← België

B. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.4 Rolnummer: P.20.0036.N Zaak: B. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2020-05-07 Raadplegingen: 793 - laatst gezien 2026-06-29 04:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 7 Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en hij mag daarbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven; zodoende kan de rechter die op grond van de laatst beschikbare boekhouding van een gefailleerde vennootschap vaststelt dat bepaalde activa haar toebehoorden vóór het faillissement, aan de zaakvoerder die instond voor het beheer van die vennootschap vragen om een aannemelijke verantwoording te verstrekken voor het feit dat die activa na het faillissement niet konden worden aangetroffen en bij gebrek daaraan kan de rechter op grond van feitelijke vermoedens oordelen dat die zaakvoerder deze activa met het vereiste opzet heeft verduisterd in de zin van artikel 489ter, 1°, Strafwetboek, zonder dat hij enige feitelijke gedraging van de zaakvoerder met betrekking tot die activa moet vaststellen en zonder dat hij aldus het vermoeden van onschuld noch enige bewijslastregel in strafzaken miskent

(1).
(1)A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, 6de herwerkte uitgave, 336-338. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Vrije woorden: Artikel 489ter, 1°, Strafwetboek - Verduistering van activa - Bewijs - Vermoedens - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Misdrijven in verband met faillissement en bedrieglijk onvermogen - Artikel 489ter, 1°, Strafwetboek - Verduistering van activa - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Misdrijven in verband met faillissement en bedrieglijk onvermogen - Artikel 489ter, 1°, Strafwetboek - Verduistering van activa - Vermoedens - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Misdrijven in verband met faillissement en bedrieglijk onvermogen - Artikel 489ter, 1°, Strafwetboek - Verduistering van activa - Vermoedens - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Boekhouding - Misdrijven in verband met faillissement en bedrieglijk onvermogen - Artikel 489ter, 1°, Strafwetboek - Verduistering van activa - Vermoedens - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Misdrijven in verband met faillissement en bedrieglijk onvermogen - Artikel 489ter, 1°, Strafwetboek - Verduistering van activa - Vermoedens - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Misdrijven in verband met faillissement en bedrieglijk onvermogen - Artikel 489ter, 1°, Strafwetboek - Verduistering van activa - Vermoedens - Draagwijdte - Gevolg Fiches 8 - 9 Bij afwezigheid van daartoe strekkend verweer moet de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan het misdrijf bedoeld in artikel 489bis, 1°, Strafwetboek, bestaande uit de niet-betaling van schulden, niet preciseren op welk moment die schulden betaalbaar zijn; uit het niet-preciseren van dat moment noch uit het bewezen verklaren van het bedoelde misdrijf gedurende een periode die loopt van een bepaalde datum tot een bepaalde datum, kan worden afgeleid dat de rechter het misdrijf beschouwt als een voortdurend misdrijf
(1).
(1)Zie Cass. 25 november 2003, AR P. 03.0482.N, AC 2003, nr. 594 waaruit volgt dat het misdrijf bestraft door art. 489bis, 1°, Strafwetboek, een aflopend misdrijf is - zie A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, 6de herwerkte uitgave, 334-
  1. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Vrije woorden: Artikel 489bis, 1°, Strafwetboek - Niet-betaling van schulden - Moment waarop de schulden betaalbaar zijn - Precisering - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Vrije woorden: Misdrijven in verband met faillissement en bedrieglijk onvermogen - Artikel 489bis, 1°, Strafwetboek - Niet-betaling van schulden - Moment waarop de schulden betaalbaar zijn - Precisering - Draagwijdte - Gevolg Annotaties Publicaties: NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2022, nr. 3, p. 209-
  2. - VAN HERPE, Ruben; Noot'Een pleidooi voor een genuancerde objectieve individuele verbeurdverklaring' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0036.N M. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Karolien Van de Moer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen G. R., met kantoor te 9050 Gent (Gentbrugge), Brusselsesteenweg 691, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement MONEYTELL bvba, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 december
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het arrest spreekt de eiser gedeeltelijk vrij van de telastlegging B. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  5. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat aan de verweerder schadevergoeding met inbegrip van voorschotten toekent, de zaak op burgerlijk gebied onbepaald uitstelt en de beslissing over de interesten en de kosten aanhoudt. Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, noch een beslissing als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering, behoudens voor wat betreft het beginsel van aansprakelijkheid, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 489ter, 1°, Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser met betrekking tot alle goederen geviseerd door de telastlegging A (verduistering van activa van het faillissement Moneytell bvba), met inbegrip van de laatste drie vermeldingen; die vermeldingen duiden echter geen goederen aan, maar enkel een aankoopplaats; daarvoor kan het arrest de eiser niet veroordelen omdat niet zeker is dat het gaat om actief van Moneytell bvba.
