← België

X.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.11 Rolnummer: P.20.0459.N Zaak: X. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-05-07 Raadplegingen: 756 - laatst gezien 2026-06-28 14:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Op grond van artikel 29 Wet Politieambt kunnen politieambtenaren overgaan tot het doorzoeken van een voertuig op de openbare weg, onder meer indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen of om overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf te vervoeren; het doorzoeken van een voertuig mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen maar zulke doorzoeking kan, volgens de noodwendigheden, gebeuren in meerdere fasen die plaatsvinden op niet-aansluitende tijdstippen, zodat een voertuig het voorwerp kan uitmaken van meerdere doorzoekingen die in dat geval elk moeten voldoen aan de vereisten van artikel 29 Wet Politieambt

(1).
(1)Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1908.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9, AC 2012, nr. 282; L. ARNOU, Zoeking in voertuigen, Comm. Straf., nr. 20 e.v. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Wet Politieambt - Artikel 29 - Doorzoeking van een voertuig - Voorwaarden - Duur van de doorzoeking - Niet-aansluitende tijdstippen - Draagwijdte Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Bewijsvoering - Wet Politieambt - Artikel 29 - Doorzoeking van een voertuig - Voorwaarden - Duur van de doorzoeking - Niet-aansluitende tijdstippen - Draagwijdte Fiches 3 - 5 Indien voor het onderzoeksgerecht wordt aangevoerd dat inzake voorlopige hechtenis de ernstige aanwijzingen van schuld zijn afgeleid uit een huiszoeking waarvan de regelmatigheid niet blijkt, dan kan het onderzoeksgerecht de regelmatigheid van de huiszoeking beoordelen op basis van een gekopieerd, gefaxt of per e-mail toegevoegd huiszoekingsbevel, voor zover de inverdenkinggestelde niet heeft betwist dat de inhoud van die kopie, die fax of dat e-mailbericht overeenstemt met het origineel. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Ernstige aanwijzingen van schuld - Huiszoeking - Beoordeling van de regelmatigheid van de huiszoeking - Gekopieerd, gefaxt of per e-mail toegevoegd huiszoekingsbevel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Ernstige aanwijzingen van schuld - Huiszoeking - Beoordeling van de regelmatigheid van de huiszoeking - Gekopieerd, gefaxt of per e-mail toegevoegd huiszoekingsbevel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Huiszoeking - Voorlopige hechtenis - Aanwijzingen van schuld - Regelmatigheid van de huiszoeking - Beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Gekopieerd, gefaxt of per e-mail toegevoegd huiszoekingsbevel - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0459.N E. X, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Alexander Van Heeschvelde en mr. Jesse Van den Broeck, advocaten bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 april
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet en artikel 29 Wet Politieambt, alsmede miskenning van de algemene antwoordplicht van de rechter op de door de verdediging genomen conclusies: het arrest oordeelt dat de tweede doorzoeking van eisers voertuig op 2 april 2020 onlosmakelijk verbonden was met de eerste doorzoeking van dat voertuig op 1 april 2020, zodat de concrete omstandigheden bedoeld in artikel 29 Wet Politieambt, die golden voor de eerste doorzoeking, nog steeds golden voor de tweede doorzoeking; met die reden stelt het arrest niet vast dat de verbalisanten voor de tweede doorzoeking redelijke gronden hadden zoals bedoeld in voormeld artikel 29 of dat die doorzoeking was verantwoord op grond van een andere wettige reden en beantwoordt het niet de conclusie van de eiser waarin hij dat heeft betwist.
  3. Op grond van artikel 29 Wet Politieambt kunnen politieambtenaren overgaan tot het doorzoeken van een voertuig op de openbare weg, onder meer indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen of om overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf te vervoeren. Het doorzoeken van een voertuig mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen.
  4. Zulke doorzoeking kan, volgens de noodwendigheden, gebeuren in meerdere fasen die plaatsvinden op niet-aansluitende tijdstippen. Een voertuig kan ook het voorwerp uitmaken van meerdere doorzoekingen die in dat geval elk moeten voldoen aan de vereisten van artikel 29 Wet Politieambt. Het staat aan de rechter daarover te oordelen op grond van de door hem onaantastbaar vastgestelde feiten.
  5. Het arrest oordeelt dat: - de eerste doorzoeking van het voertuig gebeurde op 1 april 2020 om 21.17 uur; - in hun aanvankelijk proces-verbaal de verbalisanten vermelden dat deze doorzoeking gebeurde op basis van artikel 29 Wet Politieambt en de concrete omstandigheden vermelden die hen doen besluiten tot een gerechtelijke fouille van de voertuigen en hun inzittenden; - na de eerste gerechtelijke fouille van het voertuig de verbalisanten besluiten een gebrevetteerde drughond in te zetten, waartoe zij blijkbaar dienen te wachten op een drughond begeleider; - de tweede doorzoeking met drughond enkele uren later plaatsvindt, dit op 2 april 2020 om 7.40 uur; - die tweede doorzoeking derhalve onlosmakelijk verbonden is met de eerste doorzoeking, zodat de concrete omstandigheden die golden voor het uitvoeren van de eerste doorzoeking op grond van artikel 29 Wet Politieambt nog steeds golden voor de uitvoering van de tweede doorzoeking, die bijgevolg niet onregelmatig verliep. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiser in zijn appelconclusie en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, derde lid, en 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van de algemene antwoordplicht van de rechter op de door de verdediging genomen conclusies en het recht op een eerlijk proces, houdende het vermoeden van onschuld: het arrest verwerpt eisers bij appelconclusie aangevoerde verweer dat de onderzoeksrechter eisers schuld als vaststaand aanneemt en dus het vermoeden van onschuld miskent door in het bevel tot aanhouding te oordelen dat grondig verder onderzoek zich opdringt om de juiste omvang van de handel in hoofde van de eiser te kunnen bepalen en niet kan worden uitgesloten dat er nog andere personen bij deze handel zijn betrokken; het arrest steunt die verwerping op het samen lezen van de vermelde reden met onder meer de reden "dat de inverdenkinggestelde, samen met andere kompanen waaronder [R.D.] en [de eiser], zich inlaat met de invoer en het verhandelen van drugs en in dit kader ook gelden witwast", omdat daaruit blijkt dat de onderzoeksrechter wel degelijk uitgaat van het bestaan van voldoende ernstige aanwijzingen van schuld; die laatste reden komt echter voor in het bevel tot aanhouding ten aanzien van A.B.; de motivering van het arrest is onduidelijk en dubbelzinnig aangezien het voor de eiser onduidelijk is hoe het bevel tot aanhouding ten aanzien van A.B. een reden in zijn eigen bevel tot aanhouding kan verduidelijken; evenmin beantwoordt het arrest eisers verweer; bovendien miskennen het bevel tot aanhouding en het arrest dat de redenen van dat bevel overneemt, het vermoeden van onschuld door de schuld van de eiser als vaststaand aan te nemen.
