← België

W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:A

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 15 en 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 458 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksverrichtingen - Politiediensten - Huiszoeking - Bijzondere opdrachten - Bevoegdheid tot het nemen van initiatieven - Beroepsgeheim Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 15 en 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 458 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEROEPSGEHEIM Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksverrichtingen - Huiszoeking - Politiediensten - Bijzondere opdrachten - Bevoegdheid tot het nemen van initiatieven - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 15 en 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 458 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksverrichtingen - Politiediensten - Bijzondere opdrachten - Bevoegdheid tot het nemen van initiatieven - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 15 en 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 458 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 9 - 10 Wanneer een huiszoeking op regelmatige wijze is bevolen en uitgevoerd voor een welbepaald misdrijf, zijn de bij die gelegenheid gedane vaststellingen en inbeslagnemingen niet in strijd met enige bepaling of met enig algemeen rechtsbeginsel omdat zij betrekking hebben op andere feiten dan deze die op dat moment het voorwerp van het gerechtelijk onderzoek uitmaakten; het gegeven dat de huiszoeking wordt uitgevoerd bij de houder van een door artikel 458 Strafwetboek beschermd beroepsgeheim, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Cass. 7 september 2011, AR P.11.0591.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.2, AC 2011, nr. 456; Cass. 29 april 2009, AR P.09.0578.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.1, AC 2009, nr. 287. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Huiszoeking - Bevel tot huiszoeking - Regelmatige uitvoering - Vaststellingen en inbeslagnemingen met betrekking tot een ander misdrijf - Regelmatigheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Huiszoeking - Bevel tot huiszoeking - Regelmatige uitvoering - Vaststellingen en inbeslagnemingen betreffende een ander misdrijf - Regelmatigheid Fiches 11 - 14 De stafhouder die aanwezig is bij een huiszoeking in het kantoor van een advocaat, moet erop toezien dat het onderzoek en de mogelijke inbeslagname geen betrekking heeft op stukken waarvoor het beroepsgeheim geldt; hij kijkt de stukken in die de onderzoeksrechter wenst te onderzoeken of in beslag te nemen en geeft zijn advies over hetgeen al dan niet onder het beroepsgeheim valt; de onderzoeksrechter is niet gebonden door dat advies; wanneer de stafhouder zodoende heeft geadviseerd dat stukken regelmatig in beslag zijn genomen, dient zijn advies niet opnieuw te worden ingewonnen wanneer die stukken aanleiding geven tot een opsporingsonderzoek of een eigen gerechtelijk onderzoek met betrekking tot feiten waarmee de onderzoeksrechter op het moment van de huiszoeking niet was belast
(1).
(1)Cass. 23 oktober 2018, AR P.18.0052.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181023.2, AC 2018, nr.
  1. Thesaurus CAS: BEROEPSGEHEIM Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Huiszoeking bij advocaat - Aanwezigheid van de stafhouder - Doel Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Huiszoeking - Advocaat - Aanwezigheid van de stafhouder - Doel - Grens Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Onderzoeksverrichtingen - Huiszoeking - Advocaat - Aanwezigheid van de stafhouder - Doel - Grens Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Huiszoeking - Aanwezigheid van de stafhouder - Doel Fiches 15 - 17 Artikel 449 WIB92 stelt degene strafbaar die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt; de in het WIB92 bepaalde termijnen voor het vestigen, wijzigen of aanvullen van aanslagen houden voor het openbaar ministerie geen beperking in om de strafvordering in te stellen tegen degene die het schuldig acht aan dat misdrijf. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Openbaar ministerie - Fiscale misdrijven - Strafvervolging - Termijnen voor vestiging aanslag - Gevolg Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Fiscale misdrijven - Strafvervolging - Termijnen voor vestiging aanslag - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Openbaar ministerie - Fiscale misdrijven - Strafvervolging - Termijnen voor vestiging aanslag - Gevolg Annotaties Publicaties: PR-Politie recht - 2022, nr. 1, p. 27-
  2. - TERSAGO, Pieter; Noot'Nieuwe feiten, oude adviezen. Over de vaststelling van nieuwe misdrijven tijdens een huiszoeking in een advocatenkantoor' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0236.N S I C W, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Gerard Soete, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 8 bus 1, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 januari
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 28ter, § 2, en 89bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt het verweer van de eiseres dat het lastens haar gevoerde opsporingsonderzoek en haar vervolging nietig zijn omdat de officier van gerechtelijke politie die optrad in het kader van een lastens haar gevoerd gerechtelijk onderzoek naar feiten van valsheid in geschriften en misbruik van vertrouwen, dat onderzoek niet op eigen initiatief mocht opsplitsen door met een aanvankelijk proces-verbaal aan de procureur des Konings kennis te geven van feiten van fiscale fraude, waarvan hij aanwijzingen had ontdekt in stukken die in beslag waren genomen bij een huiszoeking op haar advocatenkantoor; die officier van gerechtelijke politie handelde bij die huiszoeking immers niet op eigen initiatief, maar in opdracht van de onderzoeksrechter; enkel de onderzoeksrechter kon kennis nemen van de resultaten van de door hem bevolen onderzoeksmaatregel en kon oordelen over het verdere verloop van het gerechtelijk onderzoek.
