id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.1 Rolnummer: P.20.0061.N Zaak: G. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-16 Raadplegingen: 668 - laatst gezien 2026-06-29 02:12 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.1 Fiches 1 - 2 Uit de tekst van artikel 152, §§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het enkele feit dat de zaak niet wordt behandeld op de rechtsdag die door de rechter bij toepassing van artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is bepaald, maar ze wordt uitgesteld naar een latere rechtszitting, niet inhoudt dat de partijen opnieuw op grond van die bepaling om conclusietermijnen kunnen verzoeken of dat de partijen het recht verkrijgen om tot de sluiting van het debat te concluderen; de rechter dient ook in een dergelijk geval conclusies die niet binnen de in het proces-verbaal van de rechtszitting van de inleidingszitting bepaalde data werden neergelegd of meegedeeld ambtshalve uit het debat te weren, tenzij toepassing wordt gemaakt van paragraaf 2 van artikel 152 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vaststelling van conclusietermijnen - Bepaling van de rechtsdag - Tijdige neerlegging van de conclusies - Uitstel van de zaak op de vastgestelde rechtsdag - Neerlegging van nieuwe aanvullende conclusies - Wering - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Vaststelling van conclusietermijnen - Bepaling van de rechtsdag - Tijdige neerlegging van de conclusies - Uitstel van de zaak op de vastgestelde rechtsdag - Neerlegging van nieuwe aanvullende conclusies - Wering - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 4 Artikel 13 EVRM houdt in dat hij die klaagt over een schending van artikel 6.1 EVRM omdat zijn recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend, zich moet kunnen richten tot zijn nationale rechter teneinde dit te laten vaststellen en een adequaat rechtsherstel te krijgen; indien de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, moet de rechter in de regel een straf uitspreken die daadwerkelijk en op een meetbare wijze verminderd is ten opzichte van de straf die hij had kunnen opleggen indien de redelijke termijn niet was overschreden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Miskenning - Adequaat rechtsherstel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Redelijke termijn - Miskenning - Adequaat rechtsherstel - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0061.N I O. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie Antwerpen. II S. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 december
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Op 5 mei 2020 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 12 mei 2020 heeft raadsheer Sidney Berneman verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 152, § 1, en 209bis Wetboek van Strafvordering: het arrest weert ten onrechte de aanvullende syntheseappelconclusie die de eiser I heeft neergelegd op de griffie op 11 juni 2019 en op de rechtszitting van 6 november 2019 uit het debat op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering; op de rechtszitting van 14 december 2018 werden conclusietermijnen bepaald met als rechtsdag 26 april 2019; de eiser I legde op 15 februari 2019 tijdig zijn appelconclusie ter griffie neer; vervolgens werd de zaak op 26 april 2019 ambtshalve uitgesteld naar 6 november 2019 wegens overbelasting van de rol; op de rechtszitting van 26 april 2019 werden aan de partijen geen nieuwe conclusietermijnen opgelegd; de eiser I had dan ook principieel het recht te concluderen zolang het debat niet was gesloten; artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering was alsdan niet meer van toepassing; de appelrechters stellen ook niet vast dat er sprake was van een vertragingsmanoeuvre van de eiser I of van zijn wil de goede rechtsbedeling te verhinderen of rechten van derden te schaden.
- Artikel 152, § 1, en § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "§
- De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen. De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek. De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. §
- Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden genomen na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen: - mits het akkoord van de betrokken partijen, of - bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing." Volgens artikel 209bis, zevende lid, Wetboek van Strafvordering is deze regeling ook van toepassing in hoger beroep.
