← België

W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:A

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Vrije woorden: Veroordeling bij verstek - Rijverbod - Kennisgeving van de verstekbeslissing - Ontbreken van informatie over de termijn en vormvereisten van het verzet - Buitengewone termijn van verzet - Beginpunt van de termijn van verzet Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Veroordeling bij verstek - Rijverbod - Kennisgeving van de verstekbeslissing - Ontbreken van informatie over de termijn en vormvereisten van het verzet - Buitengewone termijn van verzet - Beginpunt van de termijn van verzet Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Vrije woorden: Strafzaken - Veroordeling bij verstek - Rijverbod - Kennisgeving van de verstekbeslissing - Ontbreken van informatie over de termijn en vormvereisten van het verzet - Buitengewone termijn van verzet - Beginpunt van de termijn van verzet Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor strafrecht [T.Strafr.] - 2021, nr. 4, p. 221-

  1. - VEECKMANS, Katrijn; Noot'Informatieplicht tijdens de buitengewone verzetstermijn' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0148.N R. W. J. C. W., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Yen Buytaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 8 januari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 187, § 1, en § 5, 1°, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart ten onrechte eisers verzet van 3 december 2018 tegen het verstekvonnis van de politierechtbank van 23 januari 2017, betekend op 18 april 2017, niet-ontvankelijk wegens laattijdigheid; het oordeelt dat de buitengewone termijn van verzet liep vanaf 2 augustus 2017, dit is de datum waarop de politie aan de eiser persoonlijk de kennisgeving van het bij dat verstekvonnis opgelegde rijverbod heeft afgegeven; de betekening van 18 april 2017 was echter niet gedaan aan de persoon van de eiser; evenmin maakt de kennisgeving van 2 augustus 2017 melding van het recht om verzet aan te tekenen en van de termijn waarin dit moet gebeuren; aldus is de betekening van het verstekvonnis niet rechtsgeldig en is de termijn voor het verzet niet aangevangen.
  4. Artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. (…) Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. (…). (…).”
  5. Artikel 6.1 EVRM vereist dat het exploot waarbij de verstekbeslissing aan de beklaagde wordt betekend, hem informeert over het recht om tegen die beslissing verzet aan te tekenen en de termijn om dat te doen.
  6. Artikel 40 Wegverkeerswet, zoals van toepassing, bepaalt: “Elk verval dat als straf is uitgesproken, gaat in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan. (…). (…).”
  7. De rechter oordeelt onaantastbaar of en wanneer de bij verstek veroordeelde persoon kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing. Die kennisneming hangt niet af van enig vormvereiste en kan zodoende voortvloeien uit de kennisgeving bepaald in artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet. Bijgevolg kan de rechter de datum van zulke kennisgeving in aanmerking nemen voor het bepalen van de aanvangsdatum van de buitengewone termijn van verzet. In dat specifieke geval vereist het recht van verdediging, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 134/2018 van 11 oktober 2018, echter dat die kennisgeving de betrokkene informeert over het recht om tegen die beslissing verzet aan te tekenen en de termijn om dat te doen.
  8. Het bestreden vonnis oordeelt: “De eerste rechter heeft het verzet dat [de eiser] op 3 december 2018 heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van 23 januari 2017 terecht niet ontvankelijk verklaard aangezien een politie-inspecteur [de eiser] op 2 augustus 2017 in kennis heeft gesteld van het bij verstek uitgesproken rijverbod en in de toen door [de eiser] ondertekende “kennisgeving met het oog op tenuitvoerlegging van een verval van het recht tot het besturen van een voertuig” uitdrukkelijk werd gerefereerd aan de “definitieve beslissing van 23 januari 2017 van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, met de vermelding in het vet gedrukt: “datum betekening vonnis op 18 april 2017 indien bij verstek gewezen.” [De eiser] heeft manifest laattijdig verzet gedaan. De termijn om dat te doen verstreek in dit concrete geval op 17 augustus 2017, hetzij vijftien dagen na de kennisname van de betekening van het verstekvonnis van 23 januari 2017 op 2 augustus 2017, hetzij geruime tijd vóór 3 december
  9. Het verzet was niet ontvankelijk – wat de eerste rechter terecht heeft vastgesteld -, zodat de rechtbank zich in graad van hoger beroep niet dient uit te spreken over de grond van de zaak.” Het bestreden vonnis dat aldus de aanvangsdatum van de termijn voor het buitengewoon verzet van de eiser doet ingaan op de datum van de kennisgeving bepaald in artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet, niet omdat deze kennisgeving de voormelde informatie bevat, maar enkel omdat zij verwijst naar het verstekvonnis en de datum van de betekening ervan, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het eisers hoger beroep ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot één tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 125,95 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 19 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240612.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.