← België

J. contra VLAAMSE GEMEENSCHAP

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6 Rolnummer: P.20.0159.N Zaak: J. contra VLAAMSE GEMEENSCHAP Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-09-30 Raadplegingen: 899 - laatst gezien 2026-06-29 04:01 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Niet naar recht verantwoord is de veroordeling vanaf 1 januari 2020 van de beklaagde tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken, bepaling die op die datum is opgeheven door artikel 43 KB 15 december

  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van een vergoeding wegens gerechtskosten - Toepasselijke bepaling Wettelijke bepalingen: Algemeen reglement van 28 december 1950 op de gerechtskosten in strafzaken - 28-12-1950 - Art. 91, tweede lid - 31 Link Justel databank 19501228-31 KB 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd - 15-12-2019 - Art. 43 - 06 ELI link Pub nr 2019031201 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Ambtshalve voorgedragen middelen Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van een vergoeding wegens gerechtskosten - Toepasselijke bepaling Wettelijke bepalingen: Algemeen reglement van 28 december 1950 op de gerechtskosten in strafzaken - 28-12-1950 - Art. 91, tweede lid - 31 Link Justel databank 19501228-31 KB 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd - 15-12-2019 - Art. 43 - 06 ELI link Pub nr 2019031201 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0159.N I F. V. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, II D. M. F. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Elisa Van Bocxlaer, advocaat bij de balie Brussel, beide cassatieberoepen tegen VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, op verzoek van de minister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management, voor wie optreedt de administrateur-generaal van het Facilitair Bedrijf, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, burgerlijke partij, verweerster, met als raadslieden mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven, alsook mr. Jan Vanheule, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 15 januari
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II
  3. Overeenkomstig artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt, behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 427, eerste lid, de memorie van de eiser per aangetekende brief of langs elektronische weg ter kennis gebracht van de partij waartegen het cassatieberoep is gericht. Dat vormvereiste is voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid.
  4. Op grond van die bepaling moet de memorie van de beklaagde ter kennis worden gebracht van de burgerlijke partij en niet van diens raadsman.
  5. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser II zijn memorie enkel heeft meegedeeld aan de raadsman van de verweerster. In zoverre zij betrekking heeft op de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, is de memorie van de eiser II niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II
  6. Het arrest spreekt de eiser I vrij van de telastleggingen C en D, deze laatste met betrekking tot de periodes van 1 juli 2006 tot 1 januari 2008 en van 1 februari 2008 tot 31 december
  7. Het verklaart de appelrechters onbevoegd om uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster in zoverre gesteund op de telastleggingen C en D, deze laatste met betrekking tot de periode van 1 juli 2006 tot 31 december
  8. Het arrest: - stelt vast dat het beroepen vonnis de eiser II heeft vrijgesproken van de telastlegging C; - spreekt de eiser II vrij van de telastlegging D voor de periode van 1 februari 2008 tot 31 december 2010; - verklaart de strafvordering ten aanzien van de eiser II voor het overige vervallen door verjaring; - laat de kosten van de strafvordering voor wat betreft de eiser II ten laste van de Staat; - verklaart de appelrechters onbevoegd om uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiser II in zoverre gesteund op de telastleggingen B.2, B.3, B.5, B.9 en D, deze laatste voor de periode van 1 juli 2006 tot 31 december
  9. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de eisers I en II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser I Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I dat het hem onder de telastlegging D verweten misdrijf van samenspanning van ambtenaren, bedoeld in artikel 233 Strafwetboek, de conceptuele fase van het misdrijf strafbaar stelt en eerder theoretisch is, zodat dit misdrijf restrictief moet worden uitgelegd en de eiser I ervan moet worden vrijgesproken.
