id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200511.3N.2 Rolnummer: S.18.0094.N Zaak: P. contra DKV BELGIUM NV Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-06-04 Raadplegingen: 762 - laatst gezien 2026-06-29 04:15 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200511.3N.2 Fiche 1 De mogelijkheid die de artikelen 766, § 1, vierde lid en 767, § 2, Gerechtelijk Wetboek de partijen bieden om conclusies neer te leggen nadat de rechter de sluiting van het debat heeft uitgesproken en het openbaar ministerie zijn advies heeft gegeven, heeft uitsluitend betrekking op de inhoud van dat advies en houdt geen enkele afwijking in van de toepassing, door de rechter, van voormeld artikel 774, tweede lid
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 6 november 2006, AR S.06.0021.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061106.7, AC 2006, nr. 541. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Uitzondering - Rechter - Verplichting - Heropening van het debat - Openbaar ministerie - Advies Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 766, § 1, vierde lid, en 767, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Uit de artikelen 23 en 25 Genderwet volgt dat de forfaitaire vergoeding bepaald in artikel 23, § 2, 2°, slechts van toepassing is in geval van vorderingen tegen de werkgever; in alle andere gevallen is de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 23, § 2, 1°, Genderwet van toepassing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Discriminatiewet - Slachtoffer van discriminatie - Ongunstige of nadelige behandeling - Werkgever - Derde - Morele en materiële forfaitaire schadevergoeding - Omvang - Bepaling Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Artt. 23 en 25 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht [TBH] - 2021, nr. 2, p. 225-227 en 237-
- - VAN SCHOUBROECK, Caroline; Noot'Discriminatie op basis van geslachtsverandering en genderidentiteit: mijlpaalarrest over genderdysforie en beroepsgebonden hospitalisatieverzekering' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 12/13, p.1136-
- - DOOMS, Vincent; Noot'Over valkuilen bij de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de Genderwet' Tekst van de beslissing Nr. S.18.0094.N
- I.P.,
- INSTITUUT VOOR GELIJKHEID VAN MANNEN EN VROUWEN, met zetel te 1070 Anderlecht, Ernest Blerotstraat 1, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen DKV BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Loksumstraat 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 16 maart
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 31 maart 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, moet de rechter de heropening van het debat bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen. De mogelijkheid die de artikelen 766, § 1, vierde lid en 767, § 2, Gerechtelijk Wetboek de partijen bieden om conclusies neer te leggen nadat de rechter de sluiting van het debat heeft uitgesproken en het openbaar ministerie zijn advies heeft gegeven, heeft uitsluitend betrekking op de inhoud van dat advies en houdt geen enkele afwijking in van de toepassing, door de rechter, van voormeld artikel 774, tweede lid.
- De appelrechters sluiten zich aan bij het advies van het openbaar ministerie in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de eiser tot staking ten opzichte van niet nader geïdentificeerde personen als onontvankelijk aanmerkt en verklaart die vordering van de eiser tot staking ten opzichte van niet nader geïdentificeerde personen onontvankelijk op grond dat de eiser artikel 34 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, hierna Genderwet, omzeilt "door gevallen waarvan [hij] kennis heeft, voor te stellen als ‘niet-geïdentificeerd'".
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat een der partijen dergelijke exceptie heeft ingeroepen. Het onderdeel is gegrond. Derde middel
- Krachtens artikel 23, § 1, Genderwet kan het slachtoffer ingeval van discriminatie een schadevergoeding vorderen overeenkomstig het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden moet aan het slachtoffer een vergoeding betalen die naar keuze van het slachtoffer gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag uiteengezet in paragraaf 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. Krachtens paragraaf 2 van voormeld artikel 23 wordt de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire schadevergoeding als volgt bepaald: 1° met uitzondering van het hierna bedoelde geval, wordt de forfaitaire vergoeding van de morele schade geleden ten gevolge van een feit van discriminatie, bepaald op 650 euro; dat bedrag wordt verhoogd tot 1300 euro indien de dader niet kan aantonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden getroffen zou zijn of omwille van andere omstandigheden, zoals de bijzondere ernst van de geleden morele schade; 2° indien het slachtoffer morele en materiële schadevergoeding vordert wegens discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, is de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade gelijk aan de bruto beloning voor zes maanden, tenzij de werkgever aantoont dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden getroffen zou zijn; in dat laatste geval wordt de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt tot drie maanden bruto beloning; wanneer de materiële schade die voortvloeit uit een discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid echter hersteld kan worden via de toepassing van de nietigheidssanctie waarin artikel 20 voorziet, wordt de forfaitaire schadevergoeding bepaald volgens de bepalingen van punt 1°. Krachtens artikel 25, § 2, Genderwet kan de voorzitter van de rechtbank op vraag van het slachtoffer de in artikel 23, § 2, bedoelde forfaitaire schadevergoeding aan het slachtoffer toekennen. Uit deze bepalingen volgt dat de forfaitaire vergoeding bepaald in artikel 23, § 2, 2°, slechts van toepassing is in geval van vorderingen tegen de werkgever. In alle andere gevallen is de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 23, § 2, 1°, Genderwet van toepassing.
- De appelrechters stellen vast dat de eiseres sinds juni 2013 is tewerkgesteld bij Pentax Ricoh Imaging France en dat haar werkgever als deel van het verloningspakket aan de eiseres een hospitalisatieverzekering bij de verweerster aanbood.
- De vordering van de eiseres is bijgevolg niet tegen haar werkgever gericht. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters artikel 23, § 2, 2°, Genderwet schenden, kan het niet worden aangenomen.
- Voor het overige beantwoorden de appelrechters met de reden dat de voorzitter, zetelend zoals in kortgeding, de nietigverklaring van het strijdig beding niet kan uitspreken het in het middel bedoelde verweer en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Omvang van cassatie
- De vernietiging van de beslissing over de tussenkomst van de eiser voor niet-geïdentificeerde personen brengt de vernietiging mee van de beslissing over de vordering tot aanplakking en publicatie van het arrest, ingevolge het verband dat het arrest legt tussen deze beslissingen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eisers tussenkomst voor niet-geïdentificeerde personen onontvankelijk verklaart, het oordeelt over de vordering tot aanplakking en publicatie van het arrest en het uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 11 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200511.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200511.3N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231211.3F.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061106.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div