← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.1 Rolnummer: P.20.0170.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-28 Raadplegingen: 362 - laatst gezien 2026-06-28 08:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 7 Het appelgerecht moet een regelmatig en tijdig ingesteld hoger beroep, gevolgd door een regelmatig en tijdig ingediend grievenschrift, niet onontvankelijk of vervallen verklaren om de enkele reden dat dezelfde appellant tegen hetzelfde vonnis nog een ander hoger beroep instelt dat niet-ontvankelijk of vervallen is; wanneer het openbaar ministerie optreedt als appellant, heeft het geen belang dat dit het ene hoger beroep instelt bij een gerechtsdeurwaardersexploot overeenkomstig artikel 205 Wetboek van Strafvordering en het andere met een verklaring ter griffie overeenkomstig artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering; evenmin heeft het in dat geval belang dat het bevel tot dagvaarding en derhalve de opgave van de datum van de rechtszitting in hoger beroep dateert van vóór het hoger beroep dat het openbaar ministerie instelt met een verklaring ter griffie; behoudens indien hierdoor zijn recht van verdediging wordt miskend, moet de gedaagde in hoger beroep die ingevolge het hem betekende exploot kennis heeft van het hoger beroep van het openbaar ministerie en van de datum van de rechtszitting in hoger beroep, niet eveneens in kennis worden gesteld van een ander hoger beroep met dezelfde draagwijdte dat het openbaar ministerie tegen hetzelfde vonnis instelt met een verklaring ter griffie; evenmin moet de betrokkene in dat geval tweemaal worden opgeroepen om te verschijnen op dezelfde rechtszitting van het appelgerecht; het enkele feit dat het openbaar ministerie meerdere hogere beroepen instelt tegen hetzelfde vonnis, impliceert niet dat er voor de appelrechters onderscheiden strafvorderingen aanhangig worden gemaakt; bijgevolg moeten de appelrechters niet beslissen over de samenvoeging van die hogere beroepen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Openbaar ministerie - Meerdere hogere beroepen - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Openbaar ministerie - Meerdere hogere beroepen - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Openbaar ministerie - Meerdere hogere beroepen - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Openbaar ministerie - Meerdere hogere beroepen - Gevolg Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Hoger beroep - Strafzaken - Meerdere hogere beroepen - Gevolg Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Openbaar ministerie - Meerdere hogere beroepen - Gevolg Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Openbaar ministerie - Meerdere hogere beroepen - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0170.N E D R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Cambier, advocaat bij de balie Oudenaarde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 20 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk; de akte van hoger beroep met opgave van de grieven van het openbaar ministerie tegen het beroepen vonnis van 14 november 2018 is aan de eiser betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 7 december 2018; dat exploot dient op straffe van verval te worden ingediend op de griffie binnen de veertig dagen na de dag van de uitspraak van het beroepen vonnis; uit niets blijkt dat dit hier is gebeurd; het feit dat het openbaar ministerie op 30 november 2018 tegen het beroepen vonnis ook nog hoger beroep bij een verklaring ter griffie heeft ingediend en daar een grievenformulier heeft neergelegd, doet hieraan niets af; dit gebeurde immers na de verzending van het bevel tot dagvaarding met opgave van de datum van de rechtszitting in hoger beroep; deze rechtszitting kan niet worden bepaald voordat het hoger beroep is ingesteld; het bestreden vonnis doet enkel uitspraak over het hoger beroep van 7 december 2018; die zaak is nooit samengevoegd met de zaak ingevolge het hoger beroep van 30 november 2018 en in die laatste zaak is nooit een vaststellingsbericht aan de eiser verstuurd.
  3. De appelrechters oordelen niet dat zij enkel uitspraak doen over het hoger beroep van het openbaar ministerie van 7 december
  4. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  5. Het Wetboek van Strafvordering bepaalt: - in artikel 203, § 1, dat, behoudens de uitzondering van artikel 205, het recht van hoger beroep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na het beroepen vonnis; - in artikel 204, eerste en derde lid, dat, op straffe van verval van het hoger beroep, het verzoekschrift of het grievenformulier nauwkeurig de grieven bepaalt die tegen het vonnis worden ingebracht en binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie wordt ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring; - in artikel 205, dat het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen, op straffe van verval, binnen veertig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis zijn beroep moet betekenen aan de beklaagde. Het exploot bevat dagvaarding. In dat laatste geval moet het exploot met de grieven, op straffe van verval van het hoger beroep, binnen dezelfde termijn van veertig dagen worden neergelegd ter griffie van het appelgerecht.
