id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.6 Rolnummer: C.19.0214.N Zaak: V. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-05-11 Raadplegingen: 369 - laatst gezien 2026-06-28 08:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche Bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging moet de rechter rekening houden met alle feitelijke omstandigheden die de opzegging verantwoord hebben en moet hij onderzoeken of uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter het oprechte en ernstige voornemen heeft om vanaf het verstrijken van de opzegtermijn de persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie uit te voeren, waarbij zijn beslissing onaantastbaar is
(1).
(1)Cass. 21 januari 2016, AR C.15.0155.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160121.7, AC 2016, nr.
- Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) Vrije woorden: Opzegging van de pacht - Verzoek tot geldigverklaring - Taak van de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Artt. 7, 9, eerste lid, en 12.6, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1969110401 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0214.N M. V. R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen T. V. G., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, van 23 mei
- Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 7 Pachtwet bepaalt dat de verpachter bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde kan maken aan de pacht, indien hij van een ernstige reden doet blijken. Ongeacht de in artikel 6 bedoelde redenen kunnen als ernstige redenen uitsluitend worden aanvaard: 1° het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. Artikel 9, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggenomen op grond van de bij artikelen 7, 1°, en 8, bepaalde reden, een persoonlijke, werkelijke en ten minste negen jaar voortgezette exploitatie moet zijn door degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen of, indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders en niet alleen door hun aangestelden. Naar luid van artikel 12.6, eerste lid, Pachtwet, gaat de rechter bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging na of de opzeggingsredenen ernstig en gegrond zijn, en met name of uit alle omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter de als opzeggingsredenen bekend gemaakte voornemens ten uitvoer zal brengen. Artikel 12.6, derde lid, van die wet bepaalt dat, in geval van betwisting over het ernstig karakter van het eigen gebruik, de verpachter moet preciseren hoe degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant is of zijn aangewezen, de persoonlijke werkelijke en voortgezette exploitatie zullen uitvoeren en bewijzen dat zij daartoe in staat zijn, alsmede dat zij aan de in artikel 9 gestelde voorwaarden voldoen.
- Krachtens die bepalingen moet de rechter bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging rekening houden met alle feitelijke omstandigheden die de opzegging verantwoord hebben. Hij moet onderzoeken of uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter het oprechte en ernstige voornemen heeft om vanaf het verstrijken van de opzegtermijn de persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie uit te voeren. Zijn beslissing is onaantastbaar.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser voor de appelrechter heeft aangevoerd dat de vooropgestelde teeltsoort, met name maïs, een gemakkelijk te telen gewas is, dat de teelt ervan bestaat uit "rassenkeuze (éénmalig), zaaien (éénmalig), mesten (éénmalig), sproeien (fytobehandeling) (éénmalig), oogsten (éénmalig), controle van het gewas", dat maïsteelt veel minder controle vergt dan bijvoorbeeld het houden van schapen, dat er geen dagelijkse leiding en toezicht nodig is op de groei van maïs, dat een wekelijkse controle meer dan voldoende is.
- De appelrechter oordeelt dat: - een afstand van 300 km niet van aard is om het persoonlijk dagelijks bestuur van de landbouwuitbating te verzorgen; - het argument van de eiser dat hij een webcam zal plaatsen om zijn teelt in de gaten te houden, niet wegneemt dat de afstand tussen Balen-Olmen en Grand-Halleux nog steeds 150 km is en de eiser ca. 3u zal moeten rijden om zijn maïsveld in Balen-Olmen te bezoeken; - het argument van de eiser dat hij een geboren Kempenaar is, geen afbreuk doet aan het feit dat hij een landbouwbedrijf heeft in Grand-Halleux op 150 km van de Kempen; - de beweerde meerwaarde van de vruchtbare grond van de Kempen op zich niet wordt betwist, doch de afstand tussen Balen-Olmen en Grand-Halleux niet minder groot maakt.
- De appelrechter die aldus oordeelt dat een werkelijke en persoonlijke exploitatie niet wordt aangetoond, zonder daarbij rekening te houden met de door de eiser ingeroepen omstandigheden die verband houden met de in het vooruitzicht gestelde teeltsoort, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160121.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div