id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.4 Rolnummer: P.20.0104.N Zaak: D. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-22 Raadplegingen: 1189 - laatst gezien 2026-06-19 09:02 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De fouten of nalatigheden van de lasthebber verbinden de lastgever wanneer zij binnen de perken van de lastgeving zijn begaan en kunnen op zichzelf voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht opleveren; het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en het monopolie dat artikel 519, § 1, Gerechtelijk Wetboek aan de gerechtsdeurwaarders toekent, alsook de beperkingen die, wat de keuze van de instrumenterende deurwaarder betreft, voortvloeien uit de regels inzake territoriale bevoegdheid die in artikel 516 van datzelfde wetboek zijn bepaald, houden in dat de fout of de nalatigheid van die ministeriële ambtenaar als overmacht kan worden beschouwd waardoor de wettelijke termijn om cassatieberoep in te stellen kan worden verlengd met de tijdsduur waarin het voor de eiser volstrekt onmogelijk was om dit beroep in te stellen maar dit is niet het geval wanneer de gerechtsdeurwaarder de hem toerekenbare fout niet heeft begaan in het kader van het monopolie dat artikel 519, § 1, Gerechtelijk Wetboek aan deze ministeriële ambtenaar toekent, maar in de uitvoering van een handeling die hij overeenkomstig artikel 519, § 2, Gerechtelijk Wetboek op verzoek van een partij kan verrichten
(1).
(1)In deze zaak werd het cassatieberoep van de burgerlijke partij tijdig ingesteld en ook tijdig betekend aan de partijen tegen wie het gericht was, maar werden de betekeningsexploten neergelegd buiten de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, bepaalde termijn. Deze verplichting wordt gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep (F. VAN VOLSEM, "Het cassatieberoep in strafzaken na 'Potpourri II'", in B. MAES en P. WOUTERS (eds.), Procederen voor het Hof van Cassatie, p. 260, nr. 266). De burgerlijke partij beriep zich op overmacht. Overmacht wordt restrictief ingevuld door het Hof en kan slechts voortvloeien uit "een omstandigheid buiten de wil van de eiser, die deze omstandigheid niet heeft kunnen voorzien noch voorkomen en waardoor het hem onmogelijk was tijdig zijn rechtsmiddel aan te wenden" (Cass. 31 oktober 2017, AR P.17.0255.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171031.7, AC 2017, nr. 606). Zo werd met name geoordeeld dat het verweer dat niet tijdig een advocaat kon worden geraadpleegd (Cass. 10 juli 2019, AR P.19.0694.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190710.3, AC 2019, nr. 417) of niet tijdig een advocaat-attesthouder kon worden gevonden (Cass. 24 oktober 2017, AR P.16.1198.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.2, AC 2017, nr. 584 en noot AW) of niet tijdig de nodige handelingen werden gesteld ingevolge een wisseling van raadslieden (Cass. 12 maart 2019, AR P.18.0298.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2N.5, AC 2019, nr. 156 en Cass. 29 oktober 2019, AR P.19.0697.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.5, AC 2019, nr. 554) geen overmacht uitmaakt. In de thans voorliggende casus werd door de burgerlijke partij een fout van de gerechtsdeurwaarder ingeroepen bij de neerlegging van de betekeningsexploten en de hier voorliggende vraag is derhalve of deze fout kan worden beschouwd als overmacht. De Nederlandstalige afdeling van de eerste kamer had in een arrest van 8 februari 2019 geoordeeld dat gelet op het monopolie toegekend aan de gerechtsdeurwaarder door artikel 519, §1, Gerechtelijk Wetboek, alsmede op de beperkingen in de keuze van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder voortvloeiend uit de regels inzake territoriale bevoegdheid bepaald in artikel 516 van datzelfde wetboek, de fout van die ministeriële ambtenaar als overmacht kan worden beschouwd (Cass. 8 februari 2019, AR C.18.0048.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.3, AC 2019, nr. 83 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER), maar in een arrest van 11 april 2019 van de eerste kamer, Franstalige afdeling, oordeelde het Hof dat fouten of nalatigheden van de lasthebber, zelfs van een gerechtsdeurwaarder, de lastgever binden wanneer ze binnen de grenzen van de lastgeving worden begaan en voor de lastgever geen overmacht kunnen vormen (Cass. 11 april 2019, AR F.17.0143.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190411.3, AC 2019, nr. 229) - zie over deze beide arresten TBBR 2019/8, 492 e.v. en noot van S. DE REY en B. TILLEMAN, "De fout van de gerechtsdeurwaarder als overmacht om aan de onontvankelijkheid van een rechtsmiddel te ontsnappen: zet lastgeving nog steeds de toon?" en JLMB 2019/29 en noot van J.-L. FAGNART, "La faute de l'huissier de justice et la force majeure". Gelet op deze tegenspraak volgde op 18 november 2019 een arrest gewezen in voltallige zitting (C.18.0510.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.1 met concl. van advocaat-generaal J.-M. GENICOT op datum in Pas. - zie TBBR 2020/2, 102 e.v. en noot S. DE REY en B. TILLEMAN, "De fout van de gerechtsdeurwaarder als overmacht om aan de onontvankelijkheid van een rechtsmiddel te ontsnappen: in voltallige zitting beslecht" en PB 2019/5-6, 213 e.v. en noot P. DEPUYDT, "De fout van de gerechtsdeurwaarder: overmacht voor de rechtzoekende. Of toch niet?") waarin de regel bepaald in het arrest van 8 februari 2019 wordt overgenomen en derhalve het principe van overmacht bij een fout van de gerechtsdeurwaarder wordt aanvaard, maar in casu deze overmacht niet werd aangenomen omdat uit de neergelegde stukken niet kon worden afgeleid op welke datum de opdracht aan de deurwaarder om tot betekening over te gaan, werd gegeven. Tenslotte is het in het kader van deze problematiek ook van belang na te gaan wat precies onder het wettelijk monopolie van de gerechtsdeurwaarder wordt begrepen. Overeenkomstig artikel 519, §1, Gerechtelijk Wetboek, valt de betekening hier uiteraard wel onder, maar dit is niet het geval met de residuaire bevoegdheden bepaald in §2 van datzelfde artikel. Derhalve valt de neerlegging ter griffie van de betekeningsstukken binnen de wettelijk vereiste termijn niet onder dit monopolie. Gelet op de tijdige betekening was het mogelijk deze neerlegging binnen de wettelijk bepaalde termijn te doen, temeer dat dit een handeling is die ook de eiser zelf kan en mag doen, zodat deze fout van de lasthebber -in casu de gerechtsdeurwaarder- geen overmacht uitmaakt (zie ook Cass. 27 maart 2020, AR F.18.0022.