← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.3 Rolnummer: P.20.0342.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Unierecht Invoerdatum: 2021-09-16 Raadplegingen: 948 - laatst gezien 2026-06-28 18:47 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.3 Fiche 1 Het onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de procedure bepaald in artikel 22, § 2, Wet Europees onderzoeksbevel juncto artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, is ontvankelijk

(1). (impliciete oplossing).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep Fiches 2 - 3 Het onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de procedure bepaald in artikel 22, § 2, Wet Europees onderzoeksbevel juncto artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, is ontvankelijk
(1). (Impliciete oplossing).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Richtlijn 2014/41/EU van 3 april 2014 - Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2014/41/EU van 3 april 2014 - Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep Fiches 4 - 5 Uit het tegensprekelijk karakter van de door artikel 22, § 2, Wet Europees Onderzoeksbevel en artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, geregelde procedure volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting om, wanneer voor haar binnen de haar op grond van die bepalingen toegekende beoordelingsbevoegdheid door de betrokken partij een verweer wordt gevoerd nopens de strijdigheid van het verhoor ter gelegenheid van de huiszoeking en het beslag zonder bijstand van een raadsman met artikel 6.3 EVRM, de verplichting om dit verweer te beantwoorden; het arrest dat bij de beoordeling van de uit artikel 61quater, §1, Wetboek van Srafvordering voortvloeiende ontvankelijkheidsvoorwaarde dat de verzoeker moet aantonen dat hij door het beslag wordt geschaad, verwijst naar dat verhoor, beantwoordt het bedoelde verweer niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Kamer van inbeschuldigingstelling - Tegensprekelijke procedure - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Kamer van inbeschuldigingstelling - Tegensprekelijke procedure - Verweer met betrekking tot artikel 6.
  1. EVRM - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0342.N J. M., verzoeker tot opheffing van een beslag bevolen op grond van een Europees onderzoeksbevel, eiser, met als raadsman mr. Virginie Cottyn, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 4 mei 2020 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 12 mei 2020 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE PROCEDURE
  3. Ter uitvoering van een door een Italiaanse gerechtelijke overheid uitgevaardigd Europees onderzoeksbevel werd op bevel van de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (hierna de onderzoeksrechter), bij de eiser een huiszoeking uitgevoerd, waarbij een aantal kunstvoorwerpen werden in beslag genomen. Ter gelegenheid van die huiszoeking en dat beslag werd de eiser verhoord.
  4. De onderzoeksrechter heeft bij beschikking van 7 mei 2019 beslist dat de inbeslaggenomen goederen tijdelijk zouden worden overgedragen aan de Italiaanse uitvaardigende overheid en dit voor de duur van het onderzoek.
  5. Op 28 mei 2019 heeft de eiser als derde belanghebbende op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 22, § 3, Wet Europees Onderzoeksbevel. De raadkamer van deze rechtbank en afdeling heeft bij beschikking van 11 juni 2019 dit verzoek als ongegrond afgewezen. Het hoger beroep van de eiser tegen die beschikking werd door de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen bij arrest van 19 september 2019 ongegrond verklaard.
  6. De eiser heeft op 5 september 2019 een verzoekschrift als bedoeld door artikel 22, § 2, Wet Europees Onderzoeksbevel en artikel 61quater Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen strekkende tot het horen bevelen van de opheffing van het op verzoek van de Italiaanse uitvaardigende autoriteit gelegde beslag.
  7. De onderzoeksrechter heeft bij beschikking van 20 september 2019 dit verzoek onontvankelijk verklaard. Het door de eiser tegen die beschikking ingestelde hoger beroep werd door de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen bij arrest van 14 november 2019 ontvankelijk verklaard, maar als ongegrond verworpen. Volgens de kamer van inbeschuldigingstelling was het initieel verzoekschrift ab initio onontvankelijk omdat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het beslag werd geschaad.
  8. Het cassatieberoep dat de eiser op 26 november 2019 heeft ingesteld, is gericht tegen dit arrest. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  9. Het arrest verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen die beslissing, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het door de eiser in zijn appelconclusie gevoerde verweer dat de Salduz-voorschriften en zijn recht van verdediging zijn miskend omdat hij bij zijn verhoor ter gelegenheid van de huiszoeking en het beslag niet werd bijgestaan door een raadsman.
  11. Uit het tegensprekelijk karakter van de door artikel 22, § 2, Wet Europees Onderzoeksbevel en artikel 61quater Wetboek van Strafvordering geregelde procedure volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting om, wanneer voor haar binnen de haar op grond van die bepalingen toegekende beoordelingsbevoegdheid een verweer wordt gevoerd, dit te beantwoorden.
  12. De eiser heeft voor de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerd dat zijn verhoor ter gelegenheid van de huiszoeking en het beslag zonder bijstand van een raadsman strijdig is met artikel 6.3 EVRM. Het arrest dat bij de beoordeling van de uit artikel 61quater, § 1, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende ontvankelijkheidsvoorwaarde dat de verzoeker moet aantonen dat hij door het beslag wordt geschaad, verwijst naar dat verhoor, beantwoordt het bedoelde verweer niet. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  13. De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre het het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 131,56 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 12 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220105.2F.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221221.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230301.2F.12 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.4 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260128.2F.15 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.029 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.