← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.11 Rolnummer: P.20.0464.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-16 Raadplegingen: 592 - laatst gezien 2026-06-28 08:01 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Krachtens artikel 7, vijfde lid, Vreemdelingenwet kan de Minister of zijn gemachtigde de opsluiting van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten telkens met een periode van twee maanden verlengen wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na zijn opsluiting, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is; de omstandigheid dat het tijdelijk niet mogelijk is om een vreemdeling, aan wie bevel is gegeven het grondgebied te verlaten, te verwijderen naar zijn land van herkomst gelet op de met betrekking tot de corona-epidemie genomen maatregelen, houdt niet in dat een effectieve verwijdering van de vreemdeling binnen een redelijke termijn niet mogelijk is en dat de vasthoudingsmaatregel moet worden beëindigd. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Artikelen 7, 71 en 72 - Vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten - Opsluiting - Verlenging van de maatregel - Voorwaarden voor de verlenging - Tijdelijke onmogelijkheid tot verwijdering van de vreemdeling - Corona-epidemie - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.f - Recht op vrijheid en veiligheid - Vreemdelingenwet - Artikelen 7, 71 en 72 - Vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten - Opsluiting - Verlenging van de maatregel - Voorwaarden voor de verlenging - Tijdelijke onmogelijkheid tot verwijdering van de vreemdeling - Corona-epidemie - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0464.N I. T. vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Katrin Verhaegen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Rotterdamstraat 53, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, ambtshalve tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 april 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM en de artikelen 71 en 72 Vreemdelingenwet, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de appelrechters hebben geen wettigheidstoezicht uitgevoerd naar de door de eiser aan de hand van stukken aangevoerde schending van artikel 3 EVRM; de motivering van het arrest laat niet toe de redenen te kennen waarom er volgens de appelrechters geen sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. 2. Met overname van de redenen van de brief van de dienst Vreemdelingenzaken van 25 maart 2020 stelt het arrest vast dat er tussen de bewoners van het gesloten centrum voldoende afstand kan worden gehouden en dat er medische opvolging is. Daaruit volgt dat de appelrechters het op hen rustende toezicht betreffende de overeenstemming van de detentie met artikel 3 EVRM hebben beoordeeld, is het arrest regelmatig met redenen omkleed en beantwoordt het het in het middel bedoelde verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 7, 71 en 72 Vreemdelingenwet: de appelrechters oefenen geen controle uit naar de mogelijkheid ex nunc op het bestaan van een reëel perspectief op verwijdering; zij komen hun motiveringsplicht in dat opzicht niet na; door de tijdelijke onmogelijkheid tot repatriëring in de weegschaal te leggen met het potentiële risico voor de openbare orde, beoordelen de appelrechters de opportuniteit van de maatregel en overschrijden zij hun bevoegdheid. 4. Artikel 5.1.

  1. f)EVRM bepaalt dat niemand dan langs wettelijke weg van zijn vrijheid mag worden beroofd in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hem een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is. 5. Krachtens artikel 7, vijfde lid, Vreemdelingenwet kan de Minister of zijn gemachtigde de opsluiting van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten telkens met een periode van twee maanden verlengen wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na zijn opsluiting, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is. 6. De omstandigheid dat het tijdelijk niet mogelijk is om een vreemdeling, aan wie bevel is gegeven het grondgebied te verlaten, te verwijderen naar zijn land van herkomst gelet op de met betrekking tot de corona-epidemie genomen maatregelen, houdt niet in dat een effectieve verwijdering van de vreemdeling binnen een redelijke termijn niet mogelijk is en dat de vasthoudingsmaatregel moet worden beëindigd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van de brief van de dienst Vreemdelingenzaken van 25 maart 2020 als volgt: - zeer kort na eisers vasthouding op 15 januari 2020 werden stappen gezet met het oog op zijn verwijdering, met name een medische evaluatie op 15 januari 2020 met het oog op zijn verwijdering en verblijf in het gesloten centrum en het verkrijgen van een doorlaatbewijs op 5 maart 2020; - een nieuwe medische evaluatie volgde op 13 maart 2020 en op 16 maart 2020 werd een vlucht geboekt; - de eiser toont met geen enkel concreet element aan dat de coronacrisis dermate lang zal duren dat zijn effectieve verwijdering niet binnen een redelijke termijn mogelijk is; - gezien er reeds een doorlaatbewijs werd uitgereikt, is er wel degelijk een kans op repatriëring binnen een redelijke termijn; - de opschorting van het vliegverkeer is een externe omstandigheid die deze opsluiting met het oog op verwijdering een zekere duur kan geven, maar die geenszins toelaat om op het ogenblik van het arrest reeds te besluiten dat een repatriëring niet meer kan lukken binnen de wettelijke termijn; - de opschorting van het vliegverkeer staat los van de inspanningen die de Belgische overheid levert om de eiser binnen een redelijke termijn te repatriëren; - de gebeurtenissen in China wijzen er bovendien op dat er wel degelijk een vooruitzicht op verwijdering is binnen een redelijke termijn en binnen de wettelijke vasthoudingstermijn en de eiser brengt geen elementen aan die het tegendeel doen vermoeden; - de nodige stappen tot verwijdering werden wel degelijk gezet kort na eisers vasthouding en de speculaties over de duur van de coronacrisis maken niet aannemelijk dat de verwijdering binnen een redelijke termijn onmogelijk is; - de Belgische overheid hoeft daarbij geenszins te bewijzen wat het exacte tijdstip zal zijn wanneer reizen terug mogelijk wordt en het volstaat dat zij snel de nodige stappen heeft gezet en dat er heden geen elementen voorliggen die een verwijdering binnen de wettelijke termijn onmogelijk zouden maken. Aldus blijkt dat de appelrechters hun wettigheidstoezicht uitoefenen zonder zich uit te spreken over de opportuniteit van eisers opsluiting en is het oordeel dat eisers vasthouding in overeenstemming is met artikel 7, vijfde lid, Vreemdelingenwet en artikel 5.1.
  2. f)EVRM regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Voor het overige is het middel gericht tegen redenen die de beslissing niet schragen en kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 12 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  3. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.