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200327.1F.1, AC 2020, nr. 217; Cass. 21 december 2012, AR F.12.0006.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121221.5, AC 2012, nr. 709). AW. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde Vrije woorden: Betekening van het cassatieberoep - Neerlegging van de betekeningsexploten - Overschrijding van de termijn bepaald in artikel 429, Wetboek van Strafvordering - Fout of nalatigheid van de gerechtsdeurwaarder - Overmacht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: LASTGEVING Vrije woorden: Fouten of nalatigheden van de lasthebber - Gerechtsdeurwaarder - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde - Betekening van het cassatieberoep - Neerlegging van de betekeningsexploten - Overschrijding van de termijn bepaald in artikel 429, Wetboek van Strafvordering - Overmacht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER Vrije woorden: Fout of nalatigheid van de gerechtsdeurwaarder - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde - Betekening van het cassatieberoep - Neerlegging van de betekeningsexploten - Overschrijding van de termijn bepaald in artikel 429, Wetboek van Strafvordering - Overmacht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Toegang tot de rechter - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde - Betekening van het cassatieberoep - Neerlegging van de betekeningsexploten - Overschrijding van de termijn bepaald in artikel 429, Wetboek van Strafvordering - Fout of nalatigheid van de gerechtsdeurwaarder - Overmacht - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0104.N K. D., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Lore Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen 1. C. B., beklaagde, 2. BATU TRANS bvba, met zetel te 9770 Kruisem (Kruishoutem), Kazerne-weg 7/7, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 6 december 2019. De eiser voert grieven aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Overeenkomstig artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering moet de burgerlijke partij die cassatieberoep instelt, dit laten betekenen aan de partij tegen wie het is gericht. Artikel 427, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de eiser in cas-satie het exploot van betekening van het cassatieberoep binnen de termijn be-paald in artikel 429 Wetboek van Strafvordering op de griffie van het Hof moet neerleggen. 2. Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser de betekeningsexploten van het cassatieberoep, dat op 13 februari 2020 aan de ver-weerders werd betekend, op 1 april 2020 op de griffie van het Hof heeft neerge-legd, dit is buiten de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering be-doelde termijn van twee maanden volgend op de verklaring van cassatieberoep van 20 december 2019. 3. De eiser voert aan dat de gerechtsdeurwaarder, aan wie hij tijdig de op-dracht heeft gegeven om tot betekening over te gaan en de exploten neer te leg-gen, de termijn voor neerlegging heeft laten verstrijken. Volgens de eiser maakt deze contractuele fout van de gerechtsdeurwaarder overmacht uit zodat het cas-satieberoep ondanks de laattijdige neerlegging van de exploten ontvankelijk moet worden verklaard. 4. De fouten of nalatigheden van de lasthebber verbinden de lastgever wan-neer zij binnen de perken van de lastgeving zijn begaan en kunnen op zichzelf voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht opleveren. 5. Het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en het monopolie dat artikel 519, § 1, Gerechtelijk Wetboek aan de ge-rechtsdeurwaarders toekent, alsook de beperkingen die, wat de keuze van de in-strumenterende deurwaarder betreft, voortvloeien uit de regels inzake territoriale bevoegdheid die in artikel 516 van datzelfde wetboek zijn bepaald, houden in dat de fout of de nalatigheid van die ministeriële ambtenaar als overmacht kan wor-den beschouwd waardoor de wettelijke termijn om cassatieberoep in te stellen kan worden verlengd met de tijdsduur waarin het voor de eiser volstrekt onmo-gelijk was om dit beroep in te stellen. Dit is niet het geval wanneer de gerechtsdeurwaarder de hem toerekenbare fout niet heeft begaan in het kader van het monopolie dat artikel 519, § 1, Gerechte-lijk Wetboek aan deze ministeriële ambtenaar toekent, maar in de uitvoering van een handeling die hij overeenkomstig artikel 519, § 2, Gerechtelijk Wetboek op verzoek van een partij kan verrichten. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 68,11 euro waarvan 6,11 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Over-beke, en op de openbare rechtszitting van 12 mei 2020 uitgesproken door waar-nemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.986 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121221.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171031.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2N.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190411.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190710.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200327.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div