← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6 Rolnummer: P.20.0323.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-28 Raadplegingen: 965 - laatst gezien 2026-06-28 21:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Krachtens artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan deze die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was; indien bijgevolg de voorwaarden voor strafverzwaring op het ogenblik van het plegen van het misdrijf minder streng zijn dan deze op het ogenblik van de berechting, moeten in beginsel de eerst vermelde voorwaarden worden toegepast; dit vereist wel dat uit de gewijzigde regelgeving blijkt dat zij het resultaat is van een gewijzigd inzicht van de wetgever over de voorwaarden voor strafverzwaring; ook het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dat voortvloeit uit artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, verbiedt de retroactieve toepassing van de strafwet in het nadeel van de beklaagde; degene die een gedrag aanneemt, moet immers in staat zijn om vooraf op afdoende wijze te kunnen inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn; bijgevolg kan een beklaagde niet worden onderworpen aan een strengere strafwet dan degene die hij kende of diende te kennen op het moment waarop hij de hem verweten handeling stelde

(1).
(1)Zie Cass 9 april 2019, AR 18.1208.N, AC 2019, nr. 220; Cass. 30 januari 2019, AR P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8, AC 2019, nr. 60 en concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.. In dit arrest, in het arrest AR P18.0880.F van dezelfde datum en in de arresten AR P.18.0894.F en AR P.18.0637.F van 20 maart 2019 en AR P.18.1224.F van 3 april 2019, oordeelde het Hof dat de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid 'een foutieve formulering' bevatte die werd rechtgezet bij wet van 2 september 2018, terwijl het Hof thans gewag maakt van 'een niet gewijzigd inzicht' van de wetgever om tot dezelfde conclusie te komen; Cass. 8 november 2005, AR P.05.0915.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23, AC 2005, nr. 572 en concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Legaliteitsbeginsel - Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd - Toepassing van de mildere strafwet - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Artikel 15.1 - Legaliteitsbeginsel - Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd - Toepassing van de mildere strafwet - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Artikel 7.1 - Legaliteitsbeginsel - Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd - Toepassing van de mildere strafwet - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Artikel 2, Strafwetboek - Legaliteitsbeginsel - Niet-retroactiviteit van de strafwet - Toepassing van de mildere strafwet - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 6 De personen die een in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde overtreding hebben gepleegd in de periode waarin de tweede versie van toepassing was, konden, gelet op de bewoordingen van die versie, ervan uitgaan dat de erin bedoelde strafverzwaring niet op hen zou kunnen worden toegepast wanneer de veroordeling voor die overtreding plaatsvindt na het verstrijken van de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan; hieruit volgt dat artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet in de tweede versie, om grondwetsconform te zijn zoals bepaald in het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 63/2020 van 7 mei 2020, moet worden uitgelegd in die zin dat een persoon die, in de periode waarin die versie van toepassing was, één van de in die bepaling opgesomde artikelen overtreedt nadat hij reeds eerder voor het overtreden van één van die artikelen was veroordeeld, slechts aan de in die bepaling bedoelde strafverzwaring kan worden onderworpen wanneer hij voor de nieuwe overtreding wordt veroordeeld binnen de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van het vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan
(1).
(1)Zie Cass 9 april 2019, AR 18.1208.N, AC 2019, nr. 220; Cass. 30 januari 2019, AR P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8, AC 2019, nr. 60 en concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.. In dit arrest, in het arrest AR P18.0880.F van dezelfde datum en in de arresten AR P.18.0894.F en AR P.18.0637.F van 20 maart 2019 en AR P.18.1224.F van 3 april 2019, oordeelde het Hof dat de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid 'een foutieve formulering' bevatte die werd rechtgezet bij wet van 2 september 2018, terwijl het Hof thans gewag maakt van 'een niet gewijzigd inzicht' van de wetgever om tot dezelfde conclusie te komen; Cass. 8 november 2005, AR P.05.0915.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23, AC 2005, nr. 572 en concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Artikel 38, § 6, eerste lid - Herhaling - Specifieke herhaling - Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd - Toepassing van de mildere strafwet - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HERHALING Vrije woorden: Specifieke herhaling - Wegverkeer - Artikel 38, § 6, eerste lid Wegverkeerswet - Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd - Toepassing van de mildere strafwet - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0323.N J B C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hanne Vanhoof en mr. Maarten Knops, beiden advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 februari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Alvorens te oordelen over de gebeurlijke toepassing van de beveiligingsmaatregel bepaald in artikel 42 Wegverkeerswet, verzoeken de appelrechters de eiser om tweewekelijks urinecontroles te ondergaan en de resultaten hiervan te overleggen ter rechtszitting. Zij bevelen eveneens eisers persoonlijke verschijning op de rechtszitting van 26 mei
  3. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, noch beslissingen als bedoeld in het tweede lid van die bepaling. In zoverre het ook opkomt tegen die beslissingen, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, zoals van toepassing, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de strafsanctie: de appelrechters veroordelen de eiser wegens een snelheidsovertreding gepleegd op 7 juli 2018 tot onder meer een rijverbod van drie maanden en zij maken het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek; zij oordelen daarbij dat de eiser, gelet op zijn veroordeling bij het vonnis van de politierechtbank Leuven van 24 september 2015 dat in kracht van gewijsde is gegaan, de snelheidsovertreding heeft gepleegd in een toestand van strafverzwaring als bedoeld in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet; die bepaling, zoals van toepassing op 7 juli 2018, vereist echter dat de beklaagde binnen de drie jaar na een vorige, in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens een daarin bepaald misdrijf, opnieuw wordt veroordeeld voor een dergelijk misdrijf; aan dat vereiste is hier niet voldaan; ingevolge een latere wetswijziging vereist artikel 38, § 6, Wegverkeerswet thans binnen de vermelde tijdsspanne geen nieuwe veroordeling meer voor een hier bedoeld misdrijf, maar enkel het plegen van een nieuw dergelijk misdrijf; de appelrechters mochten die strengere strafwet niet toepassen op de eiser; zij oordelen ten onrechte dat die strengere strafwet een interpretatieve wet is die retroactief van toepassing is op voorheen gepleegde feiten.