  5. Artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de officieren en agenten van gerechtelijke politie die op eigen initiatief handelen, de procureur des Konings inlichten over de gevoerde opsporingen binnen de termijn en op de wijze die deze bij richtlijn vastlegt. De Wet Politieambt bepaalt: - in artikel 15, 1°, dat bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie de politiediensten als taak hebben de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de daders ervan te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen bepaald door de wet; - in artikel 40, zoals van toepassing, dat de door een politieambtenaar over misdrijven verkregen inlichtingen en gedane vaststellingen worden opgenomen in processen-verbaal die aan de bevoegde gerechtelijke overheden worden toegezonden. Krachtens die bepalingen zijn de politiediensten bevoegd om initiatieven te nemen bij het uitoefenen van hun algemene opsporingsbevoegdheid, waartoe de in artikel 15, 1°, Wet Politieambt bepaalde taken behoren. Het gegeven dat zij een ambtsverrichting van een magistraat ten uitvoer leggen, beperkt noch die bevoegdheid noch hun plicht om aan een andere magistraat rekenschap te geven van alle gegevens waarvan zij kennis nemen en die nuttig kunnen zijn voor een apart opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Artikel 56, § 1, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer de onderzoeksrechter in de loop van een gerechtelijk onderzoek feiten ontdekt die een misdaad of een wanbedrijf kunnen uitmaken dat bij hem niet is aangebracht, hij de procureur des Konings hiervan onmiddellijk in kennis stelt. Die bepaling bevat geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste.
  7. Hieruit volgt dat, wanneer een officier van gerechtelijke politie bij de uitvoering van een door de onderzoeksrechter bevolen huiszoeking strafbare feiten vaststelt die geen verband houden met het gerechtelijk onderzoek en hij ambtshalve een aanvankelijk proces-verbaal opstelt waarmee hij de procureur des Konings van die feiten inlicht, het opsporingsonderzoek naar en de vervolging van die feiten niet nietig zijn wegens een gebrek aan kennisgeving door de onderzoeksrechter als bedoeld in artikel 56, § 1, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 8 EVRM, de artikelen 15 en 21 (lees 22) Grondwet, artikel 89bis Wetboek van Strafvordering en artikel 458 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oor-deelt dat de huiszoeking bij de eiseres regelmatig is geschied en niet onwettig is wegens het feit dat daarbij stukken in beslag zijn genomen die geen verband hielden met het gerechtelijk onderzoek; stukken die niet vielen onder de saisine van de onderzoeksrechter konden niet in beslag worden genomen; de officier van gerechtelijke politie mocht zijn door de huiszoeking opgedane bevindingen niet ter kennis brengen aan de procureur des Konings, maar enkel aan de onderzoeksrechter, die daarover verder moest oordelen; evenmin zijn de in beslag genomen documenten voorgelegd aan de stafhouder met de mededeling dat zij zouden worden gebruikt voor een onderzoek naar andere feiten dan deze die het voorwerp van het gerechtelijk onderzoek uitmaakten, meer bepaald naar feiten van fiscale fraude.
  9. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat de officier van gerechtelijke politie die bij de uitvoering van een door een onderzoeksrechter bevolen huiszoeking stukken ontdekt die geen verband houden met de feiten die het voorwerp van het gerechtelijk onderzoek uitmaken en die daarvan ambtshalve kennis geeft aan de procureur des Konings, zijn beroepsgeheim niet miskent, evenmin als de onschendbaarheid van de woning of het recht op privéleven van degene bij wie hij de huiszoeking uitvoert. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Wanneer een huiszoeking op regelmatige wijze is bevolen en uitgevoerd voor een welbepaald misdrijf, zijn de bij die gelegenheid gedane vaststellingen en inbeslagnemingen niet in strijd met enige bepaling of met enig algemeen rechtsbeginsel omdat zij betrekking hebben op andere feiten dan deze die op dat moment het voorwerp van het gerechtelijk onderzoek uitmaakten. Het gegeven dat de huiszoeking wordt uitgevoerd bij de houder van een door artikel 458 Strafwetboek beschermd beroepsgeheim, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.
  11. De stafhouder die aanwezig is bij een huiszoeking in het kantoor van een advocaat, moet erop toezien dat het onderzoek en de mogelijke inbeslagname geen betrekking heeft op stukken waarvoor het beroepsgeheim geldt. Hij kijkt de stukken in die de onderzoeksrechter wenst te onderzoeken of in beslag te nemen en geeft zijn advies over hetgeen al dan niet onder het beroepsgeheim valt. De onderzoeksrechter is niet gebonden door dat advies.