  11. Met de in de aanhef van het middel aangehaalde redenen betreffende de eiser I en met redenen betreffende de eiser II oordeelt het arrest (p. 21, 22 en 28) in essentie dat: - de eiser I, als ambtenaar met de functie controleur der werken, bekleed was met het in artikel 233 Strafwetboek vereiste openbaar gezag; - uit de elementen van het strafdossier afdoende blijkt dat de eiser I zich met een andere ambtenaar, met name de eiser II, heeft verstaan om maatregelen in strijd met de wet te nemen, namelijk het in overleg opzetten van een georganiseerd systeem waarbij overheidsopdrachten wederrechtelijk werden gegund aan de aannemers die commissielonen betaalden, welke onderling werden verdeeld; - daaraan geen afbreuk wordt gedaan doordat niet blijkt wanneer en in welke omstandigheden de bedoelde afspraken tussen de eisers tot stand zijn gekomen. Aldus verwerpt het arrest het verweer van de eiser I waarbij hij zijn schuld aan het bedoelde misdrijf betwistte, zonder dat het moet antwoorden op zijn aanvoeringen over de aard en de interpretatie van dat misdrijf, die geen zelfstandig verweer uitmaakten, maar slechts argumenten ter ondersteuning van dat verweer. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: enerzijds verklaren de appelrechters de eiser I schuldig aan de telastlegging D voor de periodes van 1 januari 2005 tot 30 juni 2006 en van 2 januari 2008 tot 31 januari 2008 en niet schuldig voor de periodes van 1 juli 2006 tot 1 januari 2008 en van 1 februari 2008 tot 31 december 2010; anderzijds verklaren zij zich met betrekking tot die telastlegging onbevoegd om te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster voor de gehele periode van 1 juli 2006 tot 31 december 2010, dit is met inbegrip van de periode van 2 januari 2008 tot 31 januari 2008; die redenen zijn tegenstrijdig.
  13. Het arrest spreekt ten aanzien van de eiser I met toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit voor de telastleggingen B.1, B.2, B.3 zoals beperkt, B.4, B.5, B.6 (passieve corruptie) en D, deze laatste beperkt tot de periodes van 1 januari 2005 tot 30 juni 2006 en van 2 januari 2008 tot 31 januari
  14. Die veroordeling is naar recht verantwoord door de bewezen verklaarde telastleggingen B.1, B.2, B.3 zoals beperkt, B.4, B.5, B.6 en D, deze laatste beperkt tot de periode van 1 januari 2005 tot 30 juni
  15. Het arrest veroordeelt de eiser op grond van de telastlegging D, zoals beperkt, ook hoofdelijk met medebeklaagden tot betaling aan de verweerster van een schadevergoeding van 1 euro wegens morele schade, te vermeerderen met vergoedende interest vanaf 2 februari
  16. Die veroordeling is naar recht verantwoord door de bewezen verklaarde telastlegging D, beperkt tot de periode van 1 januari 2005 tot 30 juni
  17. Het onderdeel dat uitsluitend betrekking heeft op de telastlegging D met betrekking tot de periode van 2 januari 2008 tot 31 januari 2008, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 233 Strafwetboek: het arrest verklaart de telastlegging D in de periode van 2 januari 2008 tot 31 januari 2008 ten aanzien van geen enkele medebeklaagde bewezen en uit het arrest blijkt ook niet met welke andere ambtenaren de eiser I in die periode zou hebben samengespannen; nochtans vereist artikel 233 Strafwetboek een overeenstemming tussen minstens twee personen die met enig gedeelte van het openbaar gezag zijn bekleed, waarbij zij maatregelen in strijd met de wetten of koninklijke besluiten beramen; het arrest duidt ten onrechte niet aan met welke ambtenaren de eiser zich zou hebben verstaan.
  19. Het onderdeel is om de reden vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II
  20. De middelen zijn gericht tegen de beslissingen van het arrest die de eiser II veroordelen op burgerlijk gebied. Gelet op de niet-ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II behoeven zij geen antwoord. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2019 (ed. 2) en in werking getreden op 1 januari 2020
  21. Het arrest veroordeelt de eiser I tot betaling van een vergoeding van 54,76 euro op grond van artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken.
  22. Die bepaling en bijgevolg ook de erin bepaalde vergoeding zijn opgeheven bij artikel 43 van het voormelde koninklijk besluit.
  23. Er blijkt niet dat enige bepaling van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 Wetboek van Strafvordering of van het voormelde koninklijk besluit van 15 december 2019 een rechtsgrond bieden voor die kostenveroordeling. De vermelding in de omzendbrief nr. 131/7 over de indexering van de bedragen die mogen worden aangerekend door de personen die door de gerechtelijke overheden worden gevorderd voor het uitvoeren van een opdracht in een dienstverlenende rol die gerechtskosten in strafzaken genereert in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2020, onder Hoofdstuk XI. Algemene bepalingen, Afdeling VI. Anderen, laatste rubriek "Verplichte vergoeding opgelegd door de rechter aan iedere veroordeelde" laat niet toe anders te oordelen.
  24. Die veroordeling is bijgevolg niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser I veroordeelt tot betaling van een vergoeding van 54,76 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat. Veroordeelt de eiser II tot de kosten van zijn cassatieberoep. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten in het geheel op 218,41 euro waarvan de eiser I 109,20 euro is verschuldigd en de eiser II 109,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 19 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231128.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.