  7. Het gegeven dat goederen enkel worden aangeduid met de naam van de winkel waar zij zijn gekocht, sluit het oordeel niet uit dat die goederen met zekerheid behoren tot de activa van de gefailleerde, die de beklaagde heeft verduisterd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert miskenning aan van het vermoeden van onschuld en de bewijslastregel in strafzaken: het arrest oordeelt dat, indien bij een faillissement blijkt dat er geen of geen volledige boekhouding voorhanden is en de zaakvoerder geen verantwoording kan geven voor het verdwijnen van activa, de rechter hieruit het bewijs door vermoedens mag afleiden dat de zaakvoerder schuldig is aan het misdrijf verduistering van activa uit het faillissement; vervolgens verklaart het arrest de eiser schuldig aan de telastlegging A omdat hij geen of geen geloofwaardige verduidelijking of verantwoording geeft over het ontbreken van de in die telastlegging bedoelde activa van Moneytell bvba; de rechter kan een beklaagde echter niet schuldig verklaren aan het misdrijf verduistering van activa louter omdat deze laatste als de zaakvoerder van een failliete vennootschap geen verantwoording kan geven voor het verdwijnen van activa, zeker niet wanneer de strafrechter geen feitelijke gedraging van de zaakvoerder met de ontbrekende activa vaststelt; evenmin kan het bestaan van al de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf, met inbegrip van het moreel bestanddeel, worden bewezen door het “bewijs door ontbreken van verantwoording”; dat bewijs moet worden geleverd door het openbaar ministerie.
  9. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daarbij mag de rechter rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Zodoende kan de rechter die op grond van de laatst beschikbare boekhouding van een gefailleerde vennootschap vaststelt dat bepaalde activa haar toebehoorden vóór het faillissement, aan de zaakvoerder die instond voor het beheer van die vennootschap vragen om een aannemelijke verantwoording te verstrekken voor het feit dat die activa na het faillissement niet konden worden aangetroffen. Bij gebrek daaraan kan de rechter op grond van feitelijke vermoedens oordelen dat die zaakvoerder deze activa met het vereiste opzet heeft verduisterd in de zin van artikel 489ter, 1°, Strafwetboek, zonder dat hij enige feitelijke gedraging van de zaakvoerder met betrekking tot die activa moet vaststellen. Aldus miskent de rechter noch het vermoeden van onschuld noch enige bewijslastregel in strafzaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Het arrest bepaalt de datum van het werkelijke faillissement van Moneytell bvba op 31 januari
  11. Het steunt eisers schuldigverklaring aan de telastlegging A voor de periode van 31 januari 2014 tot 7 april 2015 (datum faillissementsvonnis) op de redenen die het onderdeel vermeldt, alsook op de volgende redenen: - uit de memorie van faillissement van de verweerder blijkt dat uit de laatst neergelegde jaarrekening per 30 september 2013 activa werden opgenomen ten belope van ruim 35.000,00 euro; - voor het hof van beroep staat vast dat deze activa niet meer voorhanden zijn en in de geviseerde periode zijn verdwenen; - uit de memorie van faillissement van de verweerder blijkt ook dat de vennootschap in de maanden mei, juni en juli 2014 goederen voor een totaal bedrag van 7.187,00 euro heeft aangekocht, die niet in verband kunnen worden gebracht met de bedrijfsuitbating van Moneytell bvba; - in elk geval kon de verweerder deze goederen, zelfs al zouden zij verband houden met de bedrijfsvoering van de vennootschap, niet aantreffen; - de eiser kon voor dit alles geen zinnige uitleg geven voor de eerste rechter en geeft ook voor het hof van beroep geen enkele verduidelijking of verantwoording; - het staat voor het hof van beroep in het licht van deze omstandigheden vast dat de geviseerde activa werden verduisterd of verborgen en dat werd gehandeld om de schuldeisers te schaden en dat aldus werd gehandeld met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt met betrekking tot de telastlegging A dat de eiser “terzake geen enkele verduidelijking of verantwoording geeft”; de eiser heeft in zijn beroepsconclusie echter wel degelijk verweer gevoerd tegen die telastlegging, aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers beroepsconclusie.