- Uit de tekst van artikel 152 § 1, en § 2, Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het enkele feit dat de zaak niet wordt behandeld op de rechtsdag die door de rechter bij toepassing van artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is bepaald, maar ze wordt uitgesteld naar een latere rechtszitting, niet inhoudt dat de partijen opnieuw op grond van die bepaling om conclusietermijnen kunnen verzoeken of dat de partijen het recht verkrijgen om tot de sluiting van het debat te concluderen. De rechter dient ook in een dergelijk geval conclusies die niet binnen de in het proces-verbaal van de rechtszitting van de inleidingszitting bepaalde data werden neergelegd of meegedeeld ambtshalve uit het debat te weren, tenzij toepassing wordt gemaakt van paragraaf 2 van artikel 152 Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 152, § 2, en 209bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser I niet aannemelijk maakt dat na het verstrijken van de conclusietermijnen een nieuw en ter zake dienend stuk of feit zou zijn ontdekt dat nieuwe besluiten rechtvaardigt; de eiser I ontwikkelde een argumentatie over de redelijke termijn in strafzaken en heeft op de bepaalde rechtsdag, na het vernemen dat de zaak ambtshalve zou worden uitgesteld, onmiddellijk te kennen gegeven schriftelijk standpunt te willen innemen over de mogelijke gevolgen verbonden aan dit uitstel; het gegeven dat de zaak verder werd uitgesteld wegens overbelasting van de rol is een nieuw en ter zake dienend feit in de zin van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.
- De appelrechters hebben bij hun beoordeling van het redelijke termijn-verweer van de eiser I (arrest, p. 42-44) het uitstel van de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 26 april 2019 naar de rechtszitting van 7 november 2019 betrokken. Het oordeel door het arrest dat dit uitstel geen nieuw en ter zake dienend feit is dat bijgevolg geen nieuwe conclusietermijnen rechtvaardigt, kan de eiser I niet grieven. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn in strafzaken overschreden is en dat de eiser I daarom in plaats van een hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5.000,00 euro, een effectieve hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 4.000,00 euro krijgt; de eiser I heeft hierdoor geen daadwerkelijk rechtsmiddel gekregen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
- Artikel 13 EVRM houdt in dat hij die klaagt over een schending van artikel 6.1 EVRM omdat zijn recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend, zich moet kunnen richten tot zijn nationale rechter teneinde dit te laten vaststellen en een adequaat rechtsherstel te krijgen. Indien de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, moet de rechter in de regel een straf uitspreken die daadwerkelijk en op een meetbare wijze verminderd is ten opzichte van de straf die hij had kunnen opleggen indien de redelijke termijn niet was overschreden.
- De appelrechters oordelen dat: - in casu de redelijke termijn in beperkte mate is overschreden; - ter compensatie van de lange duur van de strafvervolging en de morele last die dit met zich bracht, bij de beoordeling van de straftoemeting, hiermee rekening wordt gehouden; - de eiser I hierdoor een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 4.000,00 euro wordt opgelegd in plaats van een hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5.000,00 euro. Aldus verleent het arrest een adequaat rechtsherstel voor de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn en is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het arrest overweegt dat door de eiser I niet aannemelijk wordt gemaakt dat na het verstrijken van de conclusietermijnen een nieuw en ter zake dienend stuk of feit zou zijn ontdekt dat nieuwe besluiten rechtvaardigt in de zin van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering; de eiser I ontwikkelde reeds een argumentatie over de miskenning van de redelijke termijn in strafzaken en heeft op de bepaalde rechtsdag op 26 april 2019, na het vernemen dat de zaak ambtshalve zou worden uitgesteld, onmiddellijk te kennen gegeven schriftelijk standpunt te willen innemen over de mogelijke gevolgen die uit dit uitstel zouden voortvloeien; het gegeven dat de zaak verder werd uitgesteld wegens overbelasting van de rol maakt wel degelijk een nieuw en ter zake dienend feit uit in de zin van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering.
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als de met het eerste middel aangevoerde onwettigheden en moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het arrest vermeldt in algemene termen het gegeven dat het extra tijdsverloop geen nieuw en ter zake dienend feit zou uitmaken in de zin van artikel 152 Wetboek van Strafvordering en verduidelijkt niet waarom er geen sprake zou zijn van een nieuw en ter zake dienend feit doordat de zaak zeven maanden werd uitgesteld.
- Met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. In zoverre het schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De schending van artikel 152 Wetboek van Strafvordering is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 373,51 euro, waarvan de eiser I 186,75 euro is verschuldigd en de eiser II 186,76 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 12 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div