← België

GEMINI Corporation NV contra KRONOSPAN Luxembourg SA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.1 Rolnummer: C.19.0109.N Zaak: GEMINI Corporation NV contra KRONOSPAN Luxembourg SA Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-05-11 Raadplegingen: 1265 - laatst gezien 2026-06-29 06:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer de rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Taak van de rechter - Recht van verdediging van partijen - Eerbiediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging - Taak van de rechter - Recht van verdediging van partijen - Eerbiediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Fiches 3 - 4 De rechter miskent het recht van verdediging niet wanneer hij op de door partijen aangevoerde feiten een rechtsgrond toepast zonder de partijen toe te laten daarover tegenspraak te voeren, noch wanneer hij bij het ambtshalve toepassen van een wetsbepaling van aanvullend recht nagaat of partijen niet contractueel van deze bepaling zijn afgeweken en hij partijen daarover slechts bevraagt indien de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde gegevens enige aanwijzing in die zin bevatten

(1).
(1)Zie Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Taak van de rechter - Ambtshalve toepassen van een rechtsgrond - Ambtshalve toepassen van een wetsbepaling van aanvullend recht - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging - Taak van de rechter - Ambtshalve toepassen van een rechtsgrond - Ambtshalve toepassen van een wetsbepaling van aanvullend recht - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Annotaties Publicaties: RDC-Revue de droit commercial belge - 2022, n° 1, p. 116-
  2. - VAN DROOGHENBROECK, Jean-François; Note'Qui ne dit mot consent à l'application de la CVIM' Tekst van de beslissing Nr. C.19.0109.N GEMINI CORPORATION nv, met zetel te 2050 Antwerpen, Waterwilgweg 6, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0438.488.597, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, tegen KRONOSPAN LUXEMBOURG sa, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te 4902 Sanem (Groot-Hertogdom Luxemburg), Gadderscheier L, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat
  3. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 oktober
  4. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 7 februari 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer de rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren. Wanneer de partijen feiten aanvoeren waarop zij hun vordering laten steunen, zonder daarbij enige rechtsgrond aan te geven, miskent de rechter die op die feiten een rechtsgrond toepast zonder de partijen toe te laten daarover tegenspraak te voeren, hun recht van verdediging niet, aangezien de partijen zich in die omstandigheden eraan moeten verwachten dat de rechter de geëigende rechtsgrond zal toepassen. Wanneer de rechter, bij gebrek aan door de partijen aangevoerde rechtsgrond, ambtshalve toepassing maakt van een wetsbepaling van aanvullend recht, dient hij slechts te onderzoeken of de partijen niet contractueel van deze bepaling zijn afgeweken en dient hij de partijen daarover slechts te bevragen indien de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde gegevens enige aanwijzing in die zin bevatten.
  6. Het onderdeel, dat het arrest niet bekritiseert waar het bij gebrek aan door de partijen aangevoerde rechtsgrond ambtshalve toepassing maakt van het Weens Koopverdrag, voert aan dat de appelrechters het recht van verdediging hebben miskend door de partijen niet te hebben uitgenodigd om stelling in te nemen over de vraag of zij geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die artikel 6 Weens Koopverdrag hen biedt om de toepassing van het verdrag uit te sluiten of van de bepalingen ervan af te wijken. Het voert evenwel niet aan dat het dossier enige aanwijzing in die zin bevatte.
  7. In zoverre het onderdeel het arrest miskenning van het recht van verdediging verwijt door ambtshalve het Weens Koopverdrag toe te passen zonder de partijen uit te nodigen om stelling in te nemen over de vraag of zij al dan niet gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die artikel 6 van het verdrag biedt, kan het niet worden aangenomen.
  8. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 6 Weens Koopverdrag, is het geheel afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde miskenning van het recht van verdediging. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  9. De eiseres heeft voor de appelrechters aangevoerd dat zij de verweerster binnen een redelijke termijn nadat zij het gebrek aan conformiteit van de thans ter discussie staande leveringen van vezelplaten had ontdekt, in kennis heeft gesteld van dit gebrek, namelijk per e-mail van 24 februari 2011 waarin zij verwees naar eerdere klachten door haar Iraanse klant, en nadat zij, naar aanleiding van die klachten, zelf een keuring had laten uitvoeren van de betreffende vezelplaten, waarvan het verslag van 16 februari 2011 bij de e-mail werd gevoegd.