  13. Met de bekritiseerde reden geeft het arrest geen uitlegging van eisers beroepsconclusie, maar beoordeelt het de juridische draagwijdte ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat, indien de datum van staking van betaling 31 januari 2014 is, er behalve de vermelding in de jaarrekening van een actief op datum van 30 september 2013, niets in het strafdossier kan worden teruggevonden met betrekking tot dat actief specifiek op 31 januari 2014, zodat er twijfel bestaat over de gepleegde verduistering na de datum van staking van betaling en dat die twijfel qua feitelijke tijdsperiode aangaande het deel van de activa ten belope van 35.000,00 euro in het voordeel van de eiser moet spelen.
  15. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging A gedurende de incriminatieperiode van 31 januari 2014 tot 7 april
  16. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel oordeelt het dat vaststaat dat de hier bedoelde activa in de geviseerde periode, dit is tijdens die incriminatieperiode, zijn verdwenen. Aldus verwerpt en beantwoordt het eisers verweer dat er twijfel bestaat of bepaalde activa pas na de datum van staking van betaling zijn verdwenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat vaststaat dat alle in de telastlegging A geviseerde activa van Moneytell bvba bedrieglijk werden verduisterd of verborgen; het oordeelt, anderzijds, aangaande de goederen aangekocht in mei, juni en juli 2014 voor een totaal bedrag van 7.187,00 euro, dat de eiser niet aannemelijk maakt dat er redenen zijn om te twijfelen aan de vaststelling van de curator dat deze zaken niet in verband kunnen worden gebracht met de bedrijfsuitbating van Moneytell bvba, maar dat zelfs indien dit verband met de bedrijfsuitbating zou worden aangenomen, dan nog moet worden vastgesteld dat deze goederen verdwenen zijn; met die laatste reden geeft het arrest aan dat er geen zekerheid bestaat of deze zaken al dan niet activa zijn van Moneytell bvba; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  18. Met de laatst vermelde reden oordeelt het arrest dat de eiser 7.187,00 euro van Moneytell bvba heeft aangewend voor de aankoop van goederen die alleszins verdwenen zijn. Aldus stelt het vast dat die goederen activa zijn van Moneytell bvba. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zesde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de burgerlijke rechtsvordering op grond van de telastlegging A moet worden herleid met betrekking tot de activa aangekocht in 2014 voor een bedrag van 7.187,00 euro omdat nergens uit blijkt dat die goederen op het ogenblik van het faillissement op 7 april 2015 nog die waarde hadden.
  20. Het onderdeel dat gericht is tegen een beslissing waartegen het cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft geen antwoord. Tweede middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 489bis, 1°, Strafwetboek: het arrest verklaart het faillissementsmisdrijf van het toestemmen in al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen door het niet-betalen van de geduldige schuldeisers RSZ en directe belastingen (telastlegging B) bewezen in een tijdsperiode van 31 januari 2014 tot 7 april 2015; dit misdrijf is een aflopend misdrijf dat is voltrokken vanaf het ogenblik dat de vaststaande en opeisbare schuld niet is betaald met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen; het arrest vermeldt weliswaar wanneer de schulden ten aanzien van de directe belastingen uiterlijk te betalen waren, maar niet wanneer de RSZ-schulden uiterlijk dienden te worden betaald; aldus beschouwt het arrest dit faillissementsmisdrijf bestaande uit de niet-betaling van schulden als een voortdurend misdrijf dat voortduurt tot de datum waarop het faillissement van de vennootschap werd uitgesproken.
