: - het misdrijf van knevelarij laat de rechtsonderhorige toe te verstaan wanneer hij strafbaar is. De beklaagden en dus ook de eiseres wisten dat, door aan de voorlopige bewindvoerders van geesteszieken verplaatsingskosten te vragen en door systematisch in elk dossier, onafhankelijk van de afstand, de hoogste vergoeding van 70,00 euro te vragen, zij sommen vroegen die niet verschuldigd waren (arrest, p. 39, randnummer 30); - de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke bevat wat betreft de reis- en ver-blijfskosten van de magistraten een duidelijke verwijzing naar het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken en dit zowel wat betreft het voorschieten als de omvang van de voorgeschoten kosten. Het zijn de toepasselijke artikelen van dit reglement die de beklaagden en dus ook de eiseres niet hebben in acht genomen (arrest, p. 45-46, randnummers 42-44); - zonder zich te bekommeren over de toepasselijkheid van deze bepalingen werkten de beklaagden en dus ook de eiseres een eigen systeem uit voor de vergoeding van hun kosten. Deze gezamenlijke ingesteldheid en handelwijze leidden ertoe dat zij uiteindelijk het algemeen reglement compleet negeerden, niettegenstaande het voor iedereen en in het bijzonder magistraten en griffiers bij eenvoudige lezing van de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke duidelijk was en moet geweest zijn dat er diende te worden gehandeld zoals voorgeschreven in het algemeen reglement (arrest, p. 46, randnummers 45-46); - het vooronderzoek en het gerechtelijk onderzoek hebben uitgewezen dat in andere vredegerechten deze bepaling wel degelijk correct werd toegepast. De voorzitter van de vrederechters en politierechters van Oost-Vlaanderen ver-klaarde dat de stelling dat op de bedoelde verplaatsingskosten de regeling van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing was, geenszins strookte met de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke en een interpretatie contra legem was en dat er binnen de wereld van de vredegerechten consensus was dat zowel voor de provisie als de begroting het algemeen reglement op de gerechtskosten van toepassing was (arrest, p. 46-47, randnummer 47); - het hof van beroep treedt deze zienswijze volledig bij nu deze eenvoudigweg de logische en rationele toepassing uitmaakt van de wet en de wil van de wetgever. Elke verdere of andere interpretatie is uit den boze en getuigt van een manifeste onwil om de wet op de geesteszieken en het algemeen reglement correct toe te passen, dit ten voordele van eigen geldgewin (arrest, p. 47, randnummer 48); - de door de beklaagden en dus ook de eiseres voorgehouden onwetendheid, verwarring of verkeerde interpretatie kunnen niet resulteren in een verontschuldigende of strafuitsluitende werking. Het volstond dat zij, in hun hoedanigheid van magistraat en griffier, eerst meer inlichtingen hadden ingewonnen bij het parket-generaal of de dienst gerechtskosten in Brussel. Hun zogenaamde dwaling of onwetendheid waren het gevolg van eigengereid - contra legem - handelen en als dusdanig te voorkomen. Het huidig verweer waarbij wordt verwezen naar allerlei instanties die zogezegde adviezen zouden hebben verstrekt over de toepassing van de betrokken wetsbepalingen is kunstmatig en helemaal niet relevant. De wet is immers duidelijk en diende strikt te worden toegepast overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever (arrest, p. 47-48, randnummers 49-50); - de beklaagden en dus ook de eiseres hielden geen rekening met de duidelijke bepaling voor wat betreft de vergoeding voor de verplaatsingen en rekenden steeds het hoogste tarief aan, ongeacht het aantal afgelegde kilometers (arrest, p. 51, randnummer 53-54); - ook hier kan worden verwezen naar de nonchalante maar daarom niet minder strafbare want zelf duidelijk wetsnegerende ingesteldheid van de beklaagden en dus ook de eiseres. Alle beschouwingen over de onduidelijkheid, onzekerheid en verschillende mogelijke interpretaties zijn kunstmatig en een exponent van deze niet wetsconforme strafbare ingesteldheid van de beklaagden, waarbij het erom te doen was zich zoveel mogelijk vergoedingen te doen toekennen in strijd met de wet (arrest, p. 51, randnummer 55).
  4. Met deze redenen beantwoordt het arrest het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  5. Op grond van deze redenen is de beslissing dat de eiseres wist dat de in de telastleggingen C.1 en C.2 vermelde geldsommen niet verschuldigd waren of het verschuldigde te boven gingen regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord en dit ongeacht de overname van de door het openbaar ministerie ontwikkelde argumenten, zoals weergeven in het arrest. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 398,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 april 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200428.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.