← België

STAD OOSTENDE contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200514.1N.7 Rolnummer: F.18.0162.N Zaak: STAD OOSTENDE contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2021-09-28 Raadplegingen: 903 - laatst gezien 2026-06-28 08:01 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200514.1N.7 Fiches 1 - 2 Bij het vestigen van een belasting ten laste van de eigenaar of de zakelijk gerechtigde van een onroerend goed is de belastingheffende overheid geen derde in de zin van artikel 1 Hypotheekwet aangezien zij daarbij niet optreedt als houder van een conflicterend zakelijk recht en zij daarbij evenmin verhaalsrechten op het goed uitoefent; hieruit volgt dat deze overheid zich bij het vestigen van de belasting niet kan beroepen op de afwezigheid van overschrijving van de akte houdende overdracht van onroerende zakelijke rechten en zij de belasting dient te vestigen ten laste van de werkelijke eigenaar of zakelijk gerechtigde

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Koopovereenkomst onroerend goed - Gebrek aan overschrijving op het hypotheekkantoor - Tegenstelbaarheid aan derden - Fiscale administratie - Hoedanigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek III - Titel XVIII: Voorrechten en hypotheken. - Hypotheekwet - 16-12-1851 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1851121650 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: Leegstandsheffing - Koopovereenkomst onroerend goed - Gebrek aan overschrijving op het hypotheekkantoor - Tegenstelbaarheid aan derden - Fiscale administratie - Hoedanigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek III - Titel XVIII: Voorrechten en hypotheken. - Hypotheekwet - 16-12-1851 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1851121650 Tekst van de beslissing Nr. F.18.0162.N STAD OOSTENDE, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met zetel te 8400 Oostende, Vindictivelaan 1, eiseres, met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie West-Vlaanderen met kantoor te 8020 Oostkamp, Hertsbergsestraat 4, tegen H. D., verweerder, met als raadsman mr. Geert Lambert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Elisabethlaan
  1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 mei
  2. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 april 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Krachtens artikel 1, eerste lid, Hypotheekwet, zoals hier van toepassing, worden alle akten onder de levenden, om niet of onder bezwarende titel, tot overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten, andere dan voorrechten en hypotheken, met inbegrip van de authentieke akten bedoeld in de artikelen 577-4, § 1, en 577-4, § 4, Burgerlijk Wetboek, alsmede van de daarin aangebrachte wijzigingen, in hun geheel overgeschreven in een daartoe bestemd register op het kantoor van bewaring der hypotheken van het arrondissement waar de goederen zijn gelegen. Tot dan toe kan men zich op die akten niet beroepen tegen derden die zonder bedrog gecontracteerd hebben. Derden in de zin van die wetsbepaling zijn zij die niet bij de bedoelde akten betrokken waren en die hetzij een conflicterend zakelijk recht hebben verworven op de goederen waarop bedoelde akten betrekking hebben, hetzij op die goederen hun verhaalsrechten tegen hun schuldenaar hebben vervolgd. Deze wetsbepaling beschermt immers derden die op het onroerend goed een conflicterend zakelijk recht hebben of op het onroerend goed een onroerend beslag hebben gelegd en voor wie de openbaar te maken akten om die reden relevant zijn.
  4. Bij het vestigen van een belasting ten laste van de eigenaar of de zakelijk gerechtigde van een onroerend goed is de belastingheffende overheid geen derde in de zin van artikel 1 Hypotheekwet aangezien zij daarbij niet optreedt als houder van een conflicterend zakelijk recht en zij daarbij evenmin verhaalsrechten op het goed uitoefent. Hieruit volgt dat deze overheid zich bij het vestigen van de belasting niet kan beroepen op de afwezigheid van overschrijving van de akte houdende overdracht van onroerende zakelijke rechten en zij de belasting dient te vestigen ten laste van de werkelijke eigenaar of zakelijk gerechtigde.
  5. De appelrechter stelt vast dat: - de betwisting betrekking heeft op aanslagen in de belasting op woningen en/of gebouwen die beschouwd worden als onbewoonbaar, ongeschikt, verwaarloosd of leegstaand voor het aanslagjaar 2014; - de verweerder de belaste panden bij onderhandse akte van 21 augustus 2012 heeft verkocht; - de verkoop ingevolge een tegen de koper gevoerde procedure vooralsnog niet authentiek werd vastgesteld en derhalve ook niet werd overgeschreven op het hypotheekkantoor. Hij oordeelt dat: - het aangaan van de koop-verkoopovereenkomst van 21 augustus 2012 tot gevolg heeft dat tussen de partijen bij die overeenkomst een koop-verkoop met betrekking tot de belaste goederen tot stand kwam; - het feit dat van die overdracht niets terug te vinden is in de registers van de hypotheekbewaarder of in de kadastrale bescheiden, enkel van belang is voor wat betreft de tegenstelbaarheid van deze rechtshandeling aan derden, maar geen afbreuk doet aan het bestaan van die rechtshandeling en aan het feit dat de koper titularis is geworden van het eigendomsrecht; - de eiseres, in het kader van de bepaling wie eigenaar is van de belaste onroerende goederen voor de toepassing van het besproken belastingreglement, niet kan beschouwd worden als een derde in de zin van artikel 1 Hypotheekwet. Door op die gronden te oordelen dat de verweerder sedert 21 augustus 2012 geen eigenaar meer was en hij bijgevolg niet kon worden beschouwd als belastingplichtige in de zin van het belastingreglement, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 1 Hypotheekwet, kan het niet worden aangenomen.
  6. In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de appelrechter dat er in casu geen sprake is van simulatie met betrekking tot voormelde koopovereenkomst, zonder de schending van enige wettelijke bepaling aan te voeren, voldoet het niet aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk het verzoekschrift de vermelding moet bevatten van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, en is het mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 163,44 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 14 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200514.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200514.1N.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.