id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.2 Rolnummer: P.20.0116.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-30 Raadplegingen: 475 - laatst gezien 2026-06-28 10:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de samenhang van de artikelen 10, negende lid, en 14, §2, tweede lid, Probatiewet en de algemene economie van het probatietoezicht en van de herroepingsregeling volgt dat het onmogelijk de bedoeling van de wetgever kan geweest zijn dat het louter vestigen door een veroordeelde tijdens de proeftijd van zijn verblijfplaats buiten het Rijk tot gevolg heeft dat geen enkele Belgische rechter nog bevoegd is om kennis te nemen van een herroepingsvordering; er moet integendeel worden aangenomen dat in een dergelijk gevat de rechtbank van eerste aanleg van de verblijfplaats van de veroordeelde op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest dat het probatie-uitstel heeft verleend, bevoegd is om kennis te nemen van de herroepingsvordering
(1).
(1)Zie ook P. HOET, Gemeenschapsgerichte straffen en maatregelen, Larcier, 2014, 155 en 212-213; L. DELBROUCK, "De bijzondere regels inzake territoriale bevoegdheid bij de herroeping van probatiemaatregelen", noot onder Antwerpen 8 februari 2011, Limb. Rechtsl. 2012, 33-36 en B. GROOTAERT, "De territoriale bevoegdheid met betrekking tot het toezicht en de herroeping van de bestraffingsmodaliteiten van de opschorting en het uitstel", noot onder Antwerpen 18 september 2013, N.C. 2013, 476-
- Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Vrije woorden: Toezicht op het probatieuitstel - Verblijfplaats van de veroordeelde in het buitenland - Herroeping van het probatieuitstel - Bevoegd rechtscollege Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Artt. 10, negende lid, en 14, § 2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Probatieuitstel - Nieuwe verblijfplaats van de veroordeelde buiten België - Herroeping van het probatieuitstel Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Artt. 10, negende lid, en 14, § 2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0116.N N. D., , persoon van wie de herroeping van het probatie-uitstel wordt gevorderd, eiser, met als raadsman mr. Kristof-Willem Adam, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 27-29, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14, § 2, Probatiewet: aangezien de eiser in Nederland woont, waren alleen de Nederlandse gerechten bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot herroeping van het probatie-uitstel, zodat het appelgerecht zich ambtshalve onbevoegd had moeten verklaren. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 210 en 211 Wetboek van Strafvordering: het appelgerecht heeft ten onrechte ambtshalve geen middel aangevoerd betreffende zijn onbevoegdheid.
- Het middel verduidelijkt niet op welke wijze het arrest artikel 6 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Artikel 10, negende lid, Probatiewet schrijft voor dat de territoriale bevoegdheid van de probatiecommissie wordt bepaald door de verblijfplaats van de verdachte of veroordeelde op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest en voor die veroordeelden die hun verblijfplaats hebben buiten het grondgebied van het Rijk door de plaats waar de veroordeling in eerste aanleg werd uitgesproken. Artikel 14, § 2, tweede lid, Probatiewet bepaalt dat het openbaar ministerie teneinde het uitstel te doen herroepen dagvaardt voor de rechtbank van eerste aanleg van de verblijfplaats.
- Uit de samenhang tussen deze bepalingen en de algemene economie van het probatietoezicht en van de herroepingsregeling volgt dat het onmogelijk de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat het louter vestigen door een veroordeelde tijdens de proeftijd van zijn verblijfplaats buiten het Rijk tot gevolg heeft dat geen enkele Belgische rechter nog bevoegd is om kennis te nemen van een herroepingsvordering. Er moet integendeel worden aangenomen dat in een dergelijk geval de rechtbank van eerste aanleg van de verblijfplaats van de veroordeelde op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest dat het probatie-uitstel heeft verleend, bevoegd is om kennis te nemen van de herroepingsvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de probatie een moeilijk verloop kende wegens het feit dat de eiser naar Nederland is verhuisd, zodat er ondertussen geen urinecontroles meer konden worden uitgevoerd en de justitie-assistent daardoor geen enkel zicht meer had op het verdere verloop van de probatievoorwaarden; uit het arrest blijkt anderzijds dat men perfect op de hoogte was van de wandel van de eiser, wist waar hij woonde, werkte en te bereiken was en er zelfs op 2 oktober 2019 en 9 november 2019 urinecontroles werden uitgevoerd.
- Een motivering is tegenstrijdig indien zij redenen bevat die elkaar opheffen of teniet doen. Dat is niet het geval met de redenen die het arrest eensdeels ontleent aan de notulen van de vergadering van de probatiecommissie van 9 oktober 2018 en het verslag van de justitie-assistent van 26 oktober 2018 en anderdeels aan de informatie die door de eiser zelf werd verstrekt op de rechtszitting van 19 november
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de notulen van de vergadering van de probatiecommissie van 9 oktober 2018 en het eindverslag van de justitie-assistent van 26 oktober 2018; het arrest oordeelt dat uit deze stukken blijkt dat de probatie een moeilijk verloop kende doordat de eiser was verhuisd naar Nederland, terwijl een verhuis als dusdanig geen reden is om de probatie te herroepen; de eiser diende er enkel over te waken dat hij over een vaste woonplaats beschikte wat volgens het dossier wel degelijk het geval was; de justitie-assistent stelt dat zij geen enkel zicht meer had op het verdere verloop van de probatievoorwaarden, maar er wordt vastgesteld dat de eiser sinds 17 juni 2019 was tewerkgesteld bij Boost Technics te Middelburg en bovendien een dag per week een bijkomende opleiding elektrotechniek volgt te Vlissingen; het arrest kan onmogelijk oordelen dat er geen zicht was op het verdere verloop van de probatievoorwaarden, terwijl uit het verslag blijkt dat dit wel het geval was.
- De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat, die wel erin voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, miskent de bewijskracht van die akte niet.
- Met het oordeel dat de probatie een moeilijk verloop kende door de verhuis van de eiser naar Nederland, geeft het arrest van de notulen van de probatiecommissie van 9 oktober 2018 geen uitlegging, maar leidt het er enkel een gevolg uit af. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het arrest verwijst voor de vaststelling dat de eiser sinds 17 juni 2019 is tewerkgesteld bij Boost Technics te Middelburg en bovendien een dag per week een bijkomende opleiding elektrotechniek volgt te Vlissingen, niet naar het verslag van de justitie-assistent van 26 oktober
- Het kan dan ook de bewijskracht van dit stuk niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter en is het dan ook niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 19 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div