  10. De appelrechters oordelen dat: - de eiseres van haar Iraanse klant op 29 januari 2011 reeds klachten had ontvangen over de kwaliteit van een vorige levering van december 2010, meer bepaald over de treksterkte van de vezelplaten; - de leveringen waarop onderhavige discussie betrekking heeft, leveringen betreffen van eind januari en begin februari 2011, namelijk een bestelling van 10 januari 2011 voor vezelplaten te leveren voor eind januari 2011 en een bestelling van 28 januari 2011 voor vezelplaten te leveren voor eind februari 2011; - niettegenstaande de eiseres reeds op 29 januari 2011 op de hoogte was van het bestaan van de mogelijkheid van een niet-conformiteit, zij de eind januari en begin februari 2011 geleverde vezelplaten slechts heeft laten testen in maart 2011; - het verslag van die testen, dat van 21 maart 2011 dateert, op een onvoldoende treksterkte van deze vezelplaten wijst; - de eiseres de verweerster pas op 18 juli 2011, onder verwijzing naar het keuringsverslag van 21 maart 2011, in gebreke stelt met betrekking tot de kwaliteit van de betreffende leveringen; - de eiseres de verweerster niet binnen een redelijke termijn nadat zij het gebrek aan conformiteit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken, van dit gebrek in kennis stelde.
  11. Door aldus te oordelen dat de kennisgeving van het gebrek door de eiseres aan de verweerster per e-mail van 24 februari 2011, met verwijzing naar de klachten van haar Iraanse klant en met bijvoeging van het keuringsverslag van 16 februari 2011, betrekking had op een vorige levering van december 2010, en dat bijgevolg slechts rekening kan worden gehouden met de kennisgeving op 18 juli 2011 van het gebrek aan conformiteit van de thans ter discussie staande leveringen van vezelplaten van januari en februari 2011 om de tijdigheid ervan te beoordelen, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  12. De appelrechters stellen vast dat de eiseres de verweerster pas in kennis heeft gesteld van het gebrek aan conformiteit van de thans ter discussie staande leveringen van vezelplaten van januari en februari 2011, op het ogenblik van de ingebrekestelling van de verweerster op 18 juli
  13. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de kennisgeving in de zin van artikel 39 Weens Koopverdrag steeds een ingebrekestelling vereist. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres de verweerster per e-mail van 24 februari 2011, naar aanleiding van eerdere klachten van haar Iraanse klant, in kennis heeft gesteld van het gebrek aan conformiteit van een vorige levering van vezelplaten van december 2010 en dat zij een keuring heeft laten uitvoeren van die vezelplaten, waarvan het verslag van 16 februari 2011 bij de e-mail werd gevoegd.
  15. De appelrechters stellen vast dat de eiseres de verweerster pas op 18 juli 2011, onder verwijzing naar het keuringsverslag van 21 maart 2011, in kennis heeft gesteld van het gebrek aan conformiteit van de thans ter discussie staande leveringen van vezelplaten van januari en februari
  16. De appelrechters steunen deze overweging noch op de e-mail van 24 februari 2011 noch op het keuringsverslag van 16 februari 2011, die betrekking hebben op een vorige levering van vezelplaten van december
  17. Zij hebben de bewijskracht ervan bijgevolg niet miskend. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  18. De eiseres heeft voor de appelrechters aangevoerd dat het gebrek aan conformiteit van de thans ter discussie staande leveringen van vezelplaten reeds in de kiem bestond op het ogenblik van de levering en de verweerster dit gebrek kende of hiervan niet onkundig had kunnen zijn, nu uit een laboratoriumrapport van de verweerster van 30 november 2010 betreffende een productie van 25 november 2010, opgevraagd naar aanleiding van klachten van een Iraanse klant van de eiseres, blijkt dat een welbepaalde bundel vezelplaten vóór de levering niet voldeed aan het minimumvereiste inzake kwaliteit.