  7. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest dubbelzinnig is gemotiveerd, zonder te preciseren in welke lezing het wettig en in welke andere lezing het onwettig is, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  8. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  9. Het lastens de eiser verleende bevel tot aanhouding van 3 april 2020 vermeldt: "Uit de gegevens van het strafdossier zoals het op heden is samengesteld blijken voldoende ernstige aanwijzingen dat de inverdenkinggestelde, samen met andere kompanen waaronder [R.D.] en [A.B.], zich inlaat met de invoer en het verhandelen van drugs en in dit kader ook gelden witwast."
  10. Het is die reden waarnaar het arrest onder meer verwijst om te oordelen dat de onderzoeksrechter de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten niet voor vaststaand heeft aangenomen, maar enkel heeft geoordeeld dat daarvoor voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. Het feit dat het arrest de naam van de eiser vermeldt in plaats van deze van A.B., maakt louter een materiële verschrijving uit die is recht te zetten door de verwijzing naar de eiser te lezen als een verwijzing naar A.B. Aldus levert die verschrijving geen onwettigheid op.
  11. Met de redenen die het arrest zodoende bevat, beantwoordt het zonder enige onduidelijkheid eisers verweer en verantwoordt het de beslissing naar recht.
  12. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 22, 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest steunt het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld op het resultaat van de huiszoeking; een per fax of e-mail toegezonden huiszoekingsbevel dat niet eensluidend is verklaard door de griffier kan geen originele handtekening van de onderzoeksrechter bevatten en voldoet derhalve niet aan de vereisten van artikel 22 Voorlopige Hechteniswet; aldus is er geen sprake van een regelmatige huiszoeking.
  14. Indien voor het onderzoeksgerecht wordt aangevoerd dat de ernstige aanwijzingen van schuld zijn afgeleid uit een huiszoeking waarvan de regelmatigheid niet blijkt, dan kan het onderzoeksgerecht de regelmatigheid van het huiszoeking beoordelen op basis van een gekopieerd, gefaxt of per e-mail toegevoegd huiszoekingsbevel, voor zover de inverdenkinggestelde niet heeft betwist dat de inhoud van die kopie, die fax of dat e-mailbericht overeenstemt met het origineel. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en artikel 1, eerste lid, Huiszoekingswet: het arrest steunt het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld op het resultaat van de huiszoeking; het proces-verbaal van inbeslagneming verwijst naar een proces-verbaal dat zich niet bevindt in het dossier waarvan de eiser inzage heeft gehad; op basis van dit dossier kan de wettigheid van de huiszoeking niet worden nagegaan; de eiser maakt aannemelijk dat de huiszoeking is doorgevoerd na 21 uur en bijgevolg onwettig is; bovendien ontbreken ook andere delen van het strafdossier die cruciaal zijn voor de beoordeling van de wettigheid van de gestelde onderzoekshandelingen en de ernstige aanwijzingen van schuld; de inverdenkinggestelde of zijn raadsman moet inzage krijgen van alle processtukken van het strafdossier zonder dat hij de relevantie ervan voor zijn verdediging moet aantonen.
  16. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het derde middel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  17. In zijn appelconclusie heeft de eiser de ernstige aanwijzingen van schuld betwist die zouden voortkomen uit de resultaten van de huiszoeking in het pand gelegen aan de ... te ... omdat er geen huiszoekingsbevel is voor het vermelde adres en de regelmatigheid van de huiszoeking dus niet kan worden nagegaan. De eiser heeft ook aangevoerd dat een onderzoeksgerecht uitspraak dient te doen op grond van het volledige dossier. Hij heeft voor het overige echter geen melding gemaakt van bepaalde ontbrekende stukken.
  18. Uit het arrest blijkt dat de appelrechters ter rechtszitting de zaak hebben uitgesteld van 13.30 uur tot 16.00 uur om het openbaar ministerie toe te laten aan de onderzoeksrechter te vragen de huiszoekingsmandaten door te faxen zodat die op de rechtszitting van 16.00 uur konden worden neergelegd. Met verwijzing naar de neergelegde afschriften van de huiszoekingsmandaten oordeelt het arrest dat de wettigheid ervan kan worden nagegaan en dat het huiszoekingsmandaat regelmatig werd afgeleverd en uitgevoerd. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser de regelmatigheid van de huiszoekingsbevelen niet heeft kunnen nagaan, mist het feitelijke grondslag.
  19. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 5 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.