  12. Wanneer de stafhouder zodoende heeft geadviseerd dat stukken regelmatig in beslag zijn genomen, dient zijn advies niet opnieuw te worden ingewonnen wanneer die stukken aanleiding geven tot een opsporingsonderzoek of een eigen gerechtelijk onderzoek met betrekking tot feiten waarmee de onderzoeksrechter op het moment van de huiszoeking niet was belast. In zoverre faalt het middel evenzeer naar recht.
  13. Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het redelijkheidsbeginsel, het verbod van machtsafwending in fiscale zaken en de algemene rechtsbeginselen van fair play, het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en de motiveringsverplichting: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat het openbaar ministerie zich niet de bevoegdheid van een belastingambtenaar mocht toe-eigenen door een onderzoek en vervolging in te stellen wegens fiscale fraude omdat daardoor een minnelijke fiscale afhandeling werd belet die andere belastingplichtigen wel ter beschikking staat, dat de fiscus materieel geen aanslag meer kon vestigen met eerbiediging van de normale regels en dat het openbaar ministerie willekeurig en onzorgvuldig heeft gehandeld door buiten zijn bevoegdheid te treden; het arrest miskent het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld door te oordelen dat aan de rechten van de eiseres geen afbreuk wordt gedaan doordat er geen boekhoudkundige analyse met nazicht door een gespecialiseerde auditor werd uitgevoerd en het de eiseres vrij stond zelf een technisch raadsman-accountant te raadplegen; aldus erkent het arrest immers impliciet dat zulke analyse nuttig was, maar dat het de eiseres toekwam een eenzijdig en dus niet-tegensprekelijk verslag neer te leggen.
  15. Met de redenen die het arrest (p. 29-32 onder de rechtsoverwegingen 10 en 11 en p. 35-36 onder rechtsoverweging 13.4) bevat, inzonderheid de reden dat artikel 449 WIB92 aan het openbaar ministerie een wettelijke grond verleent om tot vervolging over te gaan los van het gegeven of er al dan niet een fiscale aanslag was gevestigd of gewijzigd of nog kon worden gewijzigd, beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres over de aangevoerde onregelmatigheid van het opsporingsonderzoek en de vervolging wegens fiscale fraude. Het moet niet antwoorden op argumenten die de eiseres enkel heeft aangevoerd tot ondersteuning van dat verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. Met het oordeel dat de afwezigheid van een boekhoudkundige analyse met nazicht door een gespecialiseerde auditor geen afbreuk doet aan de rechten van de eiseres en dat zij zelf een technisch raadgever kan aanstellen, oordeelt het arrest niet impliciet dat zulke analyse hier nuttig was. In zoverre het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
  17. In zoverre het middel miskenning aanvoert van het vermoeden van onschuld, is het afgeleid uit die onjuiste lezing en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 333 WIB92, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en de motiveringsverplichting: het arrest beantwoordt noch weerlegt het verweer van de eiseres dat de fiscale aanslagen ten aanzien van de eiseres definitief waren zodat zij geen afwijkingen meer toelieten en ten gepaste tijde niet waren bestreden waardoor zij onweerlegbaar vermoed werden juist te zijn; het is enkel in de mate dat bijkomende of nieuwe aanslagen werden gevestigd met vernietiging van de oude aanslagen dat het openbaar ministerie een vervolging kon instellen.
  19. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR schendt of de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld miskent. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  20. Artikel 449 WIB92 stelt degene strafbaar die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt. De in het WIB92 bepaalde termijnen voor het vestigen, wijzigen of aanvullen van aanslagen houden voor het openbaar ministerie geen beperking in om de strafvordering in te stellen tegen degene die het schuldig acht aan dat misdrijf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Met de reden aangehaald in het antwoord op het derde middel, beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van redelijkheid en fair play: het arrest dat anders dan de eerste rechter de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak van de eiseres aanneemt, verdubbelt haar straf, onder meer om haar te weerhouden van recidive; de eiseres is echter geen advocaat meer, maar huisvrouw, zodat recidive onmogelijk is; bovendien had zij een blanco strafregister; aldus miskent het arrest het begrip redelijke termijn en is het tegenstrijdig en dubbelzinnig gemotiveerd.
  23. Het middel preciseert niet in welke lezing het arrest wettig en in welke andere lezing het onwettig is. In zoverre het dubbelzinnigheid van de motivering aanvoert, is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  24. De appelrechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt die geen impact heeft op de bewijsvoering, dient de straf van de beklaagde op een reële en meetbare wijze te verminderen ten opzichte van de straf die hij zelf zou hebben opgelegd zonder die overschrijding. De vermindering is niet te beoordelen ten opzichte van de door de eerste rechter opgelegde straf, ongeacht of de overschrijding van de redelijke termijn voor het eerst in hoger beroep is vastgesteld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  25. In zoverre het middel tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest aanvoert, is het afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en is het bijgevolg evenmin ontvankelijk.
  26. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de maat van de aan de eiseres opgelegde straf en is het bijgevolg eveneens niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 203,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 26 mei 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220906.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181023.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.