← België

E. contra DE VLAAMSE WATERWEG nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.3 Rolnummer: C.19.0304.N Zaak: E. contra DE VLAAMSE WATERWEG nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-05-11 Raadplegingen: 507 - laatst gezien 2026-06-28 08:00 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De onteigening van onroerende goederen die het (her)aanleggen van een bedrijventerrein beoogt en voorafgaat aan een steunmaatregel bestaande in de verkoop van de onteigende gronden aan bedrijven onder de marktvoorwaarden, vormt geen handeling tot uitvoering van die steunmaatregel, zodat het ten uitvoer brengen van de steunmaatregel met miskenning van de aanmeldingsplicht de geldigheid van de onteigening zelf niet aantast maar slechts resulteert in de teruggave van de onwettig verleende steun door de begunstigde aan de onteigenaar namelijk de betaling van het verschil tussen de door de begunstigde betaalde prijs en de werkelijke waarde van de gronden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Steunmaatregel - Verkoop van grond onder de marktwaarde - Miskenning van de aanmeldingsplicht - Voorafgaande onteigening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Artt. 107, eerste lid, en 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 - 19-12-2003 - Artt. 73, §§ 1 en 2, en 77, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 2003036268 Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Onteigening van gronden voor aanleg van bedrijventerrein - Daaropvolgende verkoop van gronden onder de marktwaarde - Steunmaatregel - Miskenning van de aanmeldingsplicht - Geldigheid van de onteigening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Artt. 107, eerste lid, en 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 - 19-12-2003 - Artt. 73, §§ 1 en 2, en 77, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 2003036268 Thesaurus CAS: KOOP Vrije woorden: Verkoop van gronden onder de marktwaarde - Steunmaatregel - Miskenning van de aanmeldingsplicht - Voorafgaande onteigening van die gronden - Geldigheid van de onteigening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Artt. 107, eerste lid, en 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 - 19-12-2003 - Artt. 73, §§ 1 en 2, en 77, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 2003036268 Annotaties Publicaties: T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2020, nr. 12, p. 1055-
  1. - VANDENBERGHE, H.; Noot'De raadgevingsplicht en onderzoeksverplichting van de notaris (art. 9, § 1, 3e lid Notariswet)' Tekst van de beslissing Nr. C.19.0304.N
  2. J. E.,
  3. G. E.,
  4. S. E.,
  5. R. E., eisers, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, tegen DE VLAAMSE WATERWEG nv, met zetel te 3500 Hasselt, Havenstraat 44, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0216.173.309, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
  6. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 januari
  7. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 20 februari 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  8. Krachtens artikel 107, lid 1, VWEU zijn, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Krachtens artikel 108, lid 3, VWEU wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 107 onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het tweede lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.
  9. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat wanneer een steunmaatregel met miskenning van de aanmeldingsplicht ten uitvoer is gelegd, de geldigheid van handelingen tot uitvoering van die steunmaatregel wordt aangetast. De nationale rechterlijke instanties dienen de justitiabelen die zich op een dergelijke miskenning kunnen beroepen, immers te waarborgen dat daaruit, overeenkomstig hun nationale recht, alle consequenties zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van in strijd met voormeld artikel 108, lid 3, VWEU of eventuele voorlopige maatregelen verleende financiële steun (HvJ 21 november 1991, Saumon, C-354/90, r.o. 12; HvJ 20 september 2001, Banks, C-390/98, r.o. 73; HvJ 15 juni 2006, Air Liquide, gevoegde zaken C-393/04 en 41/05, r.o. 42; HvJ 5 oktober 2006, Transalpine Ölleitung, C-368/04, r.o. 47; HvJ 26 april 2018, Asociación Nacional de Grandes Empresas de Distribución, C-é/16, r.o. 71).
  10. Artikel 73, § 1, van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, bepaalt dat de Vlaamse regering voor algemeen nut onroerende goederen kan onteigenen voor het (her)aanleggen van bedrijventerreinen, van hun toegangswegen en van bijkomende infrastructuur. Artikel 73, § 2, van voormeld decreet bepaalt dat de Vlaamse regering de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de Vlaamse openbare instellingen en andere publiekrechtelijke rechtspersonen die daartoe door de Vlaamse regering worden aangeduid, geval per geval kan machtigen om voor algemeen nut onroerende goederen te onteigenen voor het (her)aanleggen van bedrijventerreinen, van hun toegangswegen en van bijkomende infrastructuur. Krachtens artikel 77, lid 1, van dit decreet gebeurt de terbeschikkingstelling aan bedrijven, inclusief verkoop, van de gronden op bedrijventerreinen verworven bij toepassing van artikel 73 of aangelegd met steun van het Vlaams Gewest aan marktvoorwaarden. Voor de openbare rechtspersonen en Vlaamse openbare instellingen, vermeld in artikel 73, gebeurt dit aan de voorwaarden van de mededeling van de Europese Commissie (97/C 209/03) betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties.
  11. De onteigening van onroerende goederen die, krachtens artikel 73 van voornoemd decreet, het (her)aanleggen van een bedrijventerrein beoogt en voorafgaat aan een steunmaatregel bestaande in de verkoop van de onteigende gronden aan bedrijven onder de marktvoorwaarden, in strijd met de voorwaarden van artikel 77 van het decreet, vormt geen handeling tot uitvoering van die steunmaatregel. Het ten uitvoer brengen van de steunmaatregel met miskenning van de aanmeldingsplicht tast aldus de geldigheid van de onteigening zelf niet aan, maar resulteert slechts in de teruggave van de onwettig verleende steun door de begunstigde aan de onteigenaar, verkoper van de onteigende gronden, namelijk in de betaling van het verschil tussen de door de begunstigde betaalde prijs en de werkelijke waarde van de gronden.
  12. Het middel dat er geheel van uitgaat dat wanneer de verkoop van de onteigende gronden onder de marktwaarde gebeurt en de aanmeldingsplicht wordt miskend, er sprake is van een onwettige staatssteun en de onteigening derhalve ook ongeldig is, faalt naar recht. Tweede middel
  13. De appelrechters oordelen onaantastbaar in feite dat de vier onroerende goederen die de verweerster met het oog op de realisatie van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Zwartenhoek – Ham” heeft verworven door middel van minnelijke aankoop, geen objectieve vergelijkingspunten vormen die de situatie op de vrije vastgoedmarkt weerspiegelen. In zoverre het middel opkomt tegen die feitelijke beoordeling, is het niet ontvankelijk.
  14. De eisers hebben voor de appelrechters aangevoerd dat voor de bepaling van de onteigeningsvergoeding rekening moet worden gehouden met nieuwe vergelijkingspunten, met name met vier onroerende goederen die de verweerster met het oog op de realisatie van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Zwartenhoek – Ham” heeft verworven door middel van minnelijke aankoop.
  15. De appelrechters oordelen dat het niet om objectieve vergelijkingspunten gaat die de situatie op de vrije vastgoedmarkt weerspiegelen, omdat de onteigenaar in zijn minnelijk aanbod niet alleen rekening zal houden met de marktwaarde van het onroerend goed, maar ook met andere overwegingen zoals het vermijden van kostelijke onteigeningsprocedures, gerechtskosten en administratieve werkzaamheden.
  16. Door aldus te oordelen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer en dit op een wijze die het Hof toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 588,79 euro, met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.