id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:A
Art. 10
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 19 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Bepalen van voorwaarden - Motiveringsplicht - Absolute noodzaak Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Bepalen van voorwaarden - Motiveringsplicht - Absolute noodzaak Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Bepalen van voorwaarden - Vrijheid van meningsuiting - Motiveringsplicht - Absolute noodzaak Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0489.N D. V. L., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 16 en 35 Voorlopige Hechteniswet: het arrest, dat eisers verzoek tot opheffing van de hem opgelegde voorwaarden afwijst, verantwoordt die beslissing slechts door een zeer korte verwijzing naar de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en de absolute voorkoming van het recidivegevaar, waardoor het niet op bijzondere, pertinente en overtuigende wijze motiveert waarom de eiser geen mededelingen mag doen of commentaar mag geven over de inhoud van het gerechtelijk onderzoek, behoudens via zijn advocaat, alsook over het gevolgde begeleid bezoek aan de Kazerne Dossin in de pers of op de sociale media in het algemeen, inclusief Facebook, Twitter, 4cha en dergelijke meer; deze voorwaarde is een voorwaarde die de fundamentele rechten en vrijheden van de eiser beperken, zoals gewaarborgd door artikel 10 EVRM en artikel 19 Grondwet, zodat het arrest had moeten aangeven waarom de mogelijke contacten met de pers en de sociale media een mogelijk recidivegevaar inhouden.
- Volgens artikel 35, § 1, Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde in vrijheid laten onder oplegging van één of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat deze voorwaarden betrekking moeten hebben op een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak. Het betreft onder meer het bestaan van ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden en wanbedrijven zou plegen. Artikel 36 Voorlopige Hechteniswet regelt de procedure voor de opheffing, de wijziging of de verlenging van de voorwaarden.
- Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever geen limitatieve categorie van voorwaarden heeft omschreven, maar het aan de rechter heeft overgelaten de voorwaarden te bepalen die betrekking hebben op en aangepast zijn aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet genoemde redenen van onder meer het recidivegevaar. De door de rechter te bepalen voorwaarden kunnen wel degelijk een beperking inhouden op grondrechten, zoals het door artikel 10 EVRM en artikel 19 Grondwet gewaarborgde recht op vrije meningsuiting, mits de rechter de absolute noodzaak daartoe vaststelt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Over het bestaan van die absolute noodzaak oordeelt de rechter onaantastbaar. In zoverre het middel tegen dat oordeel opkomt, is het niet ontvankelijk.
- Het arrest dat de redenen van de vordering van de procureur-generaal overneemt, oordeelt betreffende de afwijzing van eisers verzoek tot opheffing van de door het middel geviseerde voorwaarde als volgt: - er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld lastens de eiser voor de telastleggingen van inbreuken op de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden, de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd en de artikelen 322, 323, 523 en 529, eerste lid, Strafwetboek; - de volgehouden ontkenning door de eiser is niet van aard om de talrijke objectieve en congruente aanwijzingen van schuld zoals deze bestaan, op te heffen; - de voormelde feiten, waarvoor ernstige aanwijzingen bestaan, getuigen van een gevaarlijke geestesgesteldheid waartegen de maatschappij moet worden be¬schermd en ze getuigen van een verregaand gebrek aan normbesef en een totaal gebrek aan respect voor de medemens van een ander ras of een andere afkomst; - deze feiten, waarvoor er voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, doen naar voor komen dat de eiser als "eindbaas" zou fungeren in een vereniging die in grote getale racistische discriminerende prenten, filmpjes en tekst zou delen, wat indruist tegen de meest elementaire maatschappelijke en menselijke waarden en normen, waarbij dergelijke uitwassen de samenleving ont¬wrichten en in ernstige mate de openbare veiligheid bedreigen; - de geestesgesteldheid en het antisociale gedrag van de eiser zoals die blijken uit het voorgaande doen vrezen voor recidive; - het gevaar voor recidive is gelet op de ernst, de aard, de frequentie van de fei-ten, waarvoor ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, huizenhoog, te meer blijkbaar de vereniging nog steeds zou bestaan en er in het dossier aanwijzingen zijn dat er een nieuwe besloten chatgroep zou zijn opgestart; - het behoud van de opgelegde voorwaarden is absoluut noodzakelijk ter voorkoming van het recidivegevaar in het bijzonder gelet op de specifieke aard van de onderzochte feiten. Aldus vermeldt het arrest de redenen waarom de door het middel geviseerde voorwaarde absoluut noodzakelijk is ter voorkoming van recidive en verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 19 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.13 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191224.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div