← België

STAD OOSTENDE contra MECO nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200514.1N.8 Rolnummer: F.18.0164.N Zaak: STAD OOSTENDE contra MECO nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2021-09-28 Raadplegingen: 1443 - laatst gezien 2026-06-29 03:36 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200514.1N.8 Fiches 1 - 2 Met gronderven en gebouwen, die krachtens artikel 518 B.W. onroerend uit hun aard zijn, moeten worden gelijkgesteld de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk met de gronderven en gebouwen verbonden zijn of erin vastzitten; de gemakkelijke verplaatsbaarheid van een voorwerp dat bestemd is om duurzaam op een bepaalde plaats te blijven en aldaar verbonden is met de grond ontneemt aan dat voorwerp niet zijn aard van onroerend goed

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONROEREND EN ROEREND GOED Vrije woorden: Onroerend goed - Begrip Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 518 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: Leegstandsheffing stad Oostende - Wooncontainers - Onroerend goed - Begrip Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 518 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux [JT] - 2021, n° 6855, p. 309-
  1. - BERNARD, Nicolas; Note'La summa divisio entre meubles et immeubles est-elle encore adaptée à la réalité du logement?' Tekst van de beslissing Nr. F.18.0164.N STAD OOSTENDE, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met zetel te 8400 Oostende, Vindictivelaan 1, eiseres, met als raadsman mr. Cyriac Borloo, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Stuiverstraat 242, tegen MECO nv, met zetel te 8400 Oostende, Leegaardsdijk 2, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 december
  2. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 april 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Overeenkomstig artikel 2 van de Belastingverordening op woningen en/of gebouwen die beschouwd worden als onbewoonbaar, ongeschikt, verwaarloosd of leegstaand van de Stad Oostende, goedgekeurd in de gemeenteraad van 18 december 2009 (hierna de ‘Belastingverordening'), wordt er voor de periode 2010-2013 een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op woningen en gebouwen die voorkomen op een van de gemeentelijke inventarissen of in het leegstandregister zoals bedoeling in artikel 4 van de Belastingverordening. Artikel 1, 6°, van de Belastingverordening definieert een ‘gebouw' als ‘elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, dat niet beantwoordt aan de definitie van woning zoals bedoeld onder 21 en niet valt onder de toepassing van het Decreet van 19 april 1995 en latere wijzigingen, houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten'. Artikel 1, 21°, van de Belastingverordening omschrijft het begrip ‘woning' als ‘elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, met inbegrip van kamers'.
  4. Daar de Belastingverordening niet preciseert wat onder onroerend goed in de zin van haar artikel 1, 6° en 21°, moet worden verstaan, moet de term ‘onroerend goed' begrepen worden in de betekenis van het gemeen recht.
  5. Krachtens artikel 518 Burgerlijk Wetboek zijn gronderven en gebouwen onroerend uit hun aard. Hiermee moeten gelijkgesteld worden de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk met de gronderven en gebouwen verbonden zijn of erin vastzitten. De gemakkelijke verplaatsbaarheid van een voorwerp dat bestemd is om duurzaam op een bepaalde plaats te blijven en aldaar verbonden is met de grond ontneemt aan dat voorwerp niet zijn aard van onroerend goed.
  6. De appelrechter oordeelt dat: - de wooncontainers niet vallen onder de omschrijving van onroerende goederen zoals bepaald in de artikelen 517 tot 526 Burgerlijk Wetboek; - artikel 528 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat verplaatsbare zaken roerend uit hun aard zijn; - de wooncontainers bijgevolg moeten worden beschouwd als roerende goederen; - het loutere feit dat de wooncontainers waren voorzien van een waterleiding, elektriciteit en een aansluiting op een afvoer, niet maakt dat deze containers daardoor hun karakter van roerende goederen verliezen, aangezien deze aansluitingen gemakkelijk los te koppelen zijn en de containers daardoor relatief vlot op elk moment kunnen worden verplaatst.
  7. Door aldus louter op grond van het gegeven dat zij gemakkelijk kunnen worden verplaatst te oordelen dat de wooncontainers geen onroerende goederen zijn en bijgevolg niet voldoen aan de omschrijving van gebouw of woning in de Belastingverordening, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 14 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200514.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200514.1N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240912.1F.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240912.1F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.