  22. Bij afwezigheid van daartoe strekkend verweer moet de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan het misdrijf bedoeld in artikel 489bis, 1°, Strafwetboek, bestaande uit de niet-betaling van schulden, niet preciseren op welk moment die schulden betaalbaar zijn. Uit het niet-preciseren van dat moment noch uit het bewezen verklaren van het bedoelde misdrijf gedurende een periode die loopt van een bepaalde datum tot een bepaalde datum, kan worden afgeleid dat de rechter het misdrijf beschouwt als een voortdurend misdrijf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 489bis, 4°, Strafwetboek: het arrest verklaart het misdrijf laattijdige aangifte van het faillissement van Moneytell bvba (telastlegging C) bewezen op 28 februari 2014; het stelt de staking van betaling vast op 31 januari 2014; overeenkomstig artikel 9, eerste lid, Faillissementswet en artikel XX.102, eerste lid, WER is er een termijn van een maand, dit is tot en met 28 februari 2014, om aangifte van het faillissement te doen; bijgevolg kon het misdrijf pas worden gepleegd op 1 maart
  24. Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de schuldigverklaring van de eiser aan het bedoelde misdrijf of de hem opgelegde straf verband houdt met het gegeven dat de datum van het misdrijf is bepaald op 28 februari 2014 in plaats van op 1 maart
  25. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde middel Vierde onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: na de strafrechtelijke veroordeling van de eiser voor het misdrijf bedrieglijk onvermogen, bevestigt het arrest het beroepen vonnis dat de eiser op grond van dit misdrijf veroordeelt tot het betalen van een voorschot van een euro aan de verweerder; het beantwoordt daarbij niet eisers verweer dat voor de telastlegging E (bedrieglijk onvermogen) geen schadevergoeding kan worden toegekend aan de curator, ook niet ten belope van een euro, daar de curatele door dit misdrijf geen enkele schade heeft geleden.
  27. De eiser heeft in zijn appelconclusie het door het onderdeel bedoelde verweer gevoerd. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het onderdeel is gegrond. Eerste onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 490bis Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser wegens het bewerken van het onvermogen van Moneytell bvba en leidt dat misdrijf af uit het feit dat de eiser de vennootschap heeft ingeschreven op een fictief adres en die inschrijving heeft gehandhaafd in de periode van 29 juli 2014, dit is de datum van de zetelverplaatsing, tot 7 april 2015; het misdrijf bedrieglijk onvermogen vereist dat de dader met bedrieglijk opzet zijn onvermogen heeft bewerkt en niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen; het materieel bestanddeel van dat misdrijf vereist dat de beklaagde bepaalde gedragingen verricht die tot gevolg hebben dat hij zich onvermogend maakt en alzo op reële of fictieve wijze over onvoldoende goederen beschikt voor het nakomen van zijn schuldverplichtingen; het inschrijven van de maatschappelijke zetel van een vennootschap op een brievenbus- of postbusadres kan desgevallend wijzen op een bepaalde intentie, maar houdt als dusdanig niet in dat het eigen onvermogen van deze vennootschap is bewerkt en dat de vennootschap door een dergelijke inschrijving niet meer zou beschikken over voldoende actief om de op haar rustende schulden te betalen; aldus geeft het arrest aan dit misdrijf een betekenis die niet verenigbaar is met artikel 490bis Strafwetboek.
  29. Het onderdeel behoeft, gelet op de hierna op het vierde onderdeel uit te spreken vernietiging wat betreft de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering in zoverre gesteund op de telastlegging E, geen antwoord.