  19. De appelrechters oordelen dat: - de eiseres van haar Iraanse klant op 29 januari 2011 reeds klachten had ontvangen over de kwaliteit van een vorige levering van december 2010, meer bepaald over de treksterkte van de vezelplaten; - de leveringen waarop onderhavige discussie betrekking heeft, leveringen betreffen van eind januari en begin februari 2011, namelijk een bestelling van 10 januari 2011 voor vezelplaten te leveren voor eind januari 2011 en een bestelling van 28 januari 2011 voor vezelplaten te leveren voor eind februari 2011; - de eiseres niet in de op haar rustende bewijslast slaagt dat het voorgehouden gebrek aan conformiteit van de ter discussie staande leveringen van vezelplaten van januari en februari 2011, reeds in de kiem aanwezig was op het moment van de levering; - uit de voorliggende stukken enkel blijkt dat de vezelplaten niet voldeden op het ogenblik van de tegensprekelijke expertise; - uit de deskundige vaststellingen echter blijkt dat deze niet-conformiteit het gevolg kan zijn van ontelbare factoren die een invloed hebben op de treksterkte van de vezelplaten.
  20. De appelrechters oordelen aldus dat het laboratoriumrapport van de verweerster van 30 november 2010 betreffende een productie van 25 november 2010, opgevraagd naar aanleiding van klachten van een Iraanse klant van de eiseres, betrekking had op een vorige levering van december 2010, zodat dit geen bewijs kon vormen van het bestaan van een gebrek aan conformiteit van de thans ter discussie staande leveringen van vezelplaten van januari en februari 2011 op het ogenblik van de levering. Hierdoor verwerpen en beantwoorden zij het verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  21. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 40 Weens Koopverdrag, is het geheel afgeleid uit het tevergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Zesde tot en met achtste onderdeel
  22. De appelrechters oordelen dat de kennisgeving van het gebrek aan conformiteit door de eiseres aan de verweerster niet is gebeurd binnen een redelijke termijn nadat zij dit gebrek heeft ontdekt of had behoren te ontdekken, in de zin van artikel 39 Weens Koopverdrag, zodat de eiseres niet langer gerechtigd is om zich te beroepen op de niet-conformiteit.
  23. Deze zelfstandige, tevergeefs bekritiseerde reden schraagt de beslissing van de appelrechters om de vordering van de eiseres tot ontbinding van de koopovereenkomst van de betwiste vezelplaten, tot terugbetaling van de reeds betaalde koopprijs en tot betaling van een schadevergoeding wegens niet-conformiteit, af te wijzen.
  24. De onderdelen die opkomen tegen de ten overvloede gegeven reden dat “daarenboven” blijkt dat de eiseres niet slaagt in de op haar rustende bewijslast dat het voorgehouden gebrek aan conformiteit reeds in de kiem aanwezig was op het moment van de levering van de vezelplaten, nu uit de voorliggende stukken enkel blijkt dat de vezelplaten niet voldeden op het ogenblik van de tegensprekelijke expertise, kunnen, al waren zij gegrond, niet tot cassatie leiden en zijn derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel
  25. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar syntheseberoepsconclusie heeft aangevoerd dat “de nalatigheidsinteresten geenszins kunnen worden berekend op basis van de Luxemburgse wettelijke interestvoet vermeerderd met 50%, zoals bepaald in de algemene voorwaarden van [de verweerster]. Deze algemene voorwaarden zijn immers niet van toepassing op de betreffende koop-verkoopovereenkomsten (…). Te dezen kan dus slechts de Belgische interestvoet inzake handelstransacties van toepassing zijn”. Door te oordelen dat met betrekking tot de principiële verschuldigdheid van de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet geen betwisting wordt gevoerd, oordelen de appelrechters dat de appelconclusie van de eiseres iets niet bevat dat er wel in staat en miskennen zij de bewijskracht van deze conclusie. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de uitbreiding van de tegenvordering van de verweerster gegrond verklaart, en de eiseres bijkomend veroordeelt tot betaling van verwijlintrest en oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.