  5. Krachtens artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan deze die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien bijgevolg de voorwaarden voor strafverzwaring op het ogenblik van het plegen van het misdrijf minder streng zijn dan deze op het ogenblik van de berechting, moeten in beginsel de eerst vermelde voorwaarden worden toegepast. Dit vereist wel dat uit de gewijzigde regelgeving blijkt dat zij het resultaat is van een gewijzigd inzicht van de wetgever over de voorwaarden voor strafverzwaring.
  6. Ook het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dat voortvloeit uit artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, verbiedt de retroactieve toepassing van de strafwet in het nadeel van de beklaagde. Degene die een gedrag aanneemt, moet immers in staat zijn om vooraf op afdoende wijze te kunnen inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn. Bijgevolg kan een beklaagde niet worden onderworpen aan een strengere strafwet dan degene die hij kende of diende te kennen op het moment waarop hij de hem verweten handeling stelde.
  7. In de periode van 15 februari 2018 tot 11 oktober 2018, dit is de periode waarin de snelheidsovertreding van 7 juli 2018 heeft plaatsgevonden, bepaalde artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, dat de rechter een rijverbod van ten minste drie maanden moest uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moest maken van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde was gegaan voor één of meer van de in artikel 38, § 6, eerste lid, bepaalde overtredingen, opnieuw werd veroordeeld voor één van die overtredingen. Dit was de tweede versie van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet.
  8. Vóór die wetswijziging, dit is in de periode van 1 januari 2015 tot 14 februari 2018, bepaalde artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet dat de rechter die minimumstraf en veiligheidsmaatregel moest uitspreken wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in artikel 38, § 6, eerste lid, bepaalde overtredingen, opnieuw één van deze overtredingen beging. Dit was de eerste versie van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet.
  9. Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet is nogmaals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 2 september 2018 tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat de verbeurdverklaring en immobilisering van voertuigen betreft. Het bepaalt sinds 12 oktober 2018 dat de rechter die minimumstraf en veiligheidsmaatregel moet uitspreken wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van een in artikel 38, § 6, eerste lid, vermelde bepaling, één van deze bepalingen opnieuw overtreedt binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Die derde versie van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet herneemt aldus de tijdsperiode voor herhaling van de eerste versie van die bepaling.
  10. Uit de wetsgeschiedenis van de wijzigende wet van 2 september 2018 blijkt dat de wetgever een nieuwe aanpassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet nodig achtte omdat de voorgaande wijziging berustte op een vergissing in de formulering van de wettekst en de wetgever daarmee niet het inzicht had de voorwaarden voor strafverzwaring te milderen.
  11. Die rechtzetting en de wetsgeschiedenis die eraan ten grondslag ligt, laten echter niet toe artikel 2 van de vermelde wet van 2 september 2018 te aanzien als een interpretatieve wet die retroactief van toepassing is op vóór de inwerkingtreding van die wet gestelde handelingen. Een interpretatieve wet is immers een wet die over een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Dit was niet het geval voor artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet in de periode waarin de voormelde tweede versie van toepassing was.
  12. De personen die een in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde overtreding hebben gepleegd in de periode waarin de tweede versie van toepassing was, konden, gelet op de bewoordingen van die versie, ervan uitgaan dat de erin bedoelde strafverzwaring niet op hen zou kunnen worden toegepast wanneer de veroordeling voor die overtreding plaatsvindt na het verstrijken van de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.
  13. Hieruit volgt dat artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet in de tweede versie, om grondwetsconform te zijn zoals bepaald in het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 63/2020 van 7 mei 2020, moet worden uitgelegd in die zin dat een persoon die, in de periode waarin die versie van toepassing was, één van de in die bepaling opgesomde artikelen overtreedt nadat hij reeds eerder voor het overtreden van één van die artikelen was veroordeeld, slechts aan de in die bepaling bedoelde strafverzwaring kan worden onderworpen wanneer hij voor de nieuwe overtreding wordt veroordeeld binnen de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van het vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  14. De vernietiging van de beslissing in verband met de toepassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet leidt tot de vernietiging van de beslissing betreffende de vervallenverklaring van het recht alle motorvoertuigen te besturen en van het afhankelijk maken van het recht tot sturen van de vier examens en proeven, maar laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser vervallen verklaart van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie maanden, deels met uitstel van tenuitvoerlegging, en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen in een theoretisch examen, praktisch examen, medisch onderzoek en psychologisch onderzoek. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 268,84 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 26 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241204.2F.2 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.