  30. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt. Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het (ro 8.1, 8.2.1 en 8.2.3) ook dat Moneytell bvba op 31 januari 2014 voldeed aan de voorwaarden van het faillissement omdat zij vanaf dan niet meer in staat was haar opeisbare schulden te voldoen zoals die onder meer bleken uit een aantal vonnissen en beslagberichten die dateren van vóór de zetelverplaatsing. Met het geheel van de vermelde redenen die het arrest aldus bevat en die het bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie niet nader diende te preciseren, oordeelt het wettig dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf bedrieglijk onvermogen verenigd zijn. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 490bis Strafwetboek: het arrest beschouwt niet enkel de inschrijving van de maatschappelijke zetel van Moneytell bvba op een fictief adres op 29 juli 2014, maar ook de verdere handhaving van die inschrijving tot 7 april 2015 als het bewerken van het onvermogen; aldus beschouwt het arrest het misdrijf van bedrieglijk onvermogen ten onrechte als een voortdurend misdrijf.
  32. Het onderdeel behoeft, gelet op de hierna op het vierde onderdeel uit te spreken vernietiging wat betreft de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering in zoverre gesteund op de telastlegging E, geen antwoord.
  33. Bedrieglijk onvermogen is een aflopend misdrijf. Het is voltrokken wanneer de twee voorwaarden die samen het materiële bestanddeel vormen verenigd zijn, namelijk het bewerken van zijn onvermogen door de schuldenaar en het hierdoor niet voldaan hebben aan zijn verplichtingen.
  34. De zetelverplaatsing die aanleiding heeft gegeven tot het misdrijf bedrieglijk onvermogen, heeft volgens het arrest plaatsgevonden op 29 juli
  35. Aldus was het misdrijf op dat moment voltrokken. Het feit dat het arrest dit misdrijf aanziet als een voortdurend misdrijf en ook de verdere handhaving van die zetelverplaatsing tot 7 april 2015 strafbaar acht, kan de eiser wat betreft de beslissing op de strafvordering niet grieven, aangezien de lastens hem uitgesproken straf voor de vermengde feiten die het arrest bewezen verklaart, wettig verantwoord is door het bewezen verklaren van de telastlegging E op 29 juli
  36. In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  37. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat Moneytell bvba een pand huurde te Gent, Brabantdam 71 als exploitatiezetel en in juli 2014 de maatschappelijke zetel heeft verplaatst naar Brabantdam 166 om daar de officiële briefwisseling van de vennootschap te ontvangen, zodat de verplaatsing van de maatschappelijke zetel met die bedoeling geen bewerken van het onvermogen van die vennootschap inhield en aldus niet het misdrijf vermeld in de telastlegging E oplevert.
  38. Het onderdeel behoeft, gelet op de hierna op het vierde onderdeel uit te spreken vernietiging wat betreft de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering in zoverre gesteund op de telastlegging E, geen antwoord.
  39. Met de redenen die het arrest (ro 8.2.6) bevat, beantwoordt het eisers bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vijfde middel Eerste onderdeel
  40. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 16, eerste lid, Boekhoudwet en artikel XV.75 WER: het arrest verklaart het boekhoudmisdrijf vermeld in de telastlegging D bewezen zonder hierbij vast te stellen dat de eiser de boekhoudbepalingen wetens dan wel met bedrieglijk opzet heeft overtreden en zonder dat het moreel misdrijfbestanddeel van algemeen of bijzonder opzet wordt vermeld in de telastlegging; aldus schendt het arrest artikel 16 Boekhoudwet, dat van toepassing was ten tijde van de feiten, en artikel XV.75 WER, dat thans van toepassing is, en is eisers veroordeling niet regelmatig met redenen omkleed daar de veroordeling niet het bestaan vaststelt van al de uitdrukkelijk vereiste constitutieve bestanddelen van het betreffende boekhoudmisdrijf; minstens bevat eisers veroordeling dubbelzinnige redenen en is zij daarom niet regelmatig gemotiveerd, daar de veroordeling in het onzekere laat of de eiser als dader wetens dan wel met bedrieglijk opzet heeft gehandeld.