  6. Het appelgerecht moet een regelmatig en tijdig ingesteld hoger beroep, gevolgd door een regelmatig en tijdig ingediend grievenschrift, niet onontvankelijk of vervallen verklaren om de enkele reden dat dezelfde appellant tegen hetzelfde vonnis nog een ander hoger beroep instelt dat niet-ontvankelijk of vervallen is. Wanneer het openbaar ministerie optreedt als appellant, heeft het geen belang dat dit het ene hoger beroep instelt bij een gerechtsdeurwaardersexploot overeenkomstig artikel 205 Wetboek van Strafvordering en het andere met een verklaring ter griffie overeenkomstig artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering. Evenmin heeft het in dat geval belang dat het bevel tot dagvaarding en derhalve de opgave van de datum van de rechtszitting in hoger beroep dateert van vóór het hoger beroep dat het openbaar ministerie instelt met een verklaring ter griffie.
  7. Behoudens indien hierdoor zijn recht van verdediging wordt miskend, moet de gedaagde in hoger beroep die ingevolge het hem betekende exploot kennis heeft van het hoger beroep van het openbaar ministerie en van de datum van de rechtszitting in hoger beroep, niet eveneens in kennis worden gesteld van een ander hoger beroep met dezelfde draagwijdte dat het openbaar ministerie tegen hetzelfde vonnis instelt met een verklaring ter griffie. Evenmin moet de betrokkene in dat geval tweemaal worden opgeroepen om te verschijnen op dezelfde rechtszitting van het appelgerecht.
  8. Het enkele feit dat het openbaar ministerie meerdere hogere beroepen instelt tegen hetzelfde vonnis, impliceert niet dat er voor de appelrechters onderscheiden strafvorderingen aanhangig worden gemaakt. Bijgevolg moeten de appelrechters niet beslissen over de samenvoeging van die hogere beroepen.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het bestreden vonnis oordeelt: "Het hoger beroep wat de veroordeling van [de eiser] betreft, is ontvankelijk. Het feit dat het openbaar ministerie de grieven ook had opgenomen in de dagvaarding van 28.11.2018, betekend aan de woonst van [de eiser] op 07.12.2018, zonder de dagvaarding met deze grieven (tijdig) neer te leggen ter griffie (...) neemt niet weg dat het openbaar ministerie ondertussen tijdig hoger beroep had ingesteld middels verklaring ter griffie en eveneens tijdig het grievenschrift had neergelegd. Niets verhinderde het openbaar ministerie dit alsnog te doen." Aldus verantwoordt dat vonnis de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging en de wapengelijkheid: door te oordelen dat het openbaar ministerie zijn grieven niet dient neer te leggen binnen de in de artikelen 203, § 1, en 205 Wetboek van Strafvordering vermelde termijn en het openbaar ministerie toe te laten zijn eerste hoger beroep op grond van artikel 205 Wetboek van Strafvordering te regulariseren met zijn tweede hoger beroep dat steunt op een andere rechtsgrond, verleent het bestreden vonnis meer procesrechten aan het openbaar ministerie dan aan andere procespartijen; de uitzonderingsprocedure van artikel 205 Wetboek van Strafvordering dient strikt te worden toegepast; het openbaar ministerie heeft de eiser nooit kennis gegeven van zijn tweede hoger beroep.
  12. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen: - de artikelen 40, 418 en 420 Strafwetboek; - artikel 69bis Wegverkeerswet.
  13. Artikel 40 Strafwetboek bepaalt dat bij gebrek aan betaling van de geldboete binnen de wettelijk bepaalde termijn, deze kan worden vervangen door een gevangenisstraf. Artikel 69bis Wegverkeerswet bepaalt dat voor de toepassing van die wet en in afwijking van artikel 40 Strafwetboek de geldboete, bij gebreke van betaling binnen de wettelijk bepaalde termijn, kan worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig.
  14. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor de telastleggingen C, D, E en F, waarvan de telastleggingen D, E en F in bijzondere herhaling, tot een geldboete van 100,00 euro, na vermeerdering met 70 opdeciemen gebracht op 800,00 euro, of een vervangend rijverbod van 30 dagen, met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging.
  15. Voor de telastlegging C, dit is een overtreding van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, die de zwaarste straf bepaalt en bijgevolg voor de vier bewezen verklaarde telastleggingen van toepassing is, kan het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig niet worden opgelegd als vervangende straf in geval van niet-tijdige betaling van de geldboete. Door het opleggen van die vervangende straf, schendt het bestreden vonnis de vermelde wetsbepalingen. Omvang van de cassatie
  16. De vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een vervangend verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor de telastleggingen C, D, E en F, laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing bevat geen onwettigheid die de eiser kan grieven. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser voor de telastleggingen C, D, E en F veroordeelt tot een vervangend rijverbod. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 188,98 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 26 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.