  41. Artikel 16, eerste lid, Boekhoudwet bepaalt: “Met geldboete van vijftig euro tot tienduizend euro worden gestraft de natuurlijke personen die koopman zijn en de bestuurders, zaakvoerders, directeurs en procuratiehouders van rechtspersonen, die wetens de bepalingen overtreden van de artikelen 2 en 3, eerste en derde lid, van de artikelen 4 tot 9 of van de ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, van artikel 9, § 2, van artikel 7, § 2 en van de artikelen 10 en 11 genomen besluiten. Zij worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig tot tienduizend euro of met één van die straffen alleen, als zij met bedrieglijk opzet hebben gehandeld.” Artikel XV.75, eerste lid, WER bepaalt dat met een sanctie van niveau 2 worden gestraft: “1° De natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen en de bestuurders, zaakvoerders, directeurs en procuratiehouders van rechtspersonen, die wetens de bepalingen overtreden van de artikelen III.82 en III.83, eerste en derde lid, van de artikelen III.84 tot III.89 of van de ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, van artikel III.87, § 2, van artikel III.89, § 2 en van de artikelen III.90 en III.91 genomen besluiten.” Artikel XV.75, tweede lid, WER bepaalt dat de in het vorige lid vermelde personen worden gestraft met een sanctie van niveau 4 als zij met bedrieglijk opzet hebben gehandeld. Aldus bepalen zowel artikel 16 Boekhoudwet als artikel XV.75 WER dat een beklaagde strafbaar is wanneer hij de in die artikelen vermelde bepalingen wetens overtreedt en dat hij een zwaardere straf oploopt wanneer hij met bedrieglijk opzet handelt. Eensdeels vereist die overtreding zodoende slechts een algemeen opzet om strafbaar te zijn. Anderdeels vereist de aan de eiser opgelegde straf niet de vaststelling dat het misdrijf met bedrieglijk opzet zou zijn gepleegd. Aldus is de bekritiseerde reden niet in de ene lezing wettig en in de andere onwettig en bestaat de dubbelzinnigheid niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  42. Het arrest (ro 8.2.5) oordeelt: “Elke onderneming dient een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding te voeren. Het staat vast dat door de BVBA Moneytell met [de eiser] als zaakvoerder in de geviseerde periode geen passende boekhouding werd gevoerd. [De eiser] moest zich als zaakvoerder in rechte bekommeren over de financiële situatie van de vennootschap. Een boekhouding moet toelaten dat binnen een normale tijdspanne een overzicht kan verkregen worden van de verrichtingen en financiële positie van de onderneming. Hoe dan ook diende hij als zaakvoerder regelmatig toezicht uit te oefenen op de financiële situatie van de vennootschap door het verwerken van de boekhouding. Ook de tenlastelegging D is voor [de eiser] bewezen en is hem toerekenbaar en verwijtbaar.” Met die redenen oordeelt het arrest dat de eiser wetens inbreuk heeft gepleegd op de door de telastlegging geviseerde boekhoudbepalingen, zoals aangepast, zonder dat het bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie die beslissing verder diende toe te lichten. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  43. In zoverre het onderdeel voor het overige een motiveringsgebrek aanvoert, is het afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  44. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiser tot schadevergoeding aan de verweerder voor de telastlegging D zonder te antwoorden op eisers verweer dat de gevorderde schadevergoeding voor die telastlegging ongegrond is, daar het onduidelijk is welk nadeel de curatele zou geleden hebben omdat er geen boekhouding zou zijn gevoerd.
  45. De eiser heeft in zijn appelconclusie het door het onderdeel bedoelde verweer gevoerd. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het onderdeel is gegrond. Zesde middel Eerste onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van artikel 43bis Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser tot de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen per equivalent voor een bedrag van 21.000,00 euro op grond van de telastlegging A; het stelt hierbij niet vast dat de eiser een vermogensvoordeel met een geraamde geldwaarde van 21.000,00 euro in zijn eigen vermogen heeft ontvangen; evenmin houdt de bewezenverklaring van het misdrijf van bedrieglijke verduistering van activa van de failliete vennootschap een vermoeden in dat het hieruit verkregen vermogensvoordeel in het eigen vermogen van de bestuurder is terechtgekomen; bij de verbeurdverklaring per equivalent dient de rechter evenwel vast te stellen dat de vermogensvoordelen in het eigen vermogen van de veroordeelde zijn terechtgekomen én dat deze niet meer in dat vermogen kunnen worden gevonden.
  47. Opdat de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek vermelde vermogensvoordelen of van de in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek bedoelde geldwaarde daarvan kan worden uitgesproken tegen degene die wordt veroordeeld voor het misdrijf dat de vermogensvoordelen heeft voortgebracht, is niet vereist dat die vermogensvoordelen in zijn vermogen zijn toegetreden. Die verbeurdverklaring kan immers worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat hij uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij aan de vermogensvoordelen heeft gegeven. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  48. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij zelf geen enkel vermogensvoordeel heeft ontvangen en dat ook het strafonderzoek nooit heeft vastgesteld dat hij zelf enig vermogensvoordeel heeft ontvangen.
  49. Eensdeels heeft de eiser zijn bedoelde verweer gesteund op de reden dat hij niet schuldig is aan de telastlegging A omdat hij geen goederen heeft verduisterd. Het arrest dat de eiser schuldig verklaart aan die telastlegging, dient dat doelloze verweer niet te beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  50. Anderdeels heeft de eiser enkel aangevoerd dat er in ieder geval nooit een vermogensvoordeel in zijnen hoofde is vastgesteld.
  51. Het arrest (ro 10) beveelt de verbeurdverklaring lastens de eiser onder meer omdat het maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn dat hij voordeel zou hebben aan het misdrijf van de telastlegging A, dat hij heeft gepleegd. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest dat verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Zevende middel
  52. Het middel voert schending aan van artikel 8, § 1, Probatiewet: het arrest veroordeelt de eiser tot een effectief beroepsverbod van vijf jaar op grond van de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod; de eiser heeft in zijn beroepsconclusie uitdrukkelijk aan de appelrechters gevraagd “minstens het beroepsverbod met uitstel te willen opleggen”; het arrest motiveert wel waarom het aan de eiser de bijkomende straf van het beroepsverbod oplegt, maar niet waarom het gevraagde uitstel van tenuitvoerlegging voor dit beroepsverbod wordt geweigerd.
  53. Het arrest (ro 9) oordeelt: “Zoals hierboven reeds gezegd heeft [de eiser] een oneerlijke ingesteldheid en is hij een onbetrouwbare deelnemer aan het economisch verkeer. Gelet op de oneerlijke ingesteldheid van [de eiser] en ter vrijwaring van de economische orde en teneinde hem het inzicht bij te brengen dat hij de regelgeving rigoureus moet naleven, dringt zich, bij toepassing van art. 1 g) en 1bis van het KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, een beroepsverbod op voor een termijn van telkens 5 jaar. Dit dient [de eiser] tot inzicht te brengen van de ernst van de door hem gepleegde feiten.” Met die redenen motiveert het arrest zowel waarom het aan de eiser het beroepsverbod oplegt als waarom het voor die straf geen uitstel van tenuitvoerlegging verleent en is het regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Omvang van de cassatie
  54. De vernietiging van de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid wat betreft de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering in zoverre gesteund op de telastleggingen D en E leidt tot de vernietiging van de gehele beslissing op de burgerlijke rechtsvordering voor wat betreft die telastleggingen, ook al is eisers cassatieberoep deels niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  55. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot een definitieve schadevergoeding wegens de telastlegging D en tot een provisionele schadevergoeding wegens de telastlegging E. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 547,47 euro waarvan 202,